Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6583

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
200.093.262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot herroeping van arbitraal vonnis wegens bedrog. De vordering strekt ertoe dat het vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2013/8

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.093.262

arrest van de derde kamer van 28 augustus 2012

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Harkemase Boys,

gevestigd te Harkema, gemeente Achtkarspelen,

eiseres,

hierna: Harkemase Boys,

advocaat: mr. E.W. Kingma,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

hierna: [gedaagde],

advocaat: mr. E.J.A. Vilé.

1. Het verloop van het geding

1.1 Bij exploot van 12 augustus 2011 heeft Harkemase Boys [gedaagde] doen dagvaarden voor dit hof. In de dagvaarding, waaraan producties zijn gehecht, vordert zij dat het hof het tussen de partijen gewezen arbitraal vonnis van 28 juni 2011 zal vernietigen met betrekking tot de toekenning van een onbindingsvergoeding van € 15.000,- netto, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.2 Op de eerst dienende dag heeft Harkemase Boys van eis geconcludeerd conform de inleidende dagvaarding.

1.3 [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord de vordering bestreden, van zijn kant producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de vordering van Harkemase Boys zal afwijzen, met veroordeling van Harkemase Boys in de kosten van deze procedure.

1.4 Vervolgens hebben de partijen schriftelijk gepleit, Harkemase Boys onder overlegging van een productie.

1.5 Ten slotte zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, staat in deze procedure het volgende tussen de partijen vast.

2.2 Op 30 december 2010 hebben Harkemase Boys, een voetbalvereniging die in het seizoen 2010/2011 uitkwam in de topklasse zaterdag, en [gedaagde] een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden gesloten (van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011). Verder zijn zij overeengekomen dat de overeenkomst van rechtswege, zonder opzegging, eindigt en kan worden verlengd tot 30 juni 2012. De functie van [gedaagde] was voetbaltrainer. Zijn arbeidsduur bedroeg circa 15 uren per week. Gedurende die tijd verzorgde [gedaagde] trainingen voor de A-selectie en begeleidde hij de wedstrijden van het eerste elftal. Het overeengekomen nettoloon bedroeg € 1.560,- per maand. Verder zijn de partijen een onkostenvergoeding van € 40,- per maand overeengekomen.

2.3 Harkemase Boys heeft [gedaagde] op 28 maart 2011 op non actief gesteld. Sindsdien is hij niet meer werkzaam geweest voor Harkemase Boys.

2.4 Op 19 mei 2011 heeft [gedaagde] bij de arbitragecommissie van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB), verder te noemen de arbitragecommissie, een verzoek ingediend strekkende tot veroordeling van Harkemase Boys om aan hem met ingang van

1 juli 2011 en tot en met juni 2012 een nettoloon van € 1.800,- per maand en een onkostenvergoeding van € 40,- per maand te betalen. Hij heeft aan die vordering ten grondslag gelegd, dat de partijen in februari 2011 een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar en een salarisverhoging van € 200,- netto per maand zijn overeengekomen.

2.5 Harkemase Boys heeft het verzoek van [gedaagde] bestreden en bij de arbitragecommissie een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend zonder toekenning van enige vergoeding, voor het geval wordt vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst na 1 juli 2011 nog bestaat.

2.6 De arbitragecommissie heeft de verzoeken behandeld op 23 juni 2011. Onder 6.6, 6.7 en 6.8 van de pleitnota van de advocaat van [gedaagde] is het volgende vermeld:

“6.6 [gedaagde] blijft ook per vandaag nog bereid zijn werkzaamheden voor Harkemase Boys te hervatten voor het gehele komende seizoen.

Hij heeft voor de 15 arbeidsuren per week bij Harkemase Boys geen vervangend werk. Daarom dient de arbeidsovereenkomst niet te worden ontbonden.

6.7 Indien de arbeidsovereenkomst wél zou worden ontbonden, omdat er voor [gedaagde] geen plaats als trainer meer bij Harkemase Boys is door de aanwezigheid van een nieuwe trainer, dient Harkemase Boys bij wijze van ontbindingsvergoeding het totaalbedrag van netto € 21.600,-- te betalen.

6.8 Dit betekent dat [gedaagde] meent dat hij recht heeft op het nettobedrag van

€ 21.600,--, hetzij op grond van zijn vordering tot loondoorbetaling, hetzij als ontbindingsvergoeding.”

[gedaagde] heeft zijn vordering subsidiair in laatstgenoemde zin aangevuld.

2.7 Bij brief van 27 juni 2011 heeft de advocaat van Harkemase Boys het volgende medegedeeld aan de arbitragecommissie:

“(…) Naar aanleiding van de mondelinge behandeling van afgelopen donderdag hebben partijen zich verstaan over de mogelijkheden tot een minnelijke regeling. Helaas heeft dit overleg niet tot overeenstemming geleid.

Dit maakt een uitspraak van de Arbitragecommissie in beide aanhangige procedures noodzakelijk.

Overigens doet het gerucht de ronde dat [gedaagde] inmiddels een dienstbetrekking bij een andere voetbalvereniging heeft dan wel een reëel vooruitzicht hierop. Het zou concreet gaan om een trainerschap van het dameselftal van de SC Heerenveen. Wellicht is het nuttig dat [gedaagde] op dit gerucht nog reageert.

Een kopie van deze fax zond ik aan mr. Vilé. (…)”

2.8 Van de zijde van [gedaagde] is niet gereageerd op deze brief.

2.9 Bij haar vonnis van 28 juni 2011 heeft de arbitragecommissie, na te hebben overwogen dat genoegzaam vast staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd (het hof begrijpt:) tot en met 30 juni 2012, [gedaagde] toegelaten te bewijzen dat de partijen een salarisverhoging van € 200,- netto per maand zijn overeengekomen. Voorts heeft de arbitragecommissie Harkemase Boys in kennis gesteld van het voornemen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juli 2011 onder toekenning aan [gedaagde] van een vergoeding van € 15.000,- netto en daarbij aan Harkemase Boys de mogelijkheid gegeven het verzoek in te trekken tot uiterlijk 30 juni 2011. Voor het geval dat Harkemase Boys het verzoek niet zou intrekken, heeft de arbitragecommissie de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 juli 2011, onder toekenning aan [gedaagde] van € 15.000,- netto.

2.10 Volgens haar overwegingen heeft de arbitragecommissie bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding die zij bij ontbinding voornemens is toe te kennen, rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, “zoals leeftijd, lengte dienstverband, mogelijkheden voor [gedaagde] om thans een andere club te vinden en de resterende duur van de arbeidsovereenkomst. (…) Ongeacht de exacte hoogte van het salaris acht de arbitragecommissie het met het oog op alle omstandigheden van het geval billijk dat aan [gedaagde] een vergoeding wordt toegekend, welke vergoeding de arbitragecommissie ex aequo et bono stelt op € 15.000,00 netto.”

2.11 Harkemase Boys heeft het verzoek niet ingetrokken.

2.12 Op 2 juli 2011 heeft Omrop Fryslân bekend gemaakt dat [gedaagde] op 4 juli 2011 zou worden gepresenteerd als de nieuwe hoofdtrainer van het vrouwenvoetbalelftal van SC Heerenveen. Met ingang van 1 juli 2011 is [gedaagde] voor de duur van een jaar in dienst getreden van SC Heerenveen.

2.13 Volgens de arbeidsovereenkomst tussen SC Heerenveen en [gedaagde], die met ingang van 1 juli 2011 is aangegaan voor de duur van een jaar en als maand van ondertekening “juni 2011” vermeldt, bedroeg de arbeidsduur van [gedaagde] gemiddeld 20 uren per week, gedurende welke hij trainingen verzorgde en wedstrijden begeleidde. Naast een vast salaris van € 1.750,- bruto per maand ontving [gedaagde] een jaarlijkse vakantietoeslag van 8% over het in de voorafgaande periode van 1 juli tot en met 30 juni genoten bruto inkomen, met een maximum van 8% van drie maal het wettelijke minimumloon.

2.14 Naast zijn werk voor Harkemase Boys heeft [gedaagde] tennislessen verzorgd voor Tennisschool Jonker-Pietersma en tennisvereniging Oranjewoud. Ook gaf hij les op Voetbalschool Noord.

2.15 Bij emailbericht van 14 juli 2011 heeft de advocaat van Harkemase Boys het volgende meegedeeld aan [x], bedrijfsjurist van SC Heerenveen:

“(…) Tijdens de diverse telefonische gesprekken die wij inmiddels in bovengenoemde zaak voerden, heb ik u verzocht mij te voorzien van een schriftelijke verklaring waarin door SC Heerenveen wordt ingegaan op de onderhandelingen die zij heeft gevoerd met de heer [gedaagde] over zijn indiensttreding als trainer van het vrouwenelftal. Ik heb u in dat kader verzocht aan te geven wanneer voor het eerst met de heer [gedaagde] over een mogelijke indiensttreding is gesproken, wie het initiatief daartoe heeft genomen, hoeveel gesprekken in totaal hierover hebben plaatsgevonden en wanneer deze gesprekken plaatsvonden, wat de inhoud van die gesprekken was en wanneer precies tot overeenstemming is gekomen. Deze overeenstemming kan zowel mondeling als schriftelijk zijn geschied; het gaat mij erom dat duidelijk is wanneer [gedaagde] een reëel vooruitzicht had op een dienstbetrekking bij SC Heerenveen.

Tevens heeft u mij tijdens ons telefonisch onderhoud van afgelopen dinsdag aangegeven dat van de zijde van [gedaagde] was gevraagd één en ander geheim te houden, totdat duidelijkheid bestond over de inhoud van het arbitraal vonnis. Ik begreep dat de heer [gedaagde] u vervolgens heeft aangegeven dat met ingang van 2 juli bekend mocht worden gemaakt dat hij bij SC Heerenveen in dienst zou treden. Ook hierover zou ik graag een schriftelijke verklaring ontvangen.

In het vervolggesprek dat wij dinsdag hadden, heeft u aangegeven dat SC Heerenveen eveneens duidelijkheid wenste over de status van het dienstverband van de heer [gedaagde] bij Harkemase Boys, aangezien het uiteraard niet wenselijk zou zijn dat [gedaagde] trainer zou zijn bij zowel Harkemase Boys als SC Heerenveen. Met andere woorden; het dienstverband bij de één sloot het dienstverband bij de ander uit. Ook hierover zou ik graag een schriftelijke verklaring ontvangen. (…)”

2.16 Bij emailbericht van 15 juli 2011 heeft [x] als volgt geantwoord op de hiervoor genoemde brief:

“(…) Naar aanleiding van onderstaande mail en de daarin door u geformuleerde vragen met betrekking tot de situatie tussen de heer [gedaagde] en sc Heerenveen, kunnen wij u als volgt antwoorden.

Nadat sc Heerenveen definitief had besloten om door te gaan met het vrouwenteam, is een lijstje gemaakt met mogelijke trainers.

De heer [gedaagde] was een gegadigde, omdat hij op non-actief was gesteld bij Harkemase Boys. Uit de administratie van de heer Hansma blijkt dat hij op 3 mei in dit verband oriënterend contact heeft gezocht met de heer [gedaagde]. Hierbij is geinformeerd naar de situatie van de heer [gedaagde] bij Harkemase Boys. Tevens heeft hij gevraagd (het hof begrijpt:) of hij open stond voor het trainersschap van de vrouwenselectie. Deze heeft verklaard dat hij daar niet op voorhand afwijzend tegenover stond, maar nog in een onzekere situatie bij Harkemase Boys verkeerde.

De heer Hansma heeft duidelijk aangegeven dat eerst de situatie tussen Harkemase Boys en de heer [gedaagde] helder moest zijn, alvorens een dienstverband bij sc Heerenveen kon worden aangegaan. Op 24 mei is er een voorstel gedaan door de heer Hansma aan de heer [gedaagde] en op 27 mei was er tussen partijen overeenstemming over de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst per 1 juli, met de duidelijke voorwaarde dat het conflict tussen de heer [gedaagde] en Harkemase Boys moest zijn beëindigd. Sc Heerenveen wilde in dit verband niet voor (het hof begrijpt:) verrassingen komen te staan en wilde aan dit akkoord dus ook nog geen publiciteit geven.

Nadat de Arbitragecommissie het geschil tussen Harkemase Boys en de heer [gedaagde] had beslecht (inhoudende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst), stond er aan de indiensttreding van de heer [gedaagde] niets meer in de weg. Op 4 juli is zijn aanstelling bekend gemaakt. (…)”

3. De vordering en het verweer

3.1 Harkemase Boys stelt dat het vonnis van de arbitragecommissie van de KNVB, voor zover aan [gedaagde] een vergoeding van € 15.000,- is toegekend, berust op na de uitspraak ontdekt bedrog dat door [gedaagde] in de arbitrale procedure is gepleegd. Zij legt daaraan ten grondslag dat de advocaat van [gedaagde] bij de behandeling voor de arbitragecommissie op 23 juni 2011 niet alleen heeft verklaard dat [gedaagde] voor de

15 arbeidsuren per week bij Harkemase Boys geen vervangend werk had, maar ook heeft gezwegen over het feit dat er op 27 mei 2011 al overeenstemming bestond tussen SC Heerenveen en [gedaagde] over de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst per 1 juli 2011.

3.2 Volgens [gedaagde] heeft zijn advocaat terecht verklaard dat hij geen vervangend werk had voor zijn dienstbetrekking bij Harkemase Boys, omdat hij in geval van indiensttreding bij SC Heerenveen zijn werkzaamheden bij de in rechtsoverweging 2.14 genoemde tennisverenigingen en voetbalschool, waarvan Harkemase Boys op de hoogte was, diende te beëindigen. [gedaagde] betoogt dat hij niet behoefde te spreken over de door hem met SC Heerenveen gemaakte afspraken, omdat het werk bij SC Heerenveen in de plaats zou komen van de tennislessen en werkzaamheden voor de voetbalschool, zodat hij er door het verlies van zijn dienstbetrekking bij Harkemase Boys daadwerkelijk op achteruit zou gaan.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Blijkens het bepaalde in artikel 1068 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan herroeping van een arbitraal vonnis slechts plaatsvinden op een of meer van de in dat artikel genoemde gronden. Een van die gronden is dat het vonnis geheel of ten dele berust op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij gepleegd. De vordering tot herroeping moet, zo blijkt uit het tweede lid van artikel 1068 Rv., worden aangebracht voor het gerechtshof dat bevoegd zou zijn te oordelen over de vordering tot vernietiging, bedoeld in artikel 1064 Rv. Blijkens dit artikel moet de vordering tot vernietiging worden ingesteld bij de rechtbank ter griffie waarvan het origineel van het vonnis moet worden neergelegd.

4.2 Nu het arbitraal vonnis van 28 juni 2011, dat, zoals tussen de partijen vast staat, niet vatbaar was voor arbitraal hoger beroep, ingevolge artikel 1064 Rv. moest worden neergelegd ter griffie van de rechtbank Utrecht - de rechtbank binnen het arrondissement waarvan de plaats van arbitrage, Zeist, is gelegen - is dit hof bevoegd om over de, binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn ingestelde, vordering tot herroeping te oordelen.

4.3 [gedaagde] heeft betoogd dat tussen hem en SC Heerenveen overeenstemming was bereikt over een arbeidsovereenkomst, ingaande 1 juli 2011, “echter met de duidelijke (ontbindende) voorwaarde dat het geschil tussen [gedaagde] en Harkemase Boys beëindigd zou moeten zijn”. Deze stelling omtrent een ontbindende voorwaarde - die impliceert dat de arbeidsovereenkomst met SC Heerenveen was gesloten, maar zou kunnen worden ontbonden door het uitblijven van een beëindiging van het geschil tussen [gedaagde] en Harkemase Boys - is niet verenigbaar met de stelling van [gedaagde] in dezelfde alinea van zijn conclusie van antwoord, dat de arbeidsovereenkomst met SC Heerenveen pas van kracht zou zijn nadat de arbeidsovereenkomst met Harkemase Boys zou zijn ontbonden. Overigens leidt het hof uit de door [gedaagde] zelf overgelegde arbeidsovereenkomst met SC Heerenveen, waarin noch een ontbindende noch een opschortende voorwaarde is vermeld, af, dat de arbeidsovereenkomst - over de voorwaarden waarvan, zoals volgt uit de in rechtsoverweging 2.16 genoemde brief van [x], al op 27 mei 2011 overeenstemming was bereikt - is gesloten in juni 2011.

4.4 Zoals Harkemase Boys terecht heeft betoogd, is bij de beoordeling van een vordering tot herroeping wegens bedrog uitgangspunt dat reeds van bedrog sprake is indien een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden.

4.5 Volgens de in rechtsoverweging 2.10 geciteerde overwegingen van de arbitragecommissie behoorden de mogelijkheden voor [gedaagde] om op dat moment een andere club te vinden tot de omstandigheden van het geval, waarmee de commissie rekening heeft gehouden bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding die de commissie voornemens was toe te kennen.

4.6 Naar het oordeel van het hof had [gedaagde] met het oog op (de hoogte van) de aan hem toe te kennen vergoeding dan ook niet mogen verzwijgen dat hij met ingang van 1 juli 2011 bij SC Heerenveen aan het werk zou gaan, althans de mogelijkheid daartoe had. Er is geen enkele reden waarom partijen in een arbitrageprocedure niet gebonden zouden zijn aan het algemeen rechtsbeginsel dat aan artikel 21 Rv. ten grondslag ligt.

Dit verzwegen feit kan naar het oordeel van het hof van belang zijn voor de beantwoording van de vraag tot welke hoogte aan [gedaagde] een vergoeding toekwam bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Harkemase Boys. Dat geldt ook voor de aan [gedaagde] toe te rekenen verklaring van zijn advocaat tegenover de arbitragecommissie dat [gedaagde] voor de 15 arbeidsuren per week bij Harkemase Boys geen vervangend werk had. De thans door [gedaagde] aan deze verklaring gegeven uitleg - het werk bij SC Heerenveen kwam niet in de plaats van het werk bij Harkemase Boys, maar in de plaats van de tennislessen en werkzaamheden voor de voetbalclub - is naar het oordeel van het hof zonder nadere toelichting, die ontbrak tijdens de behandeling bij de arbitragecommissie, niet duidelijk.

Het hof oordeelt dat de handelwijze van [gedaagde] als bedrog in de zin van artikel 1068 lid 1 onder a Rv. moet worden gekwalificeerd. Daarmee bevindt het hof de voor herroeping aangevoerde grond juist.

4.7 Of het onvermeld laten van de overeenstemming met SC Heerenveen en/of de mededeling dat [gedaagde] geen vervangend werk had voor zijn werk bij Harkemase Boys daadwerkelijk tot een andere dan de door de arbitragecommissie gegeven uitspraak heeft geleid en/of zal leiden, behoeft in deze herroepingsprocedure niet vast te staan. In een eventueel na herroeping (waarover meer in rechtsoverweging 4.8 en 4.9) te voeren geding in de hoofdzaak kan mede in aanmerking worden genomen, of, zoals [gedaagde] heeft gesteld en Harkemase Boys gemotiveerd heeft bestreden, [gedaagde] het geven van tennislessen en het verrichten van werkzaamheden voor de voetbalschool diende te beëindigen in verband met het sluiten van een arbeidsovereenkomst met SC Heerenveen - en wat de financiële consequenties daarvan voor hem waren - en of hij de werkzaamheden voor Harkemase Boys en SC Heerenveen had kunnen combineren.

4.8 Harkemase Boys heeft gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de arbitragecommissie gevorderd, namelijk voor zover daarbij een ontbindingsvergoeding van

€ 15.000,- aan [gedaagde] is toegekend. Gelet op artikel 1065 lid 5 Rv. is gedeeltelijke vernietiging van een arbitraal vonnis echter slechts mogelijk, indien het arbitrale vonnis verschillende beslissingen bevat die niet onverbrekelijk samenhangen, zodat ten aanzien van enig gedeelte vernietiging kan volgen en een ander daarmee niet onverbrekelijk samenhangend gedeelte in stand kan blijven.

Naar het oordeel van het hof is bij de uitspraak van de arbitragecommissie sprake van beslissingen - ontbinding van een arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding - die onverbrekelijk met elkaar samenhangen. Indien het vonnis van de arbitragecommissie partieel zou worden vernietigd, namelijk voor zover daarbij een ontbindingsvergoeding is toegekend, zou [gedaagde] zich met een verzoek om uitsluitend een vergoeding toe te kennen op grond van artikel 1067 Rv. in beginsel tot de kantonrechter moeten wenden. Voor zo’n verzoek bestaat echter geen wettelijke basis, omdat de toekenning van een vergoeding ingevolge artikel 7:685 lid 8 BW is gekoppeld aan de inwilliging van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de daar genoemde grond.

4.9 Gelet op het voorgaande, zal het hof de zaak naar de hierna te noemen roldatum verwijzen om Harkemase Boys in de gelegenheid te stellen bij akte zich over hetgeen in rechtsoverweging 4.8 is overwogen uit te laten en haar vordering en stellingen desgewenst te wijzigen respectievelijk aan te passen. [gedaagde] zal bij akte kunnen reageren op de akte van Harkemase Boys en zijn verweren desgewenst kunnen aanpassen.

4.10 Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de roldatum 25 september 2012 opdat Harkemase Boys bij akte zich zal kunnen uitlaten als in rechtsoverweging 4.9 is aangegeven, waarna [gedaagde] zich desgewenst bij antwoordakte zal kunnen uitlaten;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en G.P.M. van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

28 augustus 2012.