Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7318

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
200.103.042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van de moeder dient te worden afgewezen, want niet binnen de voor haar ingevolge artikel 1:207 lid 3 BW geldende termijn van vijf jaren na de geboorte van het kind ingediend, terwijl de moeder bekend was met de identiteit en de verblijfplaats van de man (de moeder en de man woonden destijds samen). Kind niet aan een termijn voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap gebonden.

Het hof is, evenals in zijn beschikking van 14 juni 2005, LJN AT 7508, van oordeel dat, indien een kind erkend is, die erkenning door een vader van zijn kind aan een later verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde man op zichzelf niet in de weg behoeft te staan, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis. De wetgever heeft beoogd om met de gerechtelijke vaststelling een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het doen ontstaan van een afstammingsband, maar niet om de gevallen waarin gerechtelijke erkenning zou kunnen plaatsvinden in te perken. Voorshands heeft minderjarige belang bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu dit erfrechtelijk gevolgen voor hem heeft. Voortgezette behandeling om andere belanghebbenden te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/111

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.103.042

(zaaknummer rechtbank 124423)

beschikking van de familiekamer van 9 augustus 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin te Enschede,

en

mr. B.A.M. Oude Breuil,

kantoorhoudende te Enschede,

in de hoedanigheid van bijzonder curator van de minderjarige [A],

verder te noemen “de bijzonder curator”.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de man”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 30 november 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2012, zijn de moeder en [A] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en alsnog vast te stellen dat de man, geboren te [woonplaats en geboortedatum], de vader is van [A] (verder te noemen “[A]”), zonodig met het benoemen van een bijzonder curator ex artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.2 [A] heeft bij brief, ingekomen ter griffie van dit hof op 9 mei 2012, zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2012 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Tevens zijn [A], de bijzonder curator en de man verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de moeder is op [geboortedatum] 1998 [A] geboren. De man heeft [A] op [datum] 2010 erkend.

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank in Almelo op 4 november 2011, heeft de moeder verzocht het vaderschap van [A] van de man vast te stellen, met benoeming van een bijzonder curator ex artikel 1:212 BW.

3.3 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder als wettelijk vertegenwoordigster van [A] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.

3.4 Bij beschikking van dit hof van 12 juni 2012 is mr. Oude Breuil tot bijzonder curator over [A] benoemd.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Nu de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet binnen de voor haar ingevolge artikel 1:207 lid 3 BW geldende termijn van vijf jaren na de geboorte van [A] heeft ingediend, terwijl de moeder bekend was met de identiteit en de verblijfplaats van de man (de moeder en de man woonden immers destijds samen), dient het verzoek van de moeder reeds hierom te worden afgewezen. Nu het kind niet aan een termijn voor het indienen van een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is gebonden, zal het hof het verzoek van [A] tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap beoordelen.

4.2 Anders dan de rechtbank is het hof, evenals in zijn beschikking van 14 juni 2005, LJN AT 7508, van oordeel dat, indien een kind erkend is, die erkenning door een vader van zijn kind aan een later verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde man op zichzelf niet in de weg behoeft te staan. Weliswaar houdt de tekst van artikel 1:207 lid 2, aanhef en sub a BW in dat gerechtelijke vaststelling niet kan geschieden, indien het kind twee ouders heeft, maar de strekking van deze bepaling is dat moet worden voorkomen dat een kind tot meer dan twee personen in familierechtelijke betrekking komt te staan. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat een gerechtelijke vaststelling in situaties als de onderhavige niet mogelijk zou zijn. Volgens de Memorie van Toelichting (TK 1995-1996, 24 649, nr. 3) moet een gerechtelijke vaststelling worden gezien “als een laatste mogelijkheid om tussen ouder en kind een afstammingsband te doen ontstaan”. Uit het verband waarin die passage voorkomt, volgt echter dat de wetgever daarmee slechts het oog heeft gehad op vestiging van een andere mogelijkheid tot het doen ontstaan van een familierechtelijke rechtsbetrekking tussen het kind en een ouder "...indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel bestaan heeft, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning." Daaruit valt af te leiden dat de wetgever heeft beoogd om met de gerechtelijke vaststelling een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het doen ontstaan van een afstammingsband, maar niet om de gevallen waarin gerechtelijke erkenning zou kunnen plaatsvinden in te perken.

4.3 Hoewel het hof gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook na erkenning in beginsel mogelijk acht, dient hiertoe alleen te worden overgegaan indien [A] daarbij belang heeft. Het belang van [A] is, aldus de bijzonder curator ter mondelinge behandeling bij dit hof, erfrechtelijk van aard. Op 25 mei 2010 is de halfbroer van [A], [B] (verder te noemen “[B]”), door een arbeidsongeval overleden. Erfgenamen van de nalatenschap van [B] zijn, zo is ter mondelinge behandeling bij dit hof gebleken, de man en drie halfzussen van [B]. De man heeft van de werkgever van [B] een bedrag van

€ 5.000,- ontvangen ter bestrijding van de begrafeniskosten. Naar verwachting zullen, zo heeft de man ter mondelinge behandeling bij dit hof toegelicht, de erfgenamen nog een bedrag van in totaal circa € 50.000,- ontvangen uit de nalatenschap van [B]. De enige manier waarop [A] in deze nalatenschap kan delen is door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu dit, in tegenstelling tot erkenning, terugwerkt tot de geboorte van [A].

4.4 Voorshands is het hof van oordeel dat [A] belang heeft bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, nu dit erfrechtelijk gevolgen voor hem heeft. Nu evenwel ter mondelinge behandeling bij dit hof is gebleken dat naast de man nog drie halfzussen van [B] erfgenamen zijn, dient het hof, alvorens te beslissen, ook deze belanghebbenden te horen. Het hof zal de bijzonder curator in de gelegenheid stellen binnen vier weken na heden de namen en adresgegevens van de erfgenamen van [B] over te leggen, alsmede aan te geven voor welk deel iedere erfgenaam tot de erfenis van [B] is gerechtigd. Het hof zal na ontvangst van deze bescheiden partijen oproepen voor een voortgezette mondelinge behandeling bij dit hof.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

wijst het verzoek van de moeder af;

alvorens verder te beslissen op het verzoek van [A]:

stelt de bijzonder curator in de gelegenheid binnen vier weken na heden de namen en adresgegevens van de erfgenamen van [B] over te leggen, alsmede aan te geven voor welk deel iedere erfgenaam tot de erfenis van [B] is gerechtigd;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs.C.J. Laurentius-Kooter, M.H.H.A. Moes en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 9 augustus 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.