Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6778

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
21-003777-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot overval op juwelier. Geen eigen schuld benadeelde partij in verband met schade als gevolg van aanhouding na misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/225

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003777-11

Uitspraak d.d.: 3 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 27 september 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juli 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr J.H.W. van der Lee, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 03 juni 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of sieraden, geheel of ten dele toebehorende aan juwelierszaak "[bedrijf]" en/of [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [benadeelde] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen,

- met een sjaal en/of doek voor zijn/hun gezicht, in elk geval zichzelf onherkenbaar makend, in de richting van de juwelierszaak is/zijn gegaan en/of

- (gewapend) met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de richting van die Juwelierszaak is/zijn gegaan en/of

- (met kracht) de toegangsdeur heeft/hebben geprobeerd te openen en/of

- de ruit van de toegangsdeur heeft/hebben geforceerd en/of vernield en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde] heeft/hebben gericht, in elk geval een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp duidelijk zichtbaar aan/voor die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [benadeelde] heeft/hebben vastgehouden en/of getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op of omstreeks 03 juni 2011 te Arnhem een of meer wapens van categorie III, te weten een gaspistool (Walther P88, 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten 7 stuks (9 mm), voorhanden heeft gehad;

3 primair:

hij op of omstreeks 23 april 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (Piaggio Skipper 125), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2011 tot en met 03 juni 2011 te Amsterdam en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een motorfiets (Piaggio Skipper 125), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij op 03 juni 2011 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en sieraden, geheel of ten dele toebehorende aan juwelierszaak "[bedrijf]" en/of [benadeelde], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [benadeelde] en [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader, althans alleen,

- met een doek voor hun gezicht, in elk geval zichzelf onherkenbaar makend, in de richting van de juwelierszaak is gegaan en

- (gewapend) met een pistool, in de richting van die Juwelierszaak is gegaan en

- (met kracht) de toegangsdeur heeft geprobeerd te openen en

- de ruit van de toegangsdeur heeft/hebben vernield en

- een pistool, op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [benadeelde] heeft gericht, in elk geval een pistool, duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [benadeelde] heeft vastgehouden en/of getoond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:

hij op 03 juni 2011 te Arnhem een wapens van categorie III, te weten een gaspistool (Walther P88, 9mm), en munitie van categorie III, te weten 7 stuks (9 mm), voorhanden heeft gehad;

3 subsidiair:

hij in de periode van 23 april 2011 tot en met 03 juni 2011 te Amsterdam en/of Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander heeft verworven en voorhanden heeft gehad een motorfiets (Piaggio Skipper 125), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist, dat dit door diefstal in elk geval door enig misdrijf was verkregen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aantal misdrijven, waaronder een poging tot een gewapende overval. Verdachte heeft samen met de medeverdachte een poging gedaan een overval te plegen op een juwelier, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling.

Een gewapende overval is zo ernstig en voor de direct betrokkenen en de samenleving zo verontrustend dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komt.

Naar de ervaring leert zullen de slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen.

Het hof heeft bij de straftoemeting gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een overval op een winkel, waarbij sprake is van licht geweld/bedreiging, geldt als oriëntatiepunt 2 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij ander geweld geldt als uitgangspunt 3 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij de straftoemeting is voorts rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2012, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor overtreding van de WWM maar niet eerder voor een soortgelijk feit.

Het hof zal -gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte- een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met een bijzondere voorwaarde, opdat verdachte hulp en steun kan krijgen op het moment dat hij vrij zal komen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.112,36. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.112,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2011. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat - zo begrijpt het hof het standpunt van de verdediging - de angstgevoelens en het zich niet meer veilig voelen in de eigen winkel van de benadeelde partij weliswaar een hele heftige ervaring is, maar niet voor vergoeding in aanmerking dient te komen, waarbij de raadsvrouw een beroep doet op een vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 juni 2012, LJN BW8513.

Voorts heeft de raadsvrouw met een beroep op artikel 6:101 BW betoogd dat er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij omdat de benadeelde partij - zo begrijpt het hof het standpunt van de verdediging - door na de (mislukte) overval de verdachten te achtervolgen en te overmeesteren, waarbij de benadeelde partij schade heeft opgelopen, deze schade aan zichzelf heeft te wijten. En verder dat de door de benadeelde partij gestelde hernia wellicht al eerder bestond.

De vergoeding van de immateriële schade door middel van een geldsom wordt beschouwd als een genoegdoening, die weliswaar niet, zoals dat bij vergoeding van vermogensschade het geval is, een herstel betekent, maar waardoor toch een verzachting van het leed kan worden bereikt en het geschokte rechtsgevoel van de getroffene kan worden bevredigd. Op deze grond is de vergoeding van ideële schade in artikel 6:106 BW aanvaard. Als zogenaamde immateriële schade worden beschouwd lichamelijke pijn en geestelijk leed, angst, vermindering van levensvreugde ten gevolge van lichamelijke gebreken of ontsiering en dergelijke. Het is aan de rechter de schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen, waarbij hij met alle omstandigheden van het geval rekening moet houden. Het hof is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade als gevolg van de psychische klachten (de angstgevoelens en het zich niet meer veilig voelen in de eigen winkel) naar aanleiding van een overval op de juwelierswinkel van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Met betrekking tot het beroep op eigen schuld - of beter gezegd of de schade geheel of gedeeltelijk kan worden toegerekend aan de benadeelde partij zelf - is het hof als volgt van oordeel.

Artikel 6:101 BW zoekt het niet in een op schuld gebaseerde maatstaf, maar geeft een regel die leidt tot afweging van de wederzijdse causaliteit: wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken, in die zin dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

De benadeelde partij heeft zich naar het oordeel van het hof niet anders gedragen dan een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan en wat ook voorzienbaar is. Immers de benadeelde partij is juwelier en is, toen hij werd overvallen, achter de daders aangegaan om die aan te houden. De voor de benadeelde partij ontstane schade kan onder die omstandigheden naar billijkheid niet worden toegerekend aan de benadeelde; met andere woorden er is geen eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.

Nu niet uit het verhandelde ter terechtzitting duidelijk is geworden of en zo ja, in hoeverre de benadeelde partij al eerder klachten had met betrekking tot een hernia, zal het hof de vordering tot vergoeding van de immateriële schade bij wege van voorschot voor een gedeelte vergoeden in voege als hierna te melden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 310, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.112,36 (drieduizend honderdtwaalf euro en zesendertig cent) bestaande uit € 612,36 (zeshonderdtwaalf euro en zesendertig cent) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 3.112,36 (drieduizend honderdtwaalf euro en zesendertig cent) bestaande uit € 612,36 (zeshonderdtwaalf euro en zesendertig cent) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr R. de Groot, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit, griffier,

en op 3 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.