Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6556

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
200.094.798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens overtreden rookverbod.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/257
AR-Updates.nl 2012-0812
Prg. 2012/273
RAR 2013/2
JAR 2012/257

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.094.798

(zaaknummer rechtbank 360884)

arrest van de derde kamer van 14 augustus 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Elementis Specialties Netherlands B.V., gemeente Hof van Twente,

gevestigd te Delden,

appellante,

hierna: Elementis,

advocaat: mr. A.J.E. Riemslag,

tegen:

[X],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [X],

advocaat: mr. A.H.M. van den Broek.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 5 juli 2010 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) tussen Elementis als gedaagde en [X] als eiser heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 september 2011,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis van 5 juli 2011.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De zaak gaat over het volgende. Elementis is een bedrijf waar met brandbare stoffen wordt gewerkt. Dit maakt dat roken in de directe omgeving van productiegebouwen en in de buurt van de opslag van chemicaliën gevaarlijk is. In 2003 of 2004 heeft Elementis de zogenoemde gele lijn geïntroduceerd. Achter deze lijn mocht niet meer worden gerookt. Met ingang van 1 juli 2008 geldt een algemeen rookverbod op het terrein van Elementis. In november 2008 is het rookbeleid versoepeld, in die zin dat er één plek om te roken is aangewezen, te weten de vóór de gele lijn gelegen oude fietsenstalling. Bij e-mail van 21 januari 2010 zijn alle personeelsleden naar aanleiding van een overtreding van het rookverbod nogmaals op dat verbod gewezen. Daarbij werd meegedeeld dat iedereen die achter de gele lijn of binnen het laboratorium betrapt zou worden op roken, op staande voet zou worden ontslagen. [X] heeft in de vroege ochtend van 21 juni 2010 achter de gele lijn gerookt, waarop hij op staande voet is ontslagen hetgeen hem bij brief van 21 juni 2010 is bevestigd. De vordering van [X] tot loondoorbetaling en wedertewerkstelling is door de kantonrechter in kort geding afgewezen. Het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is toegewezen met ingang van 13 augustus 2010. [X] heeft daarop berust in het ontslag als zodanig maar aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding, vakantiegeld en 13e maand, alsmede een bedrag van € 25.000,- in verband met kennelijk onredelijk ontslag. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, vakantietoeslag en 13e maand gehonoreerd en Elementis veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.851,20 bruto. De vordering gebaseerd op kennelijk onredelijk ontslag is afgewezen. [X] is van deze afwijzing niet in hoger beroep gekomen zodat deze in hoger beroep niet voorligt. Elementis is in hoger beroep gekomen en stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het ontslag op staande voet terecht is verleend en er dus geen reden is tot betaling van de schadevergoeding en dat de aan vakantietoeslag en 13e maand verschuldigde bedragen mogen worden verrekend met de vordering die Elementis op [X] ter zake van een gefixeerde schadevergoeding heeft. De grieven lenen zich daarmee voor gezamenlijke behandeling.

4.2 In hoger beroep ligt aldus voor of het ontslag op staande voet wegens het roken door [X] in strijd met het rookverbod, terecht is verleend. Het hof beantwoordt deze vraag, anders dan de kantonrechter, bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.3 Tussen partijen staat vast dat bij Elementis, waar met brandbare stoffen wordt gewerkt, een rookverbod geldt, behoudens op een aparte rookplek. Tevens staat vast dat [X] hiervan op de hoogte was en dat hij kennis heeft genomen van de e-mail van 21 januari 2010 van Elementis waarbij alle personeelsleden nogmaals op het rookverbod zijn gewezen en aan hen is meegedeeld dat iedereen die in strijd met rookverbod zal worden betrapt, op staande voet zal worden ontslagen. Tussen partijen staat voorts vast dat [X] gerookt heeft op een niet toegelaten plek op het bedrijfsterrein en daarmee gehandeld heeft in strijd met het rookverbod.

4.4 [X] was ten tijde van het ontslag op staande voet bijna 40 jaar en mag mede gelet op zijn lange dienstverband geacht worden de ernst van de risico’s ter bescherming waartegen het rookverbod is gegeven ten volle te onderkennen en zich daar naar te kunnen gedragen. Het was [X] bekend dat Elementis als onderneming in de chemische sector veel waarde hechtte aan het naleven van voorschriften als deze, zowel ter voorkoming van schade aan mens en milieu, als ter handhaving van een goede reputatie. De eerder genoemde e-mail onderstreept dit door immers te eindigen met: “Veiligheid heeft de hoogste prioriteit hetgeen betekent dat we ons dergelijke risico’s niet kunnen veroorloven.”

4.5 Het verweer van [X] dat hij gerookt heeft bij de poort Meenhuisweg, en op de desbetreffende plaats geen gevaarlijke stoffen aanwezig waren, kan hem niet baten. Het is niet aan de individuele werknemer om te bepalen of het roken op een bepaalde locatie op het terrein al dan niet gevaarlijk is. Elementis heeft als werkgever en ondernemer deze afweging gemaakt, en ook mogen maken, door duidelijk aan te geven waar wel en waar niet mag worden gerookt. Dat in het verleden binnen het bedrijf een ander rookbeleid gold, en wellicht andere keuzes zijn gemaakt, maakt dit niet anders. Dit behoort tot de beleidsvrijheid van de ondernemer/werkgever. Of, zoals [X] heeft aangevoerd, de gevaarzetting van zijn handelen door het roken op de bewuste plek uitermate gering was, kan daarmee in het midden blijven.

4.6 [X] heeft zich ten verwere tegen het ontslag op staande voet voorts beroepen op het sanctiereglement. Hij heeft er op gewezen dat deze regeling is overeengekomen met de ondernemingsraad maar dat daarin geen wijziging heeft plaatsgevonden in relatie tot het nieuwe rookbeleid. Voorts wijst hij erop dat in de eerder genoemde e-mail van 21 januari 2009 uitdrukkelijk is aangegeven dat ingeval van overtreding van het rookbeleid, het sanctiereglement van toepassing is. [X] stelt zich op het standpunt dat uit het sanctiebeleid volgt dat Elementis bij het opleggen van een sanctie een belangenafweging had moeten maken, maar dit heeft nagelaten. Voorts heeft [X] aangevoerd dat blijkens de sanctieregeling overtreding van het rookverbod niet een zware overtreding was, zodat het ontslag op staande voet disproportioneel en strijdig met de regeling is.

4.7 Het hof verwerpt het beroep van [X] op het sanctiereglement. Anders dan [X] is het hof van oordeel dat overtreding van het rookverbod niet moet worden gezien als een overtreding van de veiligheidsvoorschriften - zijnde een lichte overtreding - , zoals [X] heeft aangevoerd, maar veeleer als het opzettelijk niet nakomen van bevelen/instructies (een zware overtreding), zoals Elementis terecht heeft gesteld. Dit vloeit voort uit de hiervoor genoemde e-mail aan de personeelsleden van 21 januari 2010, waarbij een evidente instructie is gegeven. Ook het beroep van [X] op (de noodzaak tot) aanpassing van het sanctiebeleid gaat niet op, reeds omdat dit een verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de ondernemingsraad en niet van [X] als individuele werknemer betreft, nog daargelaten dat Elementis onbestreden heeft aangevoerd dat de ondernemingsraad, op de hoogte zijnde van het gewijzigde rookbeleid en van het verleende ontslag, zich daartegen niet heeft verzet. Elementis heeft onweersproken aangevoerd dat over de veranderde werkwijze overleg heeft plaatsgevonden met de ondernemingsraad. Van een disproportionele sanctie is dan ook naar het oordeel van het hof geen sprake, dit temeer nu alle personeelsleden, inclusief [X], tevoren uitdrukkelijk zijn gewaarschuwd voor de gevolgen van overtreding van het rook-verbod, namelijk dat dit tot ontslag op staande voet zal leiden. Dat [X] de eerste is die na overtreding van het rookverbod met een ontslag op staande voet wordt geconfronteerd, doet aan het bovenstaande niet af. Een andersluidend oordeel zou meebrengen dat aan het beschermend karakter van het desbetreffende voorschrift - dat niet alleen op de veiligheid van de betrokken werknemer ziet doch een veel verdergaande strekking heeft - in belangrijke mate afbreuk zou worden gedaan.

4.8 Bij de beoordeling van een ontslag op staande voet als het onderhavige dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang beschouwd, te worden betrokken. De enkele omstandigheid dat [X] ten tijde van het ontslag een dienstverband van ruim negen jaar had, alsmede dat hij goed functioneerde en niet eerder was gewaarschuwd, bestraft of beboet, zoals [X] heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om de door Elementis aan het ontslag ten grondslag gelegde reden als onvoldoende dringend aan te merken. Dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [X] ingrijpend kunnen zijn geweest, legt in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal om het ontslag niet rechtsgeldig te achten terwijl daarvan voorts feitelijk ook niet is gebleken. Tussen partijen staat immers als onweersproken vast dat [X] op 10 augustus 2010 nieuw werk heeft gevonden en in elk geval op 22 maart 2011 nog steeds aan het werk was. [X] heeft bij memorie van antwoord, welke dateert van 3 april 2012, niet aangevoerd dat deze situatie inmiddels is gewijzigd, zodat het hof ervan uitgaat dat [X] toen nog steeds aan het werk was. Het betreft daarmee uitsluitend een werkloosheidsperiode van 21 juni 2010 tot 10 augustus 2010. [X] heeft niet, ook niet in hoger beroep, andere persoonlijke belangen aangevoerd die in de weg zouden kunnen staan aan het ontslag op staande voet. Het hof gaat er dan ook van uit dat deze omstandigheden ontbreken. Daarmee valt naar het oordeel van het hof, en anders dan de kantonrechter heeft overwogen, de belangenafweging niet uit in het voordeel van [X]. Het ontslag op staande voet is terecht verleend zodat [X] geen aanspraak kan maken op de (gefixeerde) schadevergoeding. Hieruit volgt voorts dat het beroep van Elementis op verrekening van de door haar verschuldigde 13e maand en het vakantiegeld met de door [X] verschuldigde gefixeerde schadevergoeding opgaat.

5. Slotsom

5.1 In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat de grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vorderingen alsnog aan [X] moeten worden ontzegd en het beroep van Elementis op verrekening slaagt.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [X] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Elementis worden begroot op € 800,- voor salaris overeenkomstig het kantonliquidatietarief

(2 punten, tarief tot € 40.000,-). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Elementis worden begroot op € 1.845,31 aan verschotten (€ 76,31 voor dagvaarding/

€ 1.769,- voor griffierecht) en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief

(1 punt x tarief I).

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) van 5 juli 2011 en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van [X] af;

veroordeelt [X] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Elementis wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 800,- voor salaris overeen-komstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.845,31 voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, P.L.R. Wefers Bettink en M.F.J.N. van Osch, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2012.