Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6679

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
P11/0358
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de rechtbank Rotterdam een (voorwaardelijke) rechterlijke machtiging in de zin van de Wet BOPZ verleend. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de terbeschikkinggestelde zich houdt aan voorwaarden (onder andere inname van medicatie) zoals neergelegd in het behandelplan. De terbeschikkinggestelde heeft verklaard zich te zullen houden aan de gestelde voorwaarden. Het hof acht, mede gelet op de adviezen en standpunten van de betrokken partijen, een overgang naar de GGZ in het kader van de Wet BOPZ verantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS [nummer]

Beslissing d.d. 16 augustus 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] (geboorteland) op [geboortedatum],

verblijvende in het [kliniek] in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het op 18 mei 2011 op grond van artikel 509o, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [psychiater], psychiater en vast gerechtelijk deskundige, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar ;

- het op 18 mei 2011 op grond van artikel 509o, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [psycholoog], psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar;

- het op 6 juni 2011 op grond van artikel 509o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte verlengingsadvies van Reclassering Nederland strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren;

- de vordering van de officier van justitie van 1 juli 2011, ingekomen ter griffie van bovenvermelde rechtbank op 1 juli 2011 en strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 26 augustus 2011;

- het verslag van Reclassering Nederland van 2 november 2011;

- het proces-verbaal ter zitting van de openbare raadkamer van het hof van 14 november 2011;

- het proces-verbaal ter zitting van de openbare raadkamer van het hof van 28 november 2011 alsmede de tussenbeslissing van het hof van 12 december 2011;

- de voortgangsrapportages TBS van Reclassering Nederland van 20 maart 2012 en 9 mei 2012;

- het proces-verbaal ter zitting van de openbare raadkamer van het hof van 10 mei 2012 alsmede de tussenbeslissing van het hof van 24 mei 2012;

- het proces-verbaal ter zitting van de openbare raadkamer van het hof van 18 juni 2012;

- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2012 houdende de afwijzing van het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging op grond van de Wet BOPZ;

- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2012 houdende de verlening van een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet BOPZ;

- het door de raadsman ter zitting van het hof van 2 augustus 2012 overgelegde behandelplan.

Het hof heeft ter zitting van 2 augustus 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde bijgestaan door zijn raadsman mr. Vrijhof, advocaat te Rotterdam (vervanger van mr. M. Hendriks-van Kollenburg), en de advocaat-generaal, mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

De standpunten van de onafhankelijke deskundigen

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog blijkt dat de terbeschikkinggestelde door medicatiegebruik in psychiatrische zin is gestabiliseerd. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat indien de terbeschikkinggestelde stopt met medicatie en de hem geboden begeleiding en structuur zouden wegvallen. De terbeschikkinggestelde is – gezien het ontbreken van ziekte-inzicht – blijvend aangewezen op begeleiding en toezicht op zijn medicatiegebruik en zijn psychische conditie. Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren om op het moment dat het einde van de tbs-maatregel in zicht komt de terbeschikkinggestelde over te dragen aan de GGZ en het tbs-kader te vervangen door een BOPZ-maatregel. De terbeschikkinggestelde moet vooral als een psychiatrisch patiënt worden gezien.

Het standpunt van de reclassering

Ter zitting van het hof op 18 juni 2012 heeft de deskundige [deskundige] verklaard dat een opname in het kader van de Wet BOPZ beter bij de terbeschikkinggestelde past dan voorzetting van de huidige terbeschikkingstelling. Haar is gebleken dat de terbeschikkinggestelde met een voorlopige rechterlijke machtiging kan worden opgenomen in het [locatie].

De beslissing van het hof van 18 juni 2012

Het hof heeft bij voornoemde beslissing de advocaat-generaal verzocht te bevorderen dat een voorlopige rechterlijke machtiging wordt aangevraagd op grond van de Wet BOPZ.

De beschikking van de rechtbank Rotterdam

De rechtbank heeft op 19 juli 2012 het verzoek tot een voorlopige machtiging afgewezen. Wel is door de rechtbank op dezelfde datum een voorwaardelijke machtiging verleend (tot uiterlijk 3 februari 2013) onder de opschortende voorwaarde dat de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk wordt beëindigd. Daarbij heeft de rechtbank als voorwaarde gesteld dat de terbeschikkinggestelde zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelplan.

Uit voornoemd behandelplan, waarmee de terbeschikkinggestelde heeft ingestemd, volgt dat het medicatiebeleid zal worden voortgezet, dat sprake moet zijn van een dagbesteding en dat de terbeschikkinggestelde zal verblijven op de [verblijfplaats] alwaar woonbegeleiding aanwezig is.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde en zijn raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk dient te worden beëindigd zodat uitvoering kan worden gegeven aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam en aldus een overgang van de terbeschikkinggestelde naar de GGZ kan worden bewerkstelligd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de voorwaarden voor een overgang van de terbeschikkingstelling naar een opname op grond van de BOPZ is voldaan en dat daarom de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling dient te worden afgewezen.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de rechtbank Rotterdam een (voorwaardelijke) rechterlijke machtiging in de zin van de Wet BOPZ verleend. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de terbeschikkinggestelde zich houdt aan voorwaarden (onder andere inname van medicatie) zoals neergelegd in het behandelplan. De terbeschikkinggestelde heeft verklaard zich te zullen houden aan de gestelde voorwaarden. Het hof acht, mede gelet op de adviezen en standpunten van de betrokken partijen, een overgang naar de GGZ in het kader van de Wet BOPZ verantwoord.

Gelet op het vorenstaande vereist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd.

De vordering van de officier van justitie dient daarom te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr C. Caminada als voorzitter,

mr E.A.K.G. Ruys en mr G. Oldekamp als raadsheren,

en drs. T. van Iersel en drs. J. Boon als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 16 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.