Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6113

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
21-003926-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BO2061, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:301, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van doodslag na een ripdeal in de Huissensestraat in Arnhem.

Het gegeven dat de verdachte zelf niet heeft geschoten, staat niet in de weg aan een bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag, waarbij het hof ook heeft geoordeeld dat de verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Gevangenisstraf 11 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-08-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003926-10

Uitspraak d.d.: 30 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 oktober 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-901175-08 en 05-600896-09, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 13-528218-08, tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 februari 2012 en 10 augustus 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder parketnummer 05-901175-08 onder 2 tenlastegelegde feit voor zover dit ziet op het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne te Amsterdam, alsook van het onder parketnummer 05-600896-09 onder 1 tenlastegelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraken staat voor de verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-901175-08

1.

primair

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met (een) vuurwapen(s) één of meer patronen/projectielen heeft/hebben afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke patronen/projectielen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk met (een) vuurwapen(s) één of meer patronen/projectielen heeft/hebben afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke patronen/projectielen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid drugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) met (een) vuurwapen(s) één of meer patronen/projectielen heeft/hebben afgevuurd op die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair

hij op of omstreeks 26 september 2008 te Arnhem, althans in Nederland,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen drugs en/of geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen, door met een vuurwapen één of meerdere patronen/projectielen af te vuren op die [slachtoffer], tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (diefstal) niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Diemen en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33,4 gram cocaïne ([adres X) en/of in totaal ongeveer 51,8 gram cocaïne (adres Y), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Zaak met parketnummer 05-600896-09

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 338 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Diemen een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, merk BBm Type Bruni model 85 en/of een pistool merk Manurhin type Walther PPK, en/of munitie van categorie III, te weten 3 bijbehorende patronen, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt raadsman

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat artikel 6 EVRM geschonden zou zijn. Het openbaar ministerie heeft een bevel van het gerechtshof genegeerd door niet het gehele procesdossier inzake TGO [onderzoek Z] aan onderhavig procesdossier toe te voegen. Daarbij heeft de raadsman bovendien opgemerkt dat ook het in artikel 6 EVRM neergelegde ondervragingsrecht is geschonden, doordat de verdediging de door [getuige 1] afgelegde verklaringen onvoldoende op betrouwbaarheid heeft kunnen toetsen. De reden daarvoor is dat (delen van) TGO [onderzoek Z] niet zijn ingezien/overgelegd zodat onduidelijkheid bestaat over de mogelijke rol van getuige [getuige 1] bij feiten uit TGO [onderzoek Z] en het bestaan van een eventuele samenhang tussen TGO [onderzoek Z] en het onderhavig procesdossier. Ook de onderzoeksleider van het onderhavige onderzoek – die ter terechtzitting van het hof van 10 februari 2012 is gehoord – heeft vragen over die rol en eventuele samenhang slechts in beperkte mate kunnen beantwoorden.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het hof heeft niet méér aan het openbaar ministerie opgedragen dan mogelijk te maken, dat de verdediging inzage krijgt in het procesdossier TGO [onderzoek Z]. Aan die opdracht heeft het openbaar ministerie uitvoering gegeven.

Oordeel hof

Uit het procesdossier volgt dat het gerechtshof bij tussenarrest van 5 augustus 2011 heeft beslist dat de advocaat-generaal ervoor zorg diende te dragen dat de verdediging inzage zou krijgen in het procesdossier TGO [onderzoek Z].

De advocaat-generaal heeft aan die opdracht gevolg gegeven. De raadsman heeft inzage gekregen in voornoemd procesdossier en voorts een kopie ontvangen van het (voorlopige) stamproces-verbaal. Naar aanleiding daarvan heeft de raadsman de advocaat-generaal verzocht hem een aantal stukken uit TGO [onderzoek Z] te verstrekken. De advocaat-generaal heeft dit geweigerd.

Ter terechtzitting van 10 februari 2012 heeft de raadsvrouw van de verdachte (die mr Weski verving) verzocht om de volgende stukken aan het dossier toe te voegen:

• het gehele dossier inzake TGO [onderzoek Z];

• het dossier betreffende een schietincident gepleegd na 26 september 2008, met hetzelfde wapen als het wapen dat in de onderhavige zaak is gebruikt;

• het dossier betreffende de advocaat van de getuige [getuige 1] die het dossier aan een derde heeft verstrekt.

De advocaat-generaal heeft zich tegen deze verzoeken verzet. Het hof heeft de verzoeken vervolgens afgewezen omdat – kort gezegd – de noodzaak tot het voegen van de dossiers ontbrak.

Uit voornoemde gang van zaken volgt naar het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet heeft gehandeld in strijd met een door het hof gegeven opdracht. Immers, de verdediging heeft inzage gehad in het procesdossier TGO [onderzoek Z], zoals bepaald door het hof bij tussenarrest van 5 augustus 2011. Door niet het gehele procesdossier te verstrekken, is niet gehandeld in strijd met de beslissing van het hof. Ook nadien, toen het hof het verzoek tot voeging van onder meer het gehele procesdossier van TGO [onderzoek Z] ter terechtzitting had afgewezen, is niet gehandeld in strijd met enige beslissing van het hof. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt dan ook verworpen.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM met betrekking tot de getuige [getuige 1] is geschonden doordat niet het gehele dossier inzake TGO [onderzoek Z] is verstrekt waardoor de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] niet is kunnen worden getoetst, geldt het volgende. De verdediging heeft inzage gehad in voornoemd dossier. Bovendien is, onder meer ter toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 1], deze getuige tweemaal ter terechtzitting van het hof verschenen. De raadsman heeft tweemaal de mogelijkheid gekregen – en benut – om de getuige ter terechtzitting van het hof te ondervragen (op 10 februari 2012 en op 10 augustus 2012) en tegen diens verklaring in te brengen wat hij noodzakelijk achtte. Bovendien is de onderzoeksleider van deze zaak, [getuige 2], inspecteur van politie te Arnhem, eveneens ter terechtzitting van het hof ondervraagd, ook door de verdediging. Voor zover voor deze zaak van belang heeft de onderzoeksleider, naar het oordeel van het hof, afdoende geantwoord op relevante vragen. De verdediging is bovendien in de gelegenheid gesteld tegen diens verklaring in te brengen wat zij noodzakelijk achtte. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdediging voldoende in de gelegenheid is gesteld de betrouwbaarheid van de door [getuige 1] afgelegde verklaringen te onderzoeken. Het ondervragingsrecht zoals neergelegd in artikel 6, derde lid van het EVRM is om die reden niet geschonden. Het verweer van de raadsman wordt ook op dit punt verworpen. Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder parketnummer

05-901175-08 onder 1 primair tenlastegelegde

Vrijspraak ter zake van het onder parketnummer 05-901175-08 onder 1 primair tenlastegelegde (medeplegen van moord op [slachtoffer])

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer

05-901175-08 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft ter zake van dit feit gerequireerd tot vrijspraak.

Ook de raadsman heeft verzocht de verdachte van dit feit vrij te spreken.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen onvoldoende volgt dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Het hof spreekt de verdachte om die reden vrij van het onder parketnummer 05-901075-08 onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Het onder parketnummer 05-901175-08 onder 1 subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag op [slachtoffer])

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft ter zake van het onder parketnummer 05-901055-08 subsidiair tenlastegelegde gerequireerd dat tot een bewezenverklaring zal worden gekomen.

De advocaat-generaal heeft – kort gezegd – het standpunt ingenomen dat de door getuige [getuige 1] afgelegde belastende verklaringen betrouwbaar zijn. De advocaat-generaal heeft er op gewezen dat [getuige 1] de verdachte en medeverdachte heeft herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie en dat bovendien zowel de uitkomsten van het onderzoek naar de telecomgegevens alsook verklaringen van onder meer de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] de door [getuige 1] afgelegde verklaringen bevestigen. De ontkennende verklaring zoals afgelegd door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is volgens de advocaat-generaal niet aannemelijk geworden. Daarbij heeft zij opgemerkt dat deze verklaringen op een zeer laat tijdstip, bijna vier jaar resp. twee jaar na de datum van het tenlastegelegde, zijn afgelegd en op een tijdstip dat het procesdossier compleet was geworden.

De advocaat-generaal heeft betwist dat tijdens het onderzoek sprake was van tunnelvisie.

Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer], door gewapend met medeverdachte [medeverdachte] een drugsdeal te plannen waarbij het risico aanwezig was op een (fatale) confrontatie. Ten slotte heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat tussen verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Er is geëist dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake van het medeplegen doodslag.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen onvoldoende heeft kunnen toetsen en dat daarmee in strijd met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde ondervragingsrecht is gehandeld. Bij afwezigheid van ander redengevend bewijs heeft de raadsman bepleit de verdachte vrij te spreken.

De raadsman heeft betoogd dat de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn. Bovendien heeft de raadsman – kort gezegd – betoogd dat zowel het forensisch bewijs (betreffende de sigarettenpeuken en het onderzoek naar de schiethanden van [getuige 1]) in het dossier alsook de resultaten van het onderzoek naar telecomgegevens de door [getuige 1] afgelegde (onbetrouwbare) verklaringen niet bevestigen. Gelet op het in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering gestelde bewijsminimum kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Ook het gegeven dat van de verdachte geen enkel spoor is aangetroffen in de woning van [getuige 1] draagt volgens de raadsman bij aan de stelling dat verdachte het feit niet heeft (mede)gepleegd.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek heeft verricht naar alternatieve scenario’s, hoewel daarvoor wel aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn.

Vervolgens heeft de raadsman opgemerkt dat, indien het hof van oordeel is dat de verdachte wel in de woning van [getuige 1] aanwezig is geweest, de verdachte opzet, noch voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Tenslotte is betoogd dat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen omdat geen sprake zou zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte].

Oordeel hof

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen reeds niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd omdat de verdediging, in strijd met het in artikel 6 EVRM neergelegde ondervragingsrecht, die verklaringen onvoldoende op hun betrouwbaarheid heeft kunnen onderzoeken, verwijst het hof naar het oordeel van het hof zoals dat is weergegeven bij de bespreking van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Op grond daarvan wordt dit verweer verworpen.

Op 26 september 2008 om 20.24 uur kreeg de centrale meldkamer van het Korps Landelijke Politiediensten het telefonische bericht binnen dat een man, naar later bleek [slachtoffer], was neergeschoten in een pand aan de Huissensestraat [nummer A] te Arnhem.

De hulpdiensten kwamen ter plekke, maar dit mocht niet baten. Het slachtoffer is op 26 september 2008 om 21.06 uur overleden in voornoemde woning.

Toen de hulpdiensten en politie arriveerden bij voornoemde woning, was daar [getuige 1] aanwezig. Naar nadien bleek, was hij één van de bewoners van het pand aan de Huissensestraat en was hij ook degene die gebeld had met 112.

Verklaringen getuige [getuige 1]

Op 26 september 2008 om 21.16 uur werd [getuige 1] als getuige gehoord. [Getuige 1] verklaarde niet aanwezig te zijn geweest toen [slachtoffer] werd neergeschoten. Hij zou de woning voor 10 tot 15 minuten hebben verlaten en hoorde knallen toen hij terugkwam bij zijn woning.

Op 7 oktober 2008 werd [getuige 1] buiten heterdaad aangehouden als verdachte en is hij meerdere malen verhoord door de politie. Nadat [getuige 1] eerst had verklaard niet in de woning aanwezig te zijn geweest toen [slachtoffer] daar met een aantal personen aanwezig was, heeft hij uiteindelijk verklaard dat hij, [getuige 1], op 26 september 2008 door tussenkomst van [getuige 6] bij diens woning in contact was gekomen met twee personen uit Amsterdam. Deze personen wilden cocaïne kopen en daarom nam [getuige 1] contact op met zijn neef [slachtoffer], die op dat moment vanuit Amsterdam onderweg was naar huis nadat hij daar een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne had gekocht. Afgesproken werd dat [slachtoffer] naar de woning van [getuige 1] in Arnhem zou komen en dat [getuige 1] met de twee Amsterdamse mannen, een lange en een kleinere, zou meerijden naar zijn woning om daar de drugsdeal te laten plaatsvinden. [Getuige 1] zou [slachtoffer] onderweg en in zijn woning nog een aantal keren gebeld hebben om te vragen waar hij was. Toen [slachtoffer] in de woning van [getuige 1] gearriveerd was, werd de cocaïne gekookt. Even daarna zat [getuige 1] achter zijn computer in de woonkamer toen hij iets tegen zijn hoofd voelde dat leek op de loop van een pistool. Hij voelde dat hij werd geschopt en kwam voorover op de bank terecht. Tegelijkertijd zag hij dat de lange persoon een wapen richtte op [slachtoffer]. Hij hoorde dat er een worsteling ontstond en op enig moment hoorde hij een knal, waarna [slachtoffer] op de grond viel. De twee mannen uit Amsterdam verlieten vervolgens de woning. [getuige 1] was daarop naar buiten gerend naar de neef van [slachtoffer], [getuige 7], die in de auto op [slachtoffer] wachtte om mede te delen wat er was gebeurd. Daarna is [getuige 1] naar binnen gerend, heeft hij de cocaïne naar buiten gegooid resp. door het toilet gespoeld om vervolgens 112 te bellen.

Met de verdediging heeft het hof geconstateerd dat [getuige 1] in de eerste verklaringen die hij heeft afgelegd afwijkend heeft verklaard van hetgeen hij nadien heeft verklaard. Vanaf 10 oktober 2008 te 10.39 uur heeft [getuige 1] verklaard (tot en met de verklaringen die hij ter terechtzitting van het hof op 10 februari 2012 en 10 augustus 2012 heeft afgelegd) dat hij twee mannen (naar later bleek: [medeverdachte] en [verdachte]) op 26 september 2008 in Nijmegen heeft ontmoet bij hun gemeenschappelijke kennis [getuige 6]. [Medeverdachte] en [verdachte] zouden drugs willen kopen en daarom nam [getuige 1] contact op met [slachtoffer]. [slachtoffer] had in Amsterdam drugs gekocht en was bereid naar Arnhem, naar het huis van [getuige 1], te komen voor de verkoop van de drugs. Daarop is [getuige 1] met [medeverdachte] en [verdachte] vanuit Nijmegen in een ‘Jeep-achtige’ auto naar Arnhem gereden. Eenmaal in Arnhem was [slachtoffer] nog onderweg vanuit Amsterdam en hebben [getuige 1] en [slachtoffer] nog een aantal keren gebeld. Eenmaal in de woning werden de drugs getest, waarna [getuige 1] op enig moment door [verdachte] onder schot werd gehouden en werd geschopt, terwijl [medeverdachte] een wapen richtte op [slachtoffer] en hem heeft geschoten omdat [slachtoffer] de drugs niet wilde afgeven. Direct na het schieten hebben [medeverdachte] en [verdachte] de woning verlaten. [Getuige 1] is naar buiten gerend om te kijken of hij de auto van de daders nog zag en om de neef van [slachtoffer] aldaar te waarschuwen. Daarna heeft hij binnen geprobeerd de sporen van de drugsdeal te maskeren en heeft hij 112 gebeld.

[Getuige 1] heeft zowel [medeverdachte] als [verdachte] tijdens een meervoudige fotoconfrontatie alsook ter terechtzitting van het hof van 10 augustus 2012 herkend als de personen waarover hij belastend heeft verklaard.

[Medeverdachte] is op 25 januari 2009 aangehouden en zit sindsdien in detentie. Pas op 30 september 2010 heeft hij tegenover de rechter-commissaris als getuige in de zaak van onder andere verdachte [verdachte] voor het eerst een verklaring afgelegd. Ook heeft hij ter terechtzitting van het hof van 10 augustus 2012 als getuige verklaard. Volgens zijn verklaringen is hij op 26 september 2008 met verdachte vanuit Amsterdam naar Nijmegen gegaan. [Verdachte] wilde een vriend van [verdachte], [getuige 6], opzoeken voor een sociaal gesprek. Omdat [verdachte] geen vervoer had en [medeverdachte] wel, reed [medeverdachte] hen beiden naar Nijmegen in de Kia Sorento die [medeverdachte] van [getuige 8] had geleend. Ondanks de lange autorit naar Nijmegen zijn [medeverdachte] en [verdachte] slechts kort in Nijmegen geweest. Ze hadden haast omdat ze ’s avonds nog op verjaardagsvisite moesten in Amsterdam. In Nijmegen, bij [getuige 6] was ook de voor [medeverdachte] tot dat moment onbekende [getuige 1] aanwezig. [Getuige 1] vroeg of hij op de terugweg in Arnhem afgezet kon worden. [Medeverdachte] en [verdachte] hebben [getuige 1] in Arnhem afgezet, hetgeen slechts enkele seconden duurde. Daarna hebben zij patat gegeten in Arnhem en zijn zij teruggegaan naar Amsterdam. [Medeverdachte] is vanaf het vertrek van Amsterdam naar Nijmegen die dag steeds samen geweest met [verdachte]. [Medeverdachte] heeft gedetailleerd verklaard dat hij in de auto van Nijmegen naar Arnhem heeft gerookt en dat hij zijn sigarettenpeuk in de auto heeft uitgedrukt in een glas waaruit [verdachte] whisky had gedronken. Toen [getuige 1] bij zijn woning uitstapte heeft [getuige 1] volgens [medeverdachte] niet alleen het glas meegenomen waaruit [getuige 1] zelf whisky had gedronken, maar ook het glas waarin [medeverdachte] zijn sigarettenpeuk had uitgedrukt.

Verdachte heeft tijdens de terechtzitting van 10 augustus 2012 gelijkluidend verklaard.

[medeverdachte] en [verdachte] ontkennen in de woning van [getuige 1] te zijn geweest, alsook dat sprake was van een drugsdeal, het bedreigen van [getuige 1] en het neerschieten van [slachtoffer].

Anders dan de raadsman acht het hof de verklaringen die [getuige 1] vanaf 10 oktober 2008 te 10.39 uur (achtste verklaring) heeft afgelegd en die betrekking hebben op de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] betrouwbaar en niet de ontkennende verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte.

Daarbij acht het hof van belang dat de verklaringen van [getuige 1] (vanaf zijn achtste verklaring) over de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] op essentiële onderdelen consistent zijn en op relevante punten bovendien worden ondersteund door ander (technisch en forensisch) bewijs, zoals hierna zal blijken.

Dat [getuige 1] in eerste instantie anders heeft verklaard, acht het hof verklaarbaar vanwege de omstandigheden waaronder [slachtoffer] om het leven is gekomen. [Getuige 1] heeft hierover ter terechtzitting van 10 februari 2012 ook verklaard dat hij eerst niet de waarheid heeft gesproken omdat hij bang was voor de verdachten alsook voor de politie, dit laatste vanwege de achtergrond van de dood van [slachtoffer], een verkeerd gelopen drugstransactie waarbij ook [getuige 1] betrokken was.

Het betoog van de raadsman dat tijdens het onderzoek ‘Amazone’ sprake is geweest van tunnelvisie bij de politie en het openbaar ministerie faalt eveneens. Uit het dossier blijkt dat direct na de dood van [slachtoffer] een grootschalig onderzoek is opgezet waarbij in den brede onderzoek is gedaan naar familie en bekenden van [slachtoffer] en ook naar de omgeving van getuige [getuige 1], die op enig moment zelf ook als verdachte is aangemerkt. Uit de verhoren van [getuige 1] blijkt dat de verbalisanten een kritische houding hebben aangenomen tegenover de door hem in eerste instantie afgelegde, wisselende verklaringen. Niet is gebleken dat de mogelijkheid is uitgesloten dat anderen dan de verdachte en zijn medeverdachte verantwoordelijk waren voor de dood van [slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van tunnelvisie zoals bedoeld door de raadsman.

Naast voornoemde verklaringen van [getuige 1] zijn in het dossier bewijsmiddelen aanwezig die de lezing van [getuige 1] bevestigen. Mede gelet op die bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal hieronder op deze bewijsmiddelen ingaan.

Telecomgegevens en andere informatie

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer

[nummer B] en [verdachte] van het nummer [nummer C]. Dit is noch door [medeverdachte], noch door [verdachte] betwist ter terechtzitting van het hof. Evenmin is betwist dat zij op 26 september 2008 gebruik maakten van voornoemde nummers.

Voornoemde telefoons van [medeverdachte] en [verdachte] zijn beide onder het bereik van een aantal dezelfde zendmasten geweest op 26 september 2008. Dit betreft achtereenvolgens zendmasten te Amsterdam Zuidoost, Vinkeveen, Nieuwer Ter Aa, Utrecht, Nijmegen, Oosterhout en Arnhem (p. 2315).

Anders dan de raadsman gaat het hof bij de bespreking van de zendmastgegevens er niet van uit dat de (mede)verdachte op de tijdstippen waarop de zendmasten werden aangestraald zich in dezelfde straten bevond(en) als die zendmasten. De gegevens geven met zekerheid aan dat de door verdachten gebruikte telefoons binnen het bereik van die zendmasten waren en met een zekere mate van waarschijnlijkheid zich daar in de buurt bevonden. Op basis van de zendmastgegevens komt het hof daarom tot geheel andere conclusies dan de raadsman.

Uit opgevraagde zendmastgegevens van de afzonderlijke telefoons, zoals weergegeven in de tijdslijn (achter p. 2318), volgt dat de telefoon van [verdachte] zich op 26 september 2008 om 16.11.57 uur in Amsterdam Zuid Oost, binnen het bereik van de zendmast aan de Kuiperbergweg, bevond. Vervolgens is dit toestel onder het bereik van zendmasten te Abcoude en Nijmegen gekomen, en om 18.37.55 uur binnen het bereik van de zendmast aan de Muldersweg te Nijmegen. De woning van [getuige 6] aan de Triangelstraat [nummer D] te Nijmegen, bevindt zich ook binnen het bereik van deze zendmast (p. 2247).

Het toestel van [verdachte] is volgens de tijdslijn op 26 september 2008 om 19.36.31 uur voor het eerst te Arnhem aangestraald, bij de Akkerwindestraat. Vervolgens kwam het toestel van [verdachte] om 20.04.44 uur binnen het bereik van de zendmast aan de Snelliusweg te Arnhem. De woning van [getuige 1], waar [slachtoffer] om het leven is gebracht, gelegen aan de Huissensestraat te Arnhem, ligt binnen het bereik van deze twee zendmasten (zie tijdslijn achter p. 2318).

Vervolgens bevond de telefoon van [verdachte] zich omstreeks 20.25.35 uur binnen het bereik van de zendmast aan de Burgemeester Matsersingel te Arnhem. Onder meer de Nijmeegseweg ligt binnen het bereik van deze mast. De telefoon van [verdachte] bevond zich vervolgens om 20.29.07 uur binnen het bereik van de zendmast aan de Snelliusweg te Arnhem. Onder meer de Pleijweg bevindt zich binnen het bereik van die zendmast. Zoals verbalisanten in de tijdslijn hebben aangegeven, kan Arnhem vanaf de Huissensestraat via de Nijmeegseweg en de Pleijweg worden verlaten.

Het toestel van [medeverdachte] bevond zich op 26 september 2008 om 16.11.57 uur te Amsterdam Zuidoost aan de Kuiperbergweg. Vervolgens is de telefoon om 18.34.13 uur aangestraald aan de Horstacker [nummer E] te Nijmegen. De telefoon is om 19.26.53 uur voor het eerst in Arnhem aangestraald en wel bij de zendmast aan de Cabaret [nummer F], vervolgens om 19.30 uur bij de zendmast aan het Croydonplein, daarna om 19.40 uur bij de zendmast aan de Akkerwindestraat, om 19.50 uur bij de zendmast aan de Snelliusweg en daarna nog om 20.01.33 uur bij de zendmast aan de Akkerwindestraat [nummer G] te Arnhem (tijdslijn achter p. 2318).

Uit voornoemde historische printgegevens van [medeverdachte] en [verdachte] volgt dat zij op 26 september 2008 van Amsterdam naar Nijmegen zijn gegaan en vervolgens van 19.26.53 uur tot in ieder geval 20.29.07 uur, dus ruim één uur, in Arnhem zijn geweest.

Het hof gaat er verder van uit dat [medeverdachte] en [verdachte], zoals verbalisanten in de tijdslijn hebben aangegeven, op 26 september 2008 om 20.25 uur en 20.29 uur bezig waren Arnhem te verlaten. Om 21.11 uur die dag werd de auto waarin de verdachten zich bevonden namelijk in verband met een snelheidsovertreding geflitst op de A12 ter hoogte van Woerden. Het betreft de rijbaan op Rijksweg A12 komende vanuit de richting Arnhem en gaande in de richting van Den Haag (p. 1737). Gelet op de af te leggen afstand tussen Arnhem en Woerden en het feit dat verdachten reeds 42 minuten na het laatste gepeilde tijdstip in Arnhem zich bij Woerden bevonden, is het dus aannemelijk dat [medeverdachte] en [verdachte] om 20.25 uur en 20.29 uur bezig waren Arnhem uit te rijden.

Uit de historische printgegevens van de telefoonnummers van [getuige 1] ([nummer H]) en [slachtoffer] ([nummer I) op 26 september 2008 volgt dat tussen hen op die dag over en weer veelvuldig contact is geweest, zoals ook [getuige 1] heeft verklaard, waarbij het laatste contact die dag is geweest om 19.53.04 uur toen [getuige 1] door [slachtoffer] werd gebeld (p. 2244). Niet van alle contacten zijn zendmastgegevens beschikbaar. Van het één na laatste contact zijn wel gegevens beschikbaar. Dit contact vond plaats op 26 september 2008 om 19.49 uur. Het toestel van [getuige 1] bevond zich toen binnen het bereik van de zendmast aan de Akkerwindestraat en dus in of in de omgeving van de woning van [getuige 1].

[Getuige 7] (de neef van [slachtoffer]) heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij met [slachtoffer] op 26 september 2008 naar de Huissensestraat is gereden. [Getuige 7] bleef in de auto wachten. Hij weet niet hoe laat ze daar precies waren. Hij noemt onder meer het tijdstip 20.00 uur. Het was net donker. Hij denkt dat hij tussen de 20 minuten en een half uurtje heeft gewacht. Op een gegeven moment hoorde hij iemand op de ruiten slaan. Dit was [getuige 1]. [Getuige 1] zei dat ze [slachtoffer] hadden geschoten.

Verder blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] met zijn telefoon om 20.19.40 uur heeft gebeld naar [getuige 9] (p. 176). [getuige 9] heeft over dit telefoontje verklaard dat hij de stem van [slachtoffer] herkende. [Slachtoffer] vroeg waar hij was. Op de achtergrond hoorde [getuige 9] ‘Wat doe je, wat doe je?’ Hij hoorde daarna niets meer en heeft de verbinding verbroken. Direct daarna heeft hij teruggebeld, maar er werd niet meer opgenomen (p. 769).

Om 20.24 uur is door [getuige 1] naar de meldkamer gebeld om melding te maken van het schietincident. [Getuige 1] heeft verklaard dat hij niet onmiddellijk 112 heeft gebeld. Eerst heeft hij de neef van [slachtoffer], die buiten in een auto zat te wachten, gewaarschuwd en heeft hij de drugs weggegooid.

Voornoemde gegevens, in het bijzonder dat:

- [medeverdachte] en [verdachte] op 26 september 2008 zich in ieder geval van 19.36 uur tot 20.04 uur in de omgeving van de woning van [getuige 1] hebben bevonden,

- [slachtoffer] op 26 september 2008 rond 20.00 uur de woning van [getuige 1] is binnengegaan,

- [slachtoffer] tussen 20.19 uur en 20.24 uur is neergeschoten,

- [medeverdachte] en [verdachte] op 26 september 2008 van 19.26 uur tot 20.29 uur zich in Arnhem bevonden,

- dat [medeverdachte] en [verdachte] kort nadat [slachtoffer] was neergeschoten bezig waren Arnhem te verlaten,

zijn volledig te rijmen met de gang van zaken, zoals [getuige 1] heeft geschetst en ondersteunen diens verklaringen.

Zij zijn echter in tegenspraak met de verklaring van verdachten, dat zij [getuige 1] alleen hebben afgezet, hetgeen volgens eigen zeggen nauwelijks tijd kostte, en dat zij haast hadden omdat [medeverdachte] naar de viering van zijn vaders verjaardag in Amsterdam moest.

DNA-sporen [medeverdachte]

In de woning waar [slachtoffer] is neergeschoten en overleden, is op de salontafel een glas aangetroffen met daarin twee sigarettenpeuken en in de keuken is een identiek glas aangetroffen.

Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aan het op de salontafel aangetroffen glas waarin de peuken zaten en onderzoek aan het in de keuken aangetroffen glas wees uit dat op beide geen speekselsporen aanwezig waren (p. 698 technisch dossier).

Onderzoek aan de peuken heeft uitgewezen dat celmateriaal op beide peuken afkomstig kan zijn van medeverdachte [medeverdachte]. Daarbij is door het NFI gerapporteerd dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard (p. 704 technisch dossier).

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de glazen uit Nijmegen komen, geldt het volgende. Gelet op de verschillende verklaringen die over de aangetroffen glazen zijn afgelegd, kan het hof niet uitsluiten dat de glazen inderdaad afkomstig zijn uit Nijmegen en via de auto waarvan verdachte en medeverdachte gebruik maakten in de woning van [getuige 1] terecht zijn gekomen.

Het is, naar het oordeel van het hof, echter opvallend dat één glas in de keuken is aangetroffen en één glas op de salontafel. Dat ligt alleen voor de hand wanneer na binnenkomst in de woning te Arnhem één van de glazen daar in de woonkamer nog als asbak is gebruikt. Bovendien wordt door niemand verklaard, dat [medeverdachte] in de auto méér dan één sigaret zou hebben gerookt. Het hof leidt hieruit af dat (tenminste) één van beide sigaretten door [medeverdachte] in de woning van [getuige 1] is gerookt.

Anders dan de raadsman is het hof derhalve van oordeel dat de DNA-sporen die zijn aangetroffen in de woning van [getuige 1], de plaats delict, er wel degelijk op duiden dat [medeverdachte] op 26 september 2008 in de woning van [getuige 1] is geweest. Deze sporen bevestigen aldus op een essentieel punt de belastende verklaring van [getuige 1] en weerspreken de verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte].

Drugsdeal

Uit de verklaringen van onder meer [getuige 5] (de vriendin van [slachtoffer]) en [getuige 9] (een vriend van [slachtoffer]) komt naar voren dat het slachtoffer [slachtoffer] in drugs handelde.

[Getuige 5] heeft in het bijzonder verklaard dat zij op 26 september 2008 een groot bedrag aan geld vond in hun slaapkamer en dat zij in de keuken een plastic tas zag met daarin een witte doos waarin drugs in een zakje zaten. Om ongeveer 19.00-19.30 uur die dag zag [getuige 5] dat [slachtoffer] het zakje met drugs uit de doos haalde. Even daarna gingen [slachtoffer] en [getuige 7] (de neef van [slachtoffer]) weg (p. 584).

[Getuige 9] heeft op 22 januari 2010 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] op 25 september 2008 tegen hem had gezegd dat [slachtoffer] drugs probeerde te halen.

Het hof ziet in het voorgaande een bevestiging van de verklaring van [getuige 1] dat hij op 26 september 2008 in de avonduren [slachtoffer] zou ontmoeten in verband met een drugsdeal.

Schiethanden [getuige 1]

Voor zover de raadsman enig belang heeft gehecht aan de schiethanden die bij [getuige 1] zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat uit het onderzoek van het NFI volgt dat de hypotheses zoals die zijn geformuleerd (inhoudende dat [getuige 1] schiethanden had omdat hij de schutter was, ofwel omdat hij in de buurt van de schutter stond, danwel omdat hij na het schieten dichtbij het slachtoffer is geweest) alle ongeveer even waarschijnlijk worden geacht door het NFI. Het hof is daarom van oordeel dat hieraan geen belang kan worden gehecht in het kader van de bewijsvoering.

Conclusie hof

Naar het oordeel van het hof bevestigen de hiervoor genoemde bewijsmiddelen betreffende de historische printgegevens, het DNA-onderzoek en de informatie over de drugsdeal de door [getuige 1] afgelegde belastende verklaringen op essentiële onderdelen en ook op die onderdelen die door de verdachte zijn betwist.

De verklaringen die [medeverdachte] en [verdachte] daar tegenover hebben gesteld, passen niet bij de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

De door [medeverdachte] en [verdachte] afgelegde verklaring past niet bij de historische printgegevens en zendmastgegevens. De haast die [medeverdachte] en [verdachte] zeggen te hebben gehad in verband met een verjaardag in Amsterdam, verdraagt zich niet met deze gegevens waaruit immers volgt dat [medeverdachte] en [verdachte] een uur in Arnhem zijn geweest. Het enkele afzetten van [getuige 1] kan niet veel tijd gekost hebben. Ook in geval patat is gegeten, blijft een verblijfsduur van een uur in Arnhem zonder andere activiteiten onwaarschijnlijk lang. Daarbij komt dat [medeverdachte] en [verdachte] geen enkel detail van de patatzaak, zoals naam en plaats, weten te benoemen. Omdat zij zeggen geen bijzonderheden meer te weten, kan niet worden nagegaan of de patatzaak bestaat en zo ja, of de plek van de patatzaak past bij bijvoorbeeld de telecomgegevens. Het zou kunnen dat vanwege het late tijdstip waarop [medeverdachte] en [verdachte] zijn gaan verklaren, zij geen heldere herinnering meer hebben aan de patatzaak. De vraag rijst dan wel waarom zij zo laat zijn gaan verklaren over een voor hen mogelijk ontlastend gegeven en hoe het kan dat ze zich wel gedetailleerd kunnen herinneren dat [medeverdachte] in de auto heeft gerookt en zijn sigaret heeft uitgedrukt in een glas dat was meegenomen uit Nijmegen.

Voorts is van belang dat de Kia Sorento die door [medeverdachte] is bestuurd op de terugweg van Arnhem naar Amsterdam om 21.11 uur is geflitst op de Rijksweg A12 onder Woerden, waarbij de rijrichting van Arnhem naar Den Haag was (p. 1737). Deze rijrichting is eveneens strijdig met de verklaring van [medeverdachte] en [verdachte] dat zo snel mogelijk teruggegaan moest worden naar Amsterdam.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1], in samenhang met de conclusies uit het onderzoek naar de telecomgegevens, het DNA-onderzoek naar de sigarettenpeuken en de verklaringen van [getuige 9] en [getuige 5], tot de conclusie leiden dat [medeverdachte] en [verdachte] verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer].

Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van medeplegen van doodslag. Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking die kan bestaan uit het gezamenlijk maken van een plan en/of het gezamenlijk verrichten van uitvoeringshandelingen. [medeverdachte] en [verdachte] hebben een drugsdeal gesloten waarna zij, beiden gewapend, naar Arnhem zijn gegaan. Volgens [getuige 1] is [verdachte] in de woning van [getuige 1] als eerste begonnen met het bedreigen en uitoefenen van geweld in de richting van [getuige 1], waarna [medeverdachte] de confrontatie met [slachtoffer] zocht, die is uitgemond in het neerschieten van [slachtoffer]. [medeverdachte] heeft met een vuurwapen geschoten op [slachtoffer], waaruit reeds volgt dat hij opzet had op de dood van [slachtoffer]. Daarnaast is het hof van oordeel dat reeds vóór het overhalen van de trekker [medeverdachte] en [verdachte] de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat er één of meer doden zouden vallen. Er is gekozen voor een overval waarbij gebruik zou worden gemaakt van tenminste één geladen vuurwapen (waarschijnlijk een UZI). In geval mensen worden gedwongen waardevolle spullen af te staan, kan dit voorzienbaar leiden tot (gewelddadig) verzet met als gevolg dat het geladen vuurwapen waarmee wordt gedreigd daadwerkelijk wordt gebruikt. Als er met een vuurwapen (in dit geval waarschijnlijk een UZI) op het slachtoffer wordt geschoten, is de kans vervolgens groot dat het getroffen slachtoffer komt te overlijden.

Deze stappen – dreigen met een geladen vuurwapen om het slachtoffer te dwingen waardevolle spullen af te geven, (gewelddadig) verzet van het slachtoffer, schieten met het wapen en overlijden van het slachtoffer – zijn zodanig voorzienbaar dat het uitvoeren van een overval met een geladen wapen naar het oordeel van het hof impliceert dat de uitvoerders van die gewapende overval de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een slachtoffer ten gevolge van vuurwapengebruik komt te overlijden.

Overweging met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder parketnummer

05-901175-08 onder 2 tenlastegelegde (voorhanden hebben van cocaïne te Diemen)

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring zal worden gekomen van dit feit.

De raadsman heeft bepleit de verdachte van dit feit vrij te spreken omdat het dossier geen rapportage van het NFI bevat waaruit de aard van de inbeslaggenomen stoffen blijkt.

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit het dossier met voldoende zekerheid blijkt dat de stof die in de woning waar de verdachte zegt te hebben verbleven, gelegen aan de [adres Y], in beslag is genomen, cocaïne bevat. Het hof is van oordeel dat de door de politie gebruikte testen voldoende onderscheidend zijn ten aanzien van cocaïne. De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie ziet op andere drugs dan op cocaïne, meer in het bijzonder op synthetische drugs.

Overweging met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder parketnummer

05-600896-09 onder 2 tenlastegelegde (het voorhanden hebben van wapens en munitie)

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring zal worden gekomen van dit feit.

De raadsman heeft bepleit de verdachte van dit feit vrij te spreken. Volgens de raadsman zijn de resultaten van de doorzoeking, in relatie met de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de bepleite bewijsuitsluiting, onbruikbaar omdat deze zijn verkregen als gevolg van eenzijdig en onvolledig onderzoek naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 1].

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens in de woning aan de [adres Y].

Voor wat betreft het primaire betoog van de raadsman verwijst het hof naar zijn overwegingen over de mogelijke aanwezigheid van een zogenaamde tunnelvisie, zoals die hiervoor zijn opgenomen. Het verweer wordt op grond daarvan verworpen.

Het hof verwerpt ook het subsidiaire betoog. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van het hof van 10 augustus 2012 heeft afgelegd, blijkt dat de verdachte verbleef op het adres [adres Y]. Namens de verdachte is daarnaast gesteld dat op dat adres ook anderen kwamen en dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die goederen. Deze enkele stelling acht het hof echter onvoldoende. Gelet op de verklaring van de verdachte is het hof van oordeel dat de wapens en munitie die in de woning waar de verdachte verbleef, werden aangetroffen onder de beschikkingsmacht van de verdachte vielen en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die goederen in zijn woning.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 05-600896-09 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 05-901175-08

1.

subsidiair

hij op 26 september 2008 te Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachtes mededader opzettelijk met een vuurwapen projectielen heeft afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], welke projectielen voornoemde [slachtoffer] hebben getroffen, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

2.

hij op 25 januari 2009 te Diemen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 51,8 gram cocaïne ([adres Y]), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Zaak met parketnummer 05-600896-09

2.

hij op 25 januari 2009 te Diemen wapens van categorie III, te weten een pistool, merk BBm Type Bruni model 85 en een pistool merk Manurhin type Walther PPK, en munitie van categorie III, te weten 3 bijbehorende patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

het in de zaak met parketnummer 05-600896-09 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd (de vuurwapens)

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (de munitie).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg geëist dat verdachte ter zake van het medeplegen van doodslag en het voorhanden hebben van wapens, munitie en cocaïne wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte ter zake van het medeplegen van doodslag en het voorhanden hebben van wapens, munitie en cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat verdachte ter zake van voornoemde feiten tot dezelfde straf wordt veroordeeld als opgelegd door de rechtbank.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft zich in het kader van een op handen zijnde drugsdeal schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer]. De verdachte en de medeverdachte zijn, met tussenkomst van onder meer getuige [getuige 1], in de woning van [getuige 1] in contact gekomen met [slachtoffer], welke laatste cocaïne zou leveren aan de verdachte en zijn medeverdachte. Daarbij waren zowel de verdachte als de medeverdachte gewapend. Toen [slachtoffer] zich verzette tegen het zonder betaling wegnemen van de drugs heeft de medeverdachte [slachtoffer], met gebruikmaking van een automatisch vuurwapen neergeschoten, waarna deze ter plekke aan zijn verwondingen is overleden.

Verdachte en zijn mededader hebben door hun gezamenlijk optreden een ander het leven ontnomen. Met dit handelen is de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed en verdriet aangedaan.

Bovendien is bijgedragen aan het ontstaan van gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne.

Ten slotte is bewezenverklaard dat de verdachte wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Het handelen van verdachte brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft bij de strafoplegging eveneens ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 juli 2012 al eerder tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld ter zake van het overtreden van de Opiumwet.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. De omstandigheden waaronder de verdachte en zijn medeverdachte het feit hebben begaan, getuigen van een professioneel crimineel handelen en rechtvaardigen het opleggen van een langdurige gevangenisstraf.

Het hof is van oordeel dat aan de verdachte en de medeverdachte een gevangenisstraf van gelijke duur dient te worden opgelegd, onder meer omdat beiden in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer]. Beiden hebben immers besloten een gewapende overval te plegen waarbij gebruik is gemaakt van tenminste één geladen vuurwapen. Voor beiden was voorzienbaar dat dergelijk handelen één of meer doden tot gevolg kon hebben.

Verdachte is begonnen met het toepassen van en dreigen met geweld in de richting van [getuige 1] waarna de medeverdachte de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan en uiteindelijk heeft geschoten.

Hoewel de medeverdachte in het verleden voor meer en ernstiger feiten is veroordeeld dan de verdachte, acht het hof niettemin een even hoge straf op zijn plaats, omdat verdachte anders dan de medeverdachte ook nog eens veroordeeld wordt voor andere feiten, namelijk het bezit van vuurwapens, munitie en cocaïne.

Alles afwegende en mede in aanmerking genomen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, is het hof van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar dient te worden opgelegd.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 29 juli 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 13-528218-08. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 47, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen.

De advocaat-generaal heeft zich tegen toewijzing van dit verzoek verzet.

Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, gelet op de hiervoor weergegeven beslissingen over het tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover mede gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 05/901175-08 onder 2 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne te Amsterdam, alsook voor zover mede gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 05-600896-09 onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 05-600896-09 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-901175-08 onder 1 subsidiair en 2 en in de zaak met parketnummer 05-600896-09 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 3.125,-.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 29 juli 2008, parketnummer 13-528218-08, te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr B.W.M. Hendriks, voorzitter,

mr R. van den Heuvel en mr J.D. den Hartog, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 30 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.