Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7017

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
200.077.900
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenbeschikking is de man toegelaten tot bewijs van zijn stellingen. Vast staat dat de vrouw zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van de man heeft geuit aan de Raad voor de Kinderbescherming, aan Bureau Jeugdzorg en aan de huisarts (de vrouw heeft dat ook erkend) en een relevant deel van de beschuldigingen ook heeft geuit naar een derde. Als niet door de vrouw bestreden staat bovendien vast dat de man als gevolg van die beschuldigingen lijdt aan een posttraumatische stressstoornis. Aannemelijk is bovendien dat het ontbreken van enig contact tussen de man en de kinderen niet los kan worden gezien van de litigieuze beschuldigingen door de vrouw. Mede gegeven het extreme karakter van de beschuldigingen, die ernstig grievend zijn, kan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid neit van de man worden gevergd dat hij nog langer bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2012-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.077.900

(zaaknummer rechtbank 186942 / FA RK 09-11690)

beschikking van de familiekamer van 12 juli 2012

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. W. Ch. de Roos te Groningen,

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. M.M. Schoots te Naarden.

1. Het verdere verloop van het geding in het principaal en het incidenteel hoger

beroep

1.1 In de tussenbeschikking van 12 juli 2011 heeft het hof de man tot bewijslevering toegelaten.

1.2 Ter zitting van dit hof van 27 oktober 2011 heeft de man twee getuigen doen horen: [B], van beroep psychiater, en zichzelf als partijgetuige. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3 Ter zitting van dit hof van 6 december 2011 zijn in tegenverhoor [A], de zoon van partijen, als getuige en de vrouw als partijgetuige gehoord. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.4 Bij brief van 28 december 2011 aan het hof heeft mr. Schoots namens de man op de getuigenverklaringen gereageerd, waarbij één productie in het geding is gebracht.

1.5 Vervolgens heeft mr. De Roos namens de vrouw schriftelijk op de getuigenverklaringen gereageerd, waarbij enkele producties in het geding zijn gebracht.

1.6 Daarna is de datum voor deze beschikking (nader) bepaald op heden.

2. De verdere motivering van de beslissing

2.1 Het hof volhardt bij de inhoud van de vermelde tussenbeschikking.

2.2 In die beschikking heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

4.2 De man verzoekt het hof de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2009 te beëindigen, althans op nihil te stellen, althans te matigen, althans in duur te beperken. Aan dit verzoek legt de man ten grondslag dat sprake is van zodanig grievend gedrag van de vrouw jegens hem dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen.

4.3 De man stelt dat de vrouw sinds 2002 stelselmatig ernstige leugens over hem vertelt en onterechte beschuldigingen aan zijn adres uit. Hij zou onder andere opdracht hebben gegeven de vrouw te achtervolgen, de vrouw geprobeerd hebben te wurgen, de vrouw en de kinderen hebben gedrogeerd en afgeluisterd en vermoorde katten voor de deur van de vrouw en de kinderen hebben neergelegd. Ook zou de man lid zijn van een sekte die betrokken is bij kinder- en drugshandel, seks hebben gehad met prostituees, een hond en een lijk, patiënten seksueel hebben misbruikt, een gedurende vijf maanden zwangere vriendin illegaal hebben geaborteerd en diverse buitenechtelijke kinderen hebben verwerkt. Zonder enige onderbouwing of bewijsstuk heeft de vrouw de onwaarheden niet alleen verteld aan de Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Bureau Jeugdzorg en de huisarts, maar ook aan de makelaar van partijen, de kinderen van partijen en aan collega’s en vrienden van de man. Dit alles heeft ertoe geleid dat de kinderen geen contact meer met de man willen, de man in zijn werk als psychiater ernstige reputatieschade heeft geleden en de man aan een posttraumatische stressstoornis lijdt, aldus de man.

4.4 De vrouw reageert als volgt op de stellingen van de man. Zij heeft de door de man genoemde leugens en beschuldigingen verteld, omdat deze op de waarheid berusten. In het belang van de kinderen heeft zij de Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Bureau Jeugdzorg en de huisarts van de gedragingen van de man op de hoogte moeten stellen. Zij betwist dat zij overige derden, zoals de makelaar van partijen, de kinderen van partijen en collega’s en vrienden van de man, heeft ingelicht. Voor zover bij de man sprake is van een posttraumatische stressstoornis is dit betreurenswaardig, aldus de vrouw.

4.5 Ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft de man aangeboden zijn stelling dat de vrouw voornoemde verhalen niet alleen heeft verteld aan de Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Bureau Jeugdzorg en de huisarts, maar ook aan derden, zoals de makelaar van partijen, de kinderen van partijen en collega’s en vrienden van de man, via het horen van getuigen te bewijzen. De man heeft ter mondelinge behandeling [B], GGZ-psychiater te [Woonplaats], en zichzelf als getuigen voorgedragen.

4.6 Het hof ziet in de stellingen van partijen aanleiding om alvorens op de voorliggende verzoeken te beslissen de man via het horen van getuigen toe te laten tot het bewijs van zijn onder 4.5 genoemde stelling.

2.3 In de vermelde tussenbeschikking is de man toegelaten tot bewijs van zijn stelling dat de vrouw de in die beschikking onder 4.3 vermelde verhalen niet alleen aan de Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Bureau Jeugdzorg en de huisarts, maar ook aan derden, zoals de makelaar van partijen, de kinderen van partijen en collega’s en vrienden van de man, heeft verteld.

2.4 De man heeft als getuigen doen horen [B] en zichzelf. In het tegenverhoor zijn [A], de zoon van partijen, als getuige en de vrouw als partijgetuige gehoord. Het hof verwijst uitdrukkelijk naar de inhoud van de getuigenverklaringen, die als hier herhaald en ingelast gelden. Bij de na te melden bewijswaardering heeft het hof acht geslagen op het uitgangspunt als vermeld in artikel 164 lid 2 Rv, ingevolge welke bepaling de verklaring van een partij als getuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

2.5 [B], van beroep psychiater, heeft als getuige onder meer verklaard dat hij op aangeven van de huisarts van partijen in 2006 drie gesprekken heeft gevoerd, één met de vrouw samen met de twee zoons van partijen, één met de man en één met partijen samen, alsmede dat hij toen in een instelling werkte waar de man in opleiding was en daarvoor als arts werkte. Uit de productie bij het proces-verbaal van 27 oktober 2011 blijkt dat [B] toen werkte bij GGz [woonplaats] als directeur behandelzaken GGz Centra. Deze getuige heeft verder onder meer verklaard:

“(…) ik weet nog wel dat mevrouw meneer beschuldigde van allerlei zaken. Ze had ook een bandje bij zich dat ze afdraaide en daarop was een telefoongesprek te horen met allerlei scheldwoorden. Mevrouw vertelde dat een andere arts in opleiding bij meneer thuis was gekomen en dat zij hen betrapt had op handtastelijkheden. Ik herinner mij dat mevrouw mij verteld heeft dat meneer lid was van een sekte en dat meneer haar drogeerde en dat meneer buitenechtelijke kinderen heeft verwekt. Dat was wat ik mij in ieder geval herinner van de beschuldigingen die staan vermeld in 4.3 van de beschikking van 12 juli 2011. (…) Voor zover ik me herinner kwamen de beschuldigingen van mevrouw aan het adres van meneer in beide gesprekken naar voren. (…) Ik durf niet met zekerheid te verklaren of mevrouw meneer heeft beschuldigd van seksueel misbruik van patiënten en het verwekken van kinderen bij patiënten. Dat herinner ik me niet. (…) Op uw vraag wat de huisarts mij heeft verteld, herinner ik mij dat de huisarts zich zorgen maakte over het gedrag van meneer en de conflictsituatie tussen meneer en de huisarts. Er was sprake van een escalerende conflictsituatie volgens de huisarts. Op uw vraag of de huisarts specifieker heeft verklaard over de verhalen van de vrouw, antwoord ik: “dat weet ik niet meer, maar misschien wel”. Het eerste gesprek was met mevrouw in aanwezigheid van de twee zoons (…) In dat gesprek zijn ook de kinderen aan het woord geweest, ik herinner mij dat zij beschuldigingen van mevrouw aan het adres van meneer bevestigden. Ik kan de geuite beschuldigingen nu niet nader meer specificeren. (…) In de gesprekken die ik met meneer had heeft meneer mevrouw niet beschuldigd, hij maakt zich eerder zorgen om mevrouw en om de kinderen. (…) Mijn conclusie was, zoals ik al eerder zei, dat ik me zorgen maakte over mevrouw en ik heb haar psychiatrische hulp voorgesteld. Dat heb ik niet aan meneer voorgesteld want dat vond ik niet nodig. (…)”.

2.6 De man heeft als partijgetuige onder meer verklaard:

“(…) Ik werd op 19 september 2006 onverwachts gebeld door [B]. Ik was om dat telefoontje erg bezorgd. [B] maakte zich op informatie van de huisarts en de informatie van [appellant] ernstig zorgen over mij. Er zou sprake zijn bij mij van drugsgebruik, vreemdgaan, ernstige woedeaanvallen en buitenechtelijke relaties met patiënten. Dat heb ik gehoord. Ik ben ingegaan op zijn uitnodiging voor een gesprek, want ik was als de dood dat deze beschuldigingen bij mijn opleider zouden komen en dat zou het einde van mijn opleiding betekenen. (…) In het tweede gesprek zei [B] dat zijn zorgen over mij niet waren weggenomen en dat betrof het drugsgebruik, woedeaanvallen en buitenechtelijke contacten en in het derde gesprek kwamen er nog beschuldigingen bij die voor [B] nieuw waren, zoals seks met een lijk, met een hond en mijn vader en een collega zouden lid zijn van een netwerk van internationale kinderhandel, waaraan ook een rechter verbonden zou zijn. Die laatste beschuldiging is ook herhaald bij de rechtbank in Groningen. Door de nieuwe beschuldigingen in het derde gesprek verschoof de zorg van [B] naar mevrouw. Aan het eind van dit gesprek heeft [B] vervolggesprekken aangeboden aan mevrouw, eventueel in mijn aanwezigheid, maar dat wilde mevrouw niet. (…)”.

2.7 In haar verklaring als partijgetuige heeft de vrouw onder meer verklaard dat zij in de gesprekken met [B] de beschuldigingen die vermeld staan in de beschikking van het hof onder 4.3 niet met [B] heeft besproken. Nader geconfronteerd met een deel van de verklaring van [B] als getuige, met name over wat de vrouw aan [B] verteld zou hebben, heeft de vrouw als partijgetuige verklaard: “(…) ik heb dat alles niet verteld”.

2.8 De zoon van partijen, [A], heeft als getuige bij herhaling verklaard dat zijn moeder nooit tegen hem, en evenmin tegen de makelaar en twee collega’s van zijn vader, [C en D], beschuldigingen heeft geuit over zijn vader. Met betrekking tot de inhoud van de gesprekken met [B] heeft de zoon als volgt verklaard:

“(…) Ik was aanwezig bij het eerste gesprek bij de heer [B], samen met mijn moeder en mijn broer. In dat gesprek is besproken dat mijn vader nogal ontspoord was. Ik heb toen een bandje laten horen van ons antwoordapparaat thuis. Daarop beschuldigde mijn vader mijn broer van incest met moeder. De heer [B] was daarvan geschokt. Ook heb ik verteld dat wij telefonisch werden gestalkt en dat er sprake was van agressie van mijn vader jegens ons, moeder en de kinderen. Ook heb ik verteld over de zelfmoordneigingen van mijn vader. Mijn moeder heeft toen ook verteld dat zij zich zorgen maakte over mijn vader, over het stalken en de agressie. Volgens mij was het doel van het gesprek ervoor te zorgen dat ons leven rustiger werd. De heer [B] zei dat hij instanties zou inschakelen en hulp zou zoeken voor ons. Volgens mij heeft hij dat ook gedaan, want toen we thuis waren belde de politie, dat we hulp zouden krijgen als er nog iets zou gebeuren. (…) “.

Het hof verstaat deze verklaring van de zoon als bevestiging van de verklaring van de vrouw als vermeld in rov. 2.7 hierboven.

2.9 Het hof is van oordeel dat het meeste geloof dient te worden gehecht aan de verklaring van de getuige [B], omdat hij, anders dan de andere drie getuigen, geen enkel belang heeft bij (de uitkomst van) deze zaak. De verklaring van [B], namelijk dat de vrouw wel degelijk een deel van de litigieuze beschuldigingen naar hem toe heeft geuit, vindt bevestiging in de verklaring van de man als partijgetuige. De ontkennende verklaringen van de vrouw en de zoon doen daaraan onvoldoende af. Dit betekent dat het hof bewezen acht dat de vrouw, mogelijk niet exact alle, maar dan toch een relevant deel van de beschuldigingen als vermeld in rov. 4.3 van de tussenbeschikking, ook heeft geuit naar [B], een derde in de zin van het probandum.

2.10 De man heeft als partijgetuige voorts verklaard dat de vrouw beschuldigingen heeft geuit naar de makelaar. De vrouw heeft deze verklaring in haar verklaring als getuige gemotiveerd bestreden. Mede gelet op de beperkte bewijskracht van de verklaring van de man als partijgetuige ex art. 164 lid 2 Rv, kan de man in dit onderdeel van het probandum niet geslaagd worden geoordeeld. Dit zelfde geldt ten aanzien van de andere derden waarover de man als partijgetuige heeft verklaard, namelijk secretaresses en de heer Pols, toentertijd (in de jaren 2004 en 2005) de supervisor van de man.

2.11 De man heeft in zijn verklaring als partijgetuige niet, maar in de brief van 28 december 2011 van mr. Schoots wél gerept over uitlatingen van de vrouw in de zin van rov. 4.3 van de tussenbeschikking richting de kinderen. De zoon van partijen heeft als getuige verklaard dat zijn moeder hem nooit iets verteld heeft over de beschuldigingen zoals die in de beschikking staan, maar dat hij “alles zelf heeft meegemaakt”. Met het oordeel van het hof in rov. 2.9 hierboven, dat als bewezen moet worden geoordeeld dat de vrouw een relevant deel van de beschuldigingen ook heeft geuit richting [B], is aannemelijk dat de kinderen getuige zijn geweest van die uitlatingen door de vrouw, nu toch de kinderen bij het eerste gesprek bij [B] aanwezig zijn geweest.

2.12 De man is mitsdien in het bewijs geslaagd wat [B] betreft, niet wat de andere door hem genoemde derden betreft.

2.13 Thans dient het hof de stelling van de man in 4.3 van de tussenbeschikking verder te beoordelen. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. Daarbij geldt als criterium of er feiten en omstandigheden zijn, in verband waarmee van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd tot het levensonderhoud van de ander bij te dragen. Niet het wangedrag op zichzelf, maar het bij dusdanig gedrag vorderen van steun levert in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene op, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd. Het hof overweegt voorts dat de lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht is.

2.14 Vaststaat dat de vrouw zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van de man heeft geuit aan de Raad voor de Kinderbescherming, aan Bureau Jeugdzorg en aan de huisarts, zoals ook omschreven in het rapport van de Raad van 12 juni 2007, dat als productie 4 bij het inleidend verzoekschrift in het geding is gebracht (zie met name de weergave van de beschuldigingen op p. 6 van dat rapport). De vrouw heeft dat ook erkend (zie rov. 4.4 van de vermelde tussenbeschikking). Voorts staat thans vast (zie rov. 2.9 van deze beschikking) dat de vrouw een relevant deel van de beschuldigingen als vermeld in rov. 4.3 van de tussenbeschikking ook heeft geuit naar [B], een derde in de zin van het probandum. Aannemelijk is dat de kinderen getuige zijn geweest van de door de vrouw richting [B] geuite beschuldigingen (zie rov. 2.11 van deze beschikking). Als niet door de vrouw bestreden, zie rov. 4.3 en 4.4 van de tussenbeschikking, staat bovendien vast dat de man als gevolg van die beschuldigingen lijdt aan een posttraumatische stressstoornis. Aannemelijk is bovendien dat het ontbreken van enig contact tussen de man en de kinderen niet los kan worden gezien van de litigieuze beschuldigingen door de vrouw. Mede gegeven het extreme karakter van de beschuldigingen, die ernstig grievend zijn, kan naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van de man worden gevergd dat hij nog langer bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw.

2.15 Dat alles zou alleen anders kunnen zijn indien de beschuldigingen terecht zijn, omdat de man heeft gedaan wat hem door de vrouw wordt verweten. De man betwist uitdrukkelijk al hetgeen de vrouw hem verwijt. Hij betwist ook uitdrukkelijk wat zijn zoon Sergej hem blijkens zijn verklaring als getuige verwijt. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat hetgeen de man wordt verweten geheel of ten dele op waarheid berust. De vrouw heeft ook niet aangeboden dat te bewijzen.

2.16 De slotsom luidt dat de grief van de man in het incidenteel hoger beroep slaagt. Een verdere beoordeling van de grief van de vrouw in het principaal hoger beroep is niet meer nodig, nu die niet tot een andere beslissing kan leiden. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en bepalen, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Groningen van 4 december 2007, dat de verplichting van de man tot het leveren van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is geëindigd op 1 juni 2009. Het hof zal, nu de vrouw in het ongelijk is gesteld, haar veroordelen in de kosten van de getuige [B] ten bedrage van € 1.010,-, en voor het overige, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren als na te melden.

2.17 De raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, mr. B.M. Mens, heeft in verband met pensionering niet kunnen medewerken aan het wijzen van deze beschikking.

3. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Arnhem van 24 augustus 2010, en opnieuw beschikkende:

bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Groningen van 4 december 2007, dat de verplichting van de man tot het leveren van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is geëindigd op 1 juni 2009;

veroordeelt de vrouw tot betaling van de kosten van de getuige [B] ad € 1.010,-, en compenseert voor het overige de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, in dier voege dat elke partij haar eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, A.E.F. Hillen en J.H. Lieber, en is op 12 juli 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.