Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7252

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
11-00469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz.

Proceskosten. No cure no pay-advieskantoor. Kosten van beroepsmatige verleende rechtsbijstand en deskundigenrapport. Diverse klachten van gemeente om vergoeding te verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2176
FutD 2012-2309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00469

uitspraakdatum: 4 september 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Rheden (hierna: de Ambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 mei 2011, nummer AWB 10/3149, in het geding tussen de Ambtenaar

en

X te Z (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2010, vastgesteld op € 655.000.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 567.000, en daarbij op de voet van artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht een proceskostenvergoeding toegekend van € 205,38.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ambtenaar vernietigd voor zover die betrekking heeft op de proceskostenvergoeding en de Ambtenaar veroordeeld in de proceskosten inzake het bezwaar voor een bedrag van € 617,32, en in de proceskosten inzake het beroep voor een bedrag van € 874.

1.4 De Ambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Ambtenaar.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Bij beschikking van 27 februari 2010 op grond van de Wet WOZ heeft de Ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2010, vastgesteld op € 655.000. De onroerende zaak betreft een zogenaamde “twee onder een kap” woning.

2.2 Namens belanghebbende heeft zijn gemachtigde bij brief van 16 maart 2010 daartegen bezwaar gemaakt. De gemachtigde heeft het bezwaar – onder bijvoeging van een taxatierapport met betrekking tot de onroerende zaak – nader aangevuld bij brief van 3 juni 2010. In het bijgevoegde taxatierapport en het bezwaarschrift wordt geconcludeerd tot een WOZ-waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2009 van € 540.000. De taxatie namens belanghebbende is verricht door A van B C.V.

2.3 A heeft voor zijn werkzaamheden een factuur gezonden aan de gemachtigde ten bedrag van € 481,90. Dit bedrag is samengesteld als volgt:

- 5 uren a € 80 per uur € 400,00

- BTW 19% € 76,00

- kadastrale kosten € 5,90

Totaal € 481,90

2.4 Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn overeengekomen dat gemachtigde zijn belangen zal behartigen op basis van “no cure no pay”. Hiertoe behoren ook de kosten van door de gemachtigde ingeschakelde externe deskundigen.

2.5 De gemachtigde heeft zijn kosten (inclusief de kosten van A als vermeld in 2.3) op 3 juni 2010 gedeclareerd bij belanghebbende, onder vermelding dat de nota pas behoeft te worden voldaan nadat door belanghebbende een toewijzende uitspraak op het bezwaar zal zijn ontvangen.

2.6 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2010, de vastgestelde waarde nader bepaald op € 567.000, en daarbij op de voet van artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht een proceskostenvergoeding toegekend van € 205,38. Dit bedrag is samengesteld als volgt:

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- bezwaarschrift: 1 punt a € 218 x (factor) 0,25 € 54,50

Kosten deskundige:

- 3 uren a € 40,61 per uur € 121,83

- BTW 19% € 23,15

- kadastrale kosten € 5,90

€ 150,88

Totaal € 205,38

2.7 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Ambtenaar vernietigd voor zover die betrekking heeft op de proceskostenvergoeding en de Ambtenaar veroordeeld in de proceskosten inzake het bezwaar voor een bedrag van € 617,32, en in de proceskosten inzake het beroep voor een bedrag van € 874. Deze kosten zijn door de Rechtbank als volgt berekend:

Bezwaarfase

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- bezwaarschrift: 1 punt a € 218 x (factor) 1,0 € 218,00

- hoorzitting: 1 punt a € 218 x (factor) 1,0 € 218,00

Kosten deskundige:

- 4 uren a € 80,00 per uur € 320,00

- BTW 19% € 60,80

- kadastrale kosten € 5,90

€ 386,70

Totaal € 822,70

Beroepsfase

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- beroepschrift: 1 punt a € 437 x (factor) 1,0 € 437,00

- bijwonen zitting: 1 punt a € 437 x (factor) 1,0 € 437,00

Totaal € 874,00

De Rechtbank heeft vervolgens het reeds door de Ambtenaar toegekende bedrag van € 205,38 in mindering gebracht op de toe te kennen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en die vergoeding daarom beperkt tot € 617,32.

2.8 De Ambtenaar is tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag voor welk bedrag aan proceskostenvergoeding belanghebbende voor de bezwaar- en de beroepsfase in aanmerking komt.

3.2 De Ambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding dient te worden verminderd, aangevoerd dat:

– belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden geacht in zijn bezwaar omdat sprake is van een “no cure no pay” situatie;

– belanghebbende geen kosten heeft gemaakt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) omdat sprake is van bijstand op basis van “no cure no pay”;

– het opstellen van het bezwaarschrift niet kan worden gekwalificeerd als rechtsbijstand in de zin van het Bpb;

– sprake is van (38) in de zin van artikel 3 Bpb samenhangende zaken;

– belanghebbende in de uitspraak op het bezwaar slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld;

– sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, Bpb nu het bezwaarschrift onderdeel uitmaakt van een reeks van 38 bezwaarschriften die een sterke inhoudelijk samenhang vertonen, hetgeen een matiging van de proceskosten rechtvaardigt;

– gezien de geringe ingewikkeldheid van de zaak, de inhoud van het bezwaarschrift en de bespreking tijdens de hoorzitting, een wegingsfactor 0,25 dient te worden toegepast;

– het door de deskundige berekende uurtarief te hoog is;

– het door de deskundige gedeclareerde aantal uren te hoog is;

– nu in beroep alleen de hoogte van de proceskosten nog ter discussie stond, voor de beroepsfase een wegingsfactor 0,25 dient te worden toegepast,

In zijn pleitnota voor de zitting van het Hof, heeft de Ambtenaar daarnaast nog gesteld dat de taxateur van belanghebbende niet onafhankelijk is.

3.3 Belanghebbende heeft de stellingen van de Ambtenaar gemotiveerd weersproken.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 De Ambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de toegekende proceskostenvergoeding.

3.6 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Omvang geschil

4.1 In zijn pleitnota voor het Hof heeft de Ambtenaar – zulks naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN: BT6841 (BNB 2011/281) – zijn standpunt dat belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaar, omdat sprake is van een “no cure no pay” situatie en omdat uitsluitend nog de hoogte van de proceskostenvergoeding in geschil is, ingetrokken. Op dezelfde gronden heeft de Ambtenaar in zijn pleitnota zijn standpunt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van kosten in de zin van het Bpb ingetrokken.

Ter zitting van het Hof heeft de Ambtenaar vervolgens nog zijn standpunten dat het bezwaarschrift onderdeel uitmaakte van 38 identieke zaken die als samenhangend in de zin van artikel 3 Bpb dienen te worden aangemerkt, en dat bij al die 38 bezwaren dezelfde problematiek aan de orde is, hetwelk als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3 Bpb dient te worden aangemerkt, uitdrukkelijk ingetrokken.

Rechtsbijstand

4.2 De Ambtenaar stelt dat om voor vergoeding van kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking te kunnen komen, die rechtsbijstand dient te worden verleend door een persoon met juridische scholing waarbij gedacht moet worden aan advocaten en belastingadviseurs. De gemachtigde behoort – aldus de Ambtenaar – niet tot een dergelijke groep. Bovendien zou gezien de inhoud van het bezwaarschrift niet van rechtsbijstand in de zin van het Bpb kunnen worden gesproken. Het Hof volgt de Ambtenaar hierin niet.

In de Nota van toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763, blz. 6) is met betrekking tot de rechtsbijstandverlener immers opgemerkt:

“Het hoeft niet te gaan om iemand die uitsluitend of in hoofdzaak zijn beroep maakt van het verlenen van rechtsbijstand. Waar het om gaat, is dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot zijn beroepsmatige taak …) zoals dat bij voorbeeld vaak bij sociale raadslieden (op bepaalde rechtsgebieden) het geval is. Met de huidige praktijk, waarin rechtsbijstandverleners van velerlei pluimage optreden, is het niet goed verenigbaar wettelijke eisen van vakbekwaamheid te stellen.”

De gemachtigde heeft onweersproken gesteld – en het is het Hof uit eigen wetenschap bekend – dat WOZ-Consultants is gespecialiseerd in het verlenen van juridische bijstand met betrekking tot fiscale geschillen tussen lokale overheid en burger, onder andere door het geven van juridische voorlichting aan belanghebbende, het namens belanghebbende bijwonen van hoorzittingen van bestuursorganen en het indien van bezwaar- en beroepschriften. Het Hof is daarom van oordeel dat het verlenen van rechtsbijstand behoort tot de beroepsmatige taak van de gemachtigde.

Niet in geschil is dat de gemachtigde het bezwaarschrift heeft ingediend en de hoorzitting bij de Ambtenaar heeft bijgewoond, welke handelingen blijkens het Bpb als proceshandelingen worden aangemerkt. Anders dan bij de beoordeling van het gewicht van de zaak, wordt in het kader van het toekennen van punten aan een proceshandeling als zodanig geen inhoudelijke beoordeling gemaakt van de aard van de proceshandeling, zodat ter zake van het door de gemachtigde ingediende bezwaarschrift en de bijgewoonde hoorzitting in beginsel telkens 1 punt dient te worden toegekend.

Belanghebbende slechts gedeeltelijk in het gelijk gesteld

4.3 De Ambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2009

bij beschikking vastgesteld op € 655.000. Belanghebbende heeft in zijn daartegen gerichte bezwaarschrift, een waarde bepleit van € 540.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar de vastgestelde waarde verlaagd naar € 567.000. De Ambtenaar stelt dat nu belanghebbende slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld de proceskostenvergoeding deswege op grond van het bepaalde in artikel 2, tweede lid, Bpb, dient te worden gematigd. De omstandigheid dat een belastingplichtige gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld door de belastingrechter brengt niet (zonder meer) mee dat de toe te kennen proceskostenvergoeding – op die grond – dient te worden gematigd. Dit geldt te meer in een geval als het onderhavige waarbij de vastgestelde waarde door de Ambtenaar naar aanleiding van het bezwaar in aanzienlijke mate neerwaarts is bijgesteld.

Wegingsfactor

4.4 De Ambtenaar bepleit voor het bepalen van de proceskostenvergoeding in de onderhavige zaak een wegingsfactor van 0,25 hetgeen naar de mening van de Ambtenaar in overeenstemming is met de bewerkelijkheid van de zaak.

In de Nota van Toelichting op het Besluit tot wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, (Stb. 2002, 113), Artikel I, onderdeel D wordt – voor zover hier van belang – opgemerkt:

“Wegingsfactoren

Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. (…) De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. (…)”

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende – onweersproken – verklaard dat zijn werkzaamheden hebben bestaan uit een eerste bespreking met de cliënt (belanghebbende), het contact zoeken en overleg voeren met de taxateur, het bespreken van de uitkomsten van de taxatie, het opstellen van het bezwaarschrift en het terugkoppelen van de resultaten naar belanghebbende. Op grond hiervan acht het Hof de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener in de onderhavige zaak zodanig, dat een wegingsfactor van 1,0 in aanmerking dient te worden genomen. Dit heeft naar het oordeel van het Hof eveneens te gelden voor de werkzaamheden van de gemachtigde in het kader van de hoorzitting. Dat – zoals belanghebbende onweersproken heeft gesteld en ook uit het gestelde in de pleitnota van de Ambtenaar voor het Hof naar voren komt – de Ambtenaar het hoorgesprek voornamelijk heeft gebruikt om belanghebbende “aan te horen” waardoor het hoorgesprek wellicht aan diepgang heeft ingeboet kan bezwaarlijk aan belanghebbende worden verweten.

Uurtarief en aantal te vergoeden uren deskundige (taxateur)

4.5 De Ambtenaar verdedigt voorts dat de vergoeding per uur, uitgaande van het maximumtarief, de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden, moet weerspiegelen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. De werkzaamheden van een deskundige die zijn verbonden aan het opstellen van een taxatierapport in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure behoren te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Bts 2003). De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de desbetreffende regeling in het Bts moet worden aanvaard dat ter bepaling van de mate waarin werkzaamheden van een taxateur van bijzondere aard zijn uitsluitend de aard van de onroerende zaak als maatstaf in aanmerking wordt genomen en dat geen rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur (vgl. Hoge Raad 13 juli 2012, nrs. 11/02035, LJN BX0904, 11/04133, LJN BX0919 en 11/02430, LJN BV5172).

In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, acht de Hoge Raad het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven (vgl. Hoge Raad 13 juli 2012, nr. 11/02035). De omstandigheid dat een dergelijk beleid nog niet is ontwikkeld, weerhoudt het Hof er niet van om de vergoeding van de kosten van het in beroep ingebrachte taxatierapport te beoordelen.

In geval van een taxatie van een courante “twee onder een kap” woning, zoals de onroerende zaak, zijn de werkzaamheden naar het oordeel van het Hof, niet in die mate van bijzondere aard dat een tarief uitgaande boven een vergoeding van € 50 exclusief BTW per uur geboden zou zijn. Voorts acht het Hof in dit geval vier uren aan taxatiewerkzaamheden niet onredelijk. Het Hof gaat er vanuit dat belanghebbende de omzetbelasting niet kan verrekenen.

Dat A – zoals door de Ambtenaar gesteld – niet een gediplomeerd WOZ taxateur zou zijn, is door belanghebbende gemotiveerd weersproken. Het Taxatierapport is ook ondertekend door “A, Gediplomeerd WOZ taxateur”. Het Hof heeft overigens geen reden om aan de deskundigheid van A te twijfelen, en verwerpt de stelling van de Ambtenaar.

Onafhankelijkheid deskundige

4.6 De Ambtenaar heeft gesteld dat de taxateur een financieel belang heeft bij de uitkomst van de taxatie en dit zich niet verdraagt met artikel 8:34, eerste lid, Awb, waarin wordt voorgeschreven dat een deskundige zijn opdracht onpartijdig uitvoert. Bij de beoordeling van deze grief stelt het Hof voorop, dat het door de Ambtenaar genoemde artikel, evenals artikel 8:66, betrekking heeft op deskundigen die als zodanig door de rechter zijn aangezocht, en dat daarvan in de onderhavige situatie geen sprake is. Taxateur A is een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Bpb, zodat artikel 8:34 Awb ten aanzien van hem, in deze zaak, toepassing mist. Daarnaast heeft de gemachtigde van belanghebbende onweersproken gesteld dat in ongeveer 30% van de gevallen waarin in zijn opdracht door A een taxatie wordt uitgevoerd, het bezwaarschrift wordt ingetrokken omdat daarin niet tot een lagere dan de door het bestuursorgaan beschikte waarde wordt geconcludeerd. Naar het oordeel van het Hof kan dan ook niet worden gezegd dat A niet als onafhankelijk deskundige kan worden aangemerkt.

Wegingsfactor beroepsfase

4.7 De Ambtenaar stelt dat, nu in de beroepsfase bij de Rechtbank nog uitsluitend de hoogte van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding ter discussie stond, het in aanmerking nemen van een wegingsfactor van 0,25 toereikend is. Aan de Ambtenaar kan worden toegegeven dat indien in beroep nog slechts de hoogte van de in bezwaar toegekende proces¬kostenvergoeding in het geding is, er aanleiding kan bestaan voor de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in de beroepsfase een lagere wegingsfactor dan 1,0 in aanmerking te nemen. Echter, nu in de onderhavige procedure de Ambtenaar een veelheid aan argumenten naar voren heeft gebracht op grond waarvan naar zijn mening het bedrag van de toe te kennen proceskostenvergoeding in het onderhavige geval dient te worden gematigd, en op welke argumenten belanghebbende redelijkerwijs diende te reageren, acht het Hof de werkbelasting ook in de beroepsfase zodanig dat dit een wegingsfactor van 1,0 rechtvaardigt.

Conclusie

4.8 Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de navolgende vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding:

Bezwaarfase

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- bezwaarschrift: 1 punt a € 218 x (factor) 1,0 € 218,00

- hoorzitting: 1 punt a € 218 x (factor) 1,0 € 218,00

Kosten deskundige:

- 4 uren a € 50,00 per uur € 200,00

- BTW 19% € 38,00

- kadastrale kosten € 5,90

€ 243,90

Totaal € 679,90

Beroepsfase

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

- beroepschrift: 1 punt a € 437 x (factor) 1,0 € 437,00

- bijwonen zitting: 1 punt a € 437 x (factor) 1,0 € 437,00

Totaal € 874,00

Overweging ambtshalve

4.9 Het Hof constateert dat de Rechtbank, na te hebben overwogen dat aan belanghebbende ter zake van de kosten van de bezwaarfase een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend van € 822,70, het bedrag van de reeds aan belanghebbende uitbetaalde proceskosten¬vergoeding ad € 205,38 daarop in mindering heeft gebracht, en vervolgens de hoogte van deze vergoeding heeft bepaald op € 617,32. Naar het oordeel van het Hof is dit niet juist. Het bedrag van de toe te kennen vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase bedraagt immers zoals de Rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen € 822,70. Voor zover het bestuursorgaan zich van de uit de proceskostenveroordeling voortspruitende betalingsverplichting kwijt, neemt de geld¬schuld uiteraard dienovereenkomstig af. Dit doet aan de hoogte van de proceskosten waarin het bestuursorgaan wordt veroordeeld evenwel niet af. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank in zoverre vernietigen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en stelt de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 679,90, en bevestigt de uitspraak voor het overige.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de vaststelling van de hoogte van de aan belanghebbende toe te kennen proceskosten voor de bezwaarfase en stelt het bedrag van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 679,90, en

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 september 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.