Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7273

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-00843
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BO5664, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Verwijzingsprocedure HR 16 december 2011, nr. 10/03182, LJN BU8238. Herstelbeleid. Geen eenvoudig herstel. Terugplaatsen tussenschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2181
V-N 2012/58.1.4
FutD 2012-2306
NTFR 2012/2459 met annotatie van mr. M.H. Schoonhoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00843

uitspraakdatum: 4 september 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 april 2009, nummer AWB 2483,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 6 juli 2007 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd naar een bedrag van € 3.337 aan belasting. Tegelijkertijd is aan belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 834. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 82.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en, naar het Hof begrijpt, de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 1 april 2009 gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boetebeschikking. Daarbij is de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking alsmede de boetebeschikking vernietigd.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1.5 Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 25 juni 2010 de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

1.6 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van genoemd hof beroep in cassatie ingesteld.

1.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 december 2011, nr. 10/03182, LJN: BU8238 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.8 Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft een zogenoemde conclusie na verwijzing ingediend.

1.9 Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Hoge Raad ontvangen dossier – waartoe ook de dossiers van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en de rechtbank Breda behoren – dat op deze zaak betrekking heeft.

1.10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot, alsmede de Inspecteur.

1.11 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.12 De Inspecteur heeft bij brief van 6 juli 2012 nog een nader stuk toegezonden en daarbij verwezen naar het in 2.5 genoemde beleidsbesluit BPM 2012 van 27 juni 2012. Een kopie van dit stuk is aan de uitspraak gehecht. Dit stuk geeft geen aanleiding het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is houder van een auto van het merk Kia, type Pregio 2.5 TCI DB met het kenteken xx-xx-xx en chassisnummer xxx (hierna: de auto). De auto is door belanghebbende op 13 maart 2006 gekocht van Automobielbedrijf Y. De auto is voorzien van een dubbele cabine en een vaste wand van kunststof tussen de bestuurderscabine en de laadruimte (het tussenschot). De auto is sinds 30 juni 2005 als bestelauto in het kentekenregister geregistreerd.

2.2 Het tussenschot is door middel van een twaalftal zelftappende bouten aan de binnenzijde van de carrosserie vastgeschroefd. Tevens is er (op sommige plekken) tussen de randen van het tussenschot en de binnenzijde van de auto kit aangebracht.

2.3 Op zaterdag 7 oktober 2006 is de auto op de N 325 te Arnhem gecontroleerd door ambtenaren van het team fysiek toezicht van de Douane Noord/ Kantoor Duiven. Daarbij werd geconstateerd dat het tussenschot verwijderd was. Belanghebbende heeft tijdens de controle verklaard dat zij c.q. haar echtgenoot het tussenschot (zelf) had verwijderd in verband met het vervoer van een bank. Voor de auto was op dat moment geen BPM betaald. Enige dagen na 7 oktober 2006 heeft belanghebbende het tussenschot weer teruggeplaatst door middel van het vastschroeven van de zelftappende bouten; daarbij is niet opnieuw een kitlaag aangebracht.

2.4 Door het ontbreken van het tussenschot voldeed de auto niet meer aan de inrichtingseisen van een bestelauto. Zonder dat aan belanghebbende de gelegenheid is geboden de auto te herstellen in de hoedanigheid van bestelauto, heeft de Inspecteur naar aanleiding van de controlebevindingen de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslag opgelegd.

2.5 In de Staatscourant van 3 juli 2012, nr. 13574 is het beleidsbesluit BPM 2012 van de staatssecretaris van Financiën van 27 juni 2012 gepubliceerd, welk besluit per 1 juli 2012 in

werking is getreden. Dit besluit is een actualisering van het beleidsbesluit BPM (het (aangepaste) Kaderbesluit bpm), dat met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit is ingetrokken. Het in het beleidsbesluit BPM 2012 opgenomen herstelbeleid (paragraaf 12.1) is daarin mede naar aanleiding van jurisprudentie verduidelijkt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de Inspecteur het zogenoemde herstelbeleid terecht niet heeft toegepast. Belanghebbende beantwoordt voornoemde vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2 Belanghebbende is van mening dat haar gelegenheid tot herstel moet worden geboden omdat herstel in de hoedanigheid van bestelauto betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd.

3.3 De Inspecteur is van mening dat het herstelbeleid er niet in voorziet dat in dit geval een mogelijkheid tot herstel wordt geboden.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voorzover het de onderwerpelijke naheffingsaanslag en heffingsrentebeschikking betreft en tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, van de naheffingsaanslag en de heffingsrentebeschikking.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Bij de beoordeling van het onderhavige geschil stelt het hof voorop dat te dezen niet aan de voorwaarden van het beleidsbesluit BPM 2012 dient te worden getoetst, aangezien dat besluit voor de belastingplichtige minder gunstige voorwaarden voor herstel stelt dan het Kaderbesluit bpm. Mitsdien dient te worden onderzocht of belanghebbende voldoet aan de in dat laatstgenoemde besluit opgenomen voorwaarden voor herstel.

4.2 Vaststaat dat op 7 oktober 2006 het tussenschot ontbrak en dat daardoor de auto niet meer voldeed aan de in artikel 3, derde lid, aanhef, onderdeel d, ten derde van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) gestelde eis om als bestelauto te kunnen worden aangemerkt. Hierdoor werd de auto in de zin van de Wet BPM een “personenauto”.

4.3 Op grond van het bepaalde in artikel 1, derde lid, van de Wet BPM is ter zake van de aanvang van het gebruik als personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 belasting verschuldigd, welke op grond van artikel 6 van de Wet BPM op aangifte moet worden voldaan. Nu vaststaat dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan stond het de Inspecteur – in zoverre - vrij om onderwerpelijke naheffingsaanslag op grond van artikel 12a van de Wet BPM op te leggen.

4.4 Belanghebbende heeft echter een beroep gedaan op het zogenaamde herstelbeleid. Dit beleid behelst een goedkeuring dat in bepaalde situaties wanneer niet meer aan de inrichtingseisen van een bestelauto is voldaan, gelegenheid wordt geboden dit te herstellen zonder dat direct bij eerste constatering van gebruik van de weg met dat voertuig een naheffingsaanslag BPM wordt opgelegd.

4.5 Zoals uit het verwijzingsarrest blijkt, is het door de Staatssecretaris van Financiën gevoerde herstelbeleid dat in het Besluit van de Minister van Financiën van 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M was neergelegd, herzien in het Kaderbesluit bpm van de Minister van Financiën (van 4 juni 2010, nr. DGB2010/1670M, Staatscourant 15 juni 2010, nr. 9057, nader gewijzigd bij Besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/7686M, Staatscourant 21 december 2010, nr. 20502 en meer nader gewijzigd bij Besluit van 20 december 2011, nr. BLKB2011/2548M, Staatscourant 2011, nr. 23189), welk besluit op 16 juni 2010 in werking is getreden. In onderdeel 13 van het Kaderbesluit bpm is bepaald dat het bedoelde herstelbeleid van de Staatssecretaris van Financiën wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van het Kaderbesluit bpm. Krachtens onderdeel 13 van het Kaderbesluit bpm strekt de werking van dit besluit zich mede uit tot gevallen waarin de naheffingsaanslag in de BPM nog niet onherroepelijk is komen vast te staan, zoals voor de onderwerpelijke naheffingsaanslag het geval is.

4.6 In onderdeel 12.1 van het Kaderbesluit bpm is goedgekeurd dat als een bestelauto waarop geen BPM drukt, niet langer aan de inrichtingseisen voldoet en BPM is verschuldigd, niet direct bij eerste constatering van gebruik van de weg met dat voertuig een naheffingsaanslag in de BPM wordt opgelegd, maar aan de kentekenhouder de gelegenheid wordt geboden de geconstateerde onregelmatigheden te herstellen, indien herstel in de hoedanigheid van bestelauto betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd.

4.7 Gelet op de strekking van het verwijzingsarrest dient het Hof te onderzoeken of op grond van onderdeel 12.1 van het Kaderbesluit bpm belanghebbende de gelegenheid tot herstel dient te worden geboden omdat herstel in de hoedanigheid van bestelauto betrekkelijk eenvoudig kan worden gerealiseerd.

4.8 Om als een bestelauto te kunnen worden aangemerkt is in artikel 3, vijfde lid, van de Wet BPM in verbinding met artikel 2, negende lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 onder meer vereist dat de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie dient te zijn verbonden.

4.9 Gelet hierop, dient voor ‘herstel in de hoedanigheid van bestelauto’ het tussenschot zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie verbonden te zijn. Daarvan is geen sprake wanneer het tussenschot slechts met eenvoudig te verwijderen zelftappende bouten is vastgeschroefd. De eis van onverbrekelijkheid houdt namelijk in dat het tussenschot en de carrosserie in principe onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat daardoor een permanente situatie wordt gecreëerd. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door, zoals door de Inspecteur is gesteld, gebruik te maken van een speciale afdichtkit die door middel van een daartoe geschikt handbediend of persluchtpistool dient te worden aangebracht. De Inspecteur heeft er in dit verband op gewezen – en het Hof acht zulks aannemelijk - dat de importeur van de auto het tussenschot op voornoemde wijze heeft afgekit met de afdichtkit “Sikaflex-221”. Herstel in de hoedanigheid van bestelauto houdt in dit geval dus in dat een dergelijke afdichtkit moet worden gebruikt om voornoemde permanente situatie tot stand te brengen. Gelet op de bewerkelijkheid van het aanbrengen van een dergelijke kit kan, naar het oordeel van het Hof, niet worden gezegd dat herstel naar een dergelijke onverbrekelijke toestand betrekkelijk eenvoudig is te realiseren.

4.10 Gelet op het vorenoverwogene, doet belanghebbende vergeefs een beroep op het in het Kaderbesluit bpm vervatte herstelbeleid.

4.11 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.T.K. Meussen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 4 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (A.J. Kromhout)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.