Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6085

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
21-003062-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging moord op politieagent. Combinatie van langdurige gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-08-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003062-09

Uitspraak d.d.: 30 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

30 juli 2009 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in Vught PPC te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 februari 2011 en 16 augustus 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr M. t' Sas, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente

Utrechtse Heuvelrug, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade, althans opzettelijk [slachtoffer] (brigadier van politie) van het leven

te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat

opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes in het gezicht en/of de borstkas en/of de rug

en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 januari 2009 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente

Utrechtse Heuvelrug, aan [slachtoffer] (brigadier van politie), opzettelijk

en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te

weten: een dwarslaesie en/of een klaplong en/of een steekwond in het gezicht),

heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en na kalm beraad en

rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een mes in

zijn gezicht en/of zijn borstkas en/of zijn rug en/of zijn nek en/of zijn lichaam te steken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht naast opzet op de dood van het slachtoffer ook de voorbedachten rade, en daarmee het primair tenlastegelegde, te weten poging tot moord, wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt raadsman

Verdachte heeft verklaard dat hij zich van het onderhavige voorval niets meer kan herinneren. Afgaande op zijn verklaring en daarbij betrekkende dat uit het psychologisch en psychiatrisch onderzoek blijkt dat sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, is de verdediging van mening dat bij verdachte op het moment van het delict ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen ontbrak, waardoor van opzet geen sprake kan zijn. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Indien het hof opzet wel bewezen acht, is de raadsman van mening dat uit de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat hij op geen enkele wijze een plan heeft gehad om iemand van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Alles heeft zich afgespeeld terwijl verdachte zich volledig onbewust was van zijn handelingen. Van voorbedachten rade kan daarom geen sprake zijn en daarvan dient verdachte daarom te worden vrijgesproken.

Oordeel hof

Inleiding (1)

Op 25 januari 2009, omstreeks 13:25 uur, werd door de coördinator noodhulp van het district Heuvelrug een telefoongesprek met [zus verdachte] gevoerd. Zij deelde hem mede dat haar broer [verdachte], ongeveer één à anderhalf uur eerder in zwaar depressieve toestand de woning aan de [adres verdachte] had verlaten. Hij had in de afgelopen periode al een paar keer aangegeven dat hij zich voor de trein zou gooien. Vervolgens gaf zij het signalement door van haar broer.(2)

Om 13:47 uur meldde brigadier van politie(3) [slachtoffer] zich bij de centrale meldkamer. Hij gaf aan dat hij [verdachte] had aangetroffen op perron Driebergen en verzocht om vervoer voor hem.(4)

Twee collega’s van [slachtoffer] die korte tijd later ter plaatse aankwamen en hem herkend hadden aan zijn opvallend blauwe bikerstenue, troffen hem aan op het perron, liggend op zijn buik in een grote plas bloed. Ongeveer vier meter bij hem vandaan zat een man, waarvan het signalement overeen kwam met dat van [verdachte], op een bankje. In de buurt van het bankje zagen ze een mes liggen.(5)

De man op het bankje op het perron werd aangehouden en bleek te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte], hierna “verdachte” genoemd.(6)

[Slachtoffer] heeft zelf over de gebeurtenis tegenover de rechter-commissaris het volgende verklaard. Naar aanleiding van een melding dat een man suïcidaal was ging hij naar het station Driebergen-Zeist. Hij zag een man die voldeed aan het opgegeven signalement en hij heeft de man aangesproken. Hij kreeg het rijbewijs van de man. Alles ging heel rustig. [Slachtoffer] zei hem dat mensen zich zorgen maakten over hem en dat aan de politie hadden gemeld en dat die mensen bang waren dat hij voor de trein wilde springen. De man zei toen dat als hij dat gewild had, hij dat allang had gedaan. Vervolgens heeft [slachtoffer] een auto ter plaatse laten komen. Hij vroeg aan de man of hij hulp kon gebruiken. De man stak hem vervolgens met een mes in zijn gezicht. Op dat moment zei verdachte: “Natuurlijk kan ik hulp gebruiken”. Door de steek in zijn gezicht viel [slachtoffer] achterover. [Slachtoffer] probeerde zijn wapen te pakken, maar het werd zwart voor zijn ogen. Toen hij bijkwam zat hij op zijn hoofd en knieën in een bloedplas en voelde hij eerst een steek in zijn rug en direct daarop één in zijn nek.(7)

De getuige [getuige 1] heeft gezien dat [slachtoffer] op de grond lag en dat een man één stap naar voren deed, bukte en de agent stak. Het duurde enkele seconden voordat die man op de agent instak.(8)

De getuige [getuige 2] heeft gezien dat [slachtoffer] was gevallen en dat een man op zijn hurken of knieën naast de agent ging zitten en op hem instak. Degene die de agent heeft gestoken is honderd procent zeker dezelfde man als die vervolgens door de politie is aangehouden.(9)

De getuige [getuige 3] zag dat de man de agent duwde en dat de agent kwam te vallen. Hij zag vervolgens dat de man een mes in zijn handen vasthield. De agent die op de grond lag probeerde zijn wapen te pakken. De man is vervolgens boven de politieagent gaan staan en de getuige zag dat de man vervolgens een paar keer met het mes op het lichaam van de agent instak.(10)

Tijdens het onderzoek door de afdeling Forensische Opsporing Utrecht op het perron van het NS-station Driebergen-Zeist werd tussen een plas bloed en een zitbankje een mes aangetroffen. Het betrof een zogenaamd duikmes met een zwart heft. Dit mes is voor onderzoek overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI). In de kleding van verdachte werd een foedraal van een duikmes aangetroffen.(11)

Het NFI heeft het gehele heft van het mes bemonsterd en de bemonstering onderworpen aan een DNA-onderzoek. Hieruit is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.(12)

In het ziekenhuis werden bij het slachtoffer drie steekletsels vastgesteld:

- Een steekverwonding in de nek resulterend in een ziektebeeld met als diagnose dwarslaesie sensibel beiderzijds C4, motorisch beiderzijds C4;

- Een steekwond links in de borstkas, waardoor een klaplong links ontstond;

- Een steekwond rechts in de bovenkaak, waardoor een door en door perforatie van de rechterwang ontstond en als gevolg waarvan een kies werd verwijderd.(13)

Het hof leidt uit het bovenstaande af dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] op 25 januari 2009 op het station Driebergen-Zeist de messteken heeft toegebracht. Door de verdediging is dit ook niet betwist.

Verdachte heeft bij de politie niets willen verklaren. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op 27 april 2010 verklaard dat hij zich niets kan herinneren van het gebeuren. Wat er gebeurd is dringt niet tot het hem door en blijft een zwart gat. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niets meer weet vanaf het moment dat hij op aandringen van zijn moeder het huis verliet tot aan het moment, dat hij in een politiebusje lag.

Opzet

Vaststaat dat [slachtoffer] door de messteek in zijn gezicht op de grond viel en dat hij zich liggend op de grond bevond toen verdachte op [slachtoffer] afstapte en hem in de borstkas stak en hem de fatale steekwond, te weten de steekwond die een dwarslaesie heeft veroorzaakt, in de nek toebracht. De aard van het toegebrachte letsel duidt erop dat met grote kracht is gestoken. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelwijze van verdachte, bestaande uit het naar [slachtoffer] toegaan en op korte afstand, meermalen en met kracht met een duikersmes steken in hoofd, borstkas en nek van [slachtoffer], kan in principe niet anders worden afgeleid dan dat de verdachte het opzet had op zijn handelingen en op de dood van [slachtoffer]. De omstandigheid dat verdachte achteraf gezien zegt geen herinnering te hebben gehad aan het gebeuren, doet hier niet aan af.

Over het verweer dat bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waardoor ieder inzicht in draagwijdte van zijn gedragingen heeft ontbroken en van opzet niet kan worden gesproken, overweegt het hof het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat de omstandigheid dat iemand aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt er op zichzelf niet aan in de weg hoeft te staan dat sprake is van opzet bij het pogen een ander van het leven te beroven. Dit zou alleen dan anders kunnen zijn ingeval zou blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking bij de dader, dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken.

Verdachte is in hoger beroep door vier gedragsdeskundigen onderzocht, te weten prof. dr. J.J. Baneke (forensisch psycholoog), drs. H.A. Gerritsen (forensisch psychiater), J.J.F.M. de Man (psychiater) en prof. dr. C. de Ruiter (klinisch en forensisch psycholoog). Zij hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ernstige geestelijke afwijking, te weten een ernstige depressie met randpsychotische (Baneke en Gerritsen) of psychotische kenmerken (De Man en De Ruiter). Geen van hen komt echter tot de conclusie dat verdachte daardoor van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken ten tijde van het plegen van het delict. De Man en De Ruiter zijn er in hun rapportages niet in het bijzonder op in gegaan, terwijl Baneke en Gerritsen het volgende concluderen:

“(…) Er zijn wel diverse aanwijzingen, ook na het tenlastegelegde, die wijzen op een gestoorde geestestoestand van betrokkene, maar er zijn onvoldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van een volstrekt ontbreken van bewustzijn of van het vermogen tot intentioneel handelen, bijvoorbeeld als gevolg van een psychotische stoornis. Uit wat betrokkene heeft verteld over zijn gedachten/fantasieën om iemand te doden die een uniform draagt in de maanden voorafgaand aan het tenlastegelegde, kan men opmaken dat hij zich daarvan voldoende bewust was.(…)”(14);

en:

“(…) er zijn onvoldoende harde aanwijzingen die leiden in de richting van het geen enkele invloed (meer) hebben gehad op het handelen door onderzochte. Rapporteur vermoedt dat betrokkene voorafgaand aan en tijdens het plegen van het tenlastegelegde nog wel enige (geringe) controle gehad heeft. Voorafgaande aan het plegen van het tenlastegelegde, wederom indien bewezen, had onderzochte al langere tijd agressieve gedachten en was hij – weliswaar vanuit zijn psychopathologie in de zin van een depressie en een persoonlijkheidsstoornis – voornemens om iemand neer te steken (…)”.(15)

Het hof neemt deze conclusies over en maakt deze tot de zijne. Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het delict sprake was van een situatie waarin hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Voorbedachten rade

Het hof stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast.

Verdachte en [slachtoffer], die duidelijk herkenbaar was als politieman, hebben op het perron van het NS-station Driebergen-Zeist met elkaar gesproken. Er was aanvankelijk sprake van een normaal, rustig gesprek. Na de vraag van [slachtoffer] of verdachte hulp kon gebruiken, werd hij door verdachte met een mes in het gezicht gestoken. [Slachtoffer] viel hierdoor op de grond. Verdachte liep vervolgens naar hem toe, bukte en stak hem vervolgens nog twee maal, te weten in de borstkas en in de nek. Tussen het vallen van de agent en het in diens rug en de nek steken door verdachte zaten, zo verklaart de getuige [getuige 1], een paar seconden. Verdachte is vervolgens een paar meter van [slachtoffer] vandaan op een bankje gaan zitten.

Al aangenomen dat de eerste messteek in het gezicht, waardoor het slachtoffer op de grond viel, mogelijkerwijs in een opwelling heeft plaatsgevonden, dan geldt dat nog niet voor de twee steken daarna. Uit de gebeurtenissen, zoals hierboven weergegeven, blijkt dat verdachte nadat [slachtoffer] op de grond viel naar het op de grond liggende slachtoffer toe is gelopen, bij hem is gebukt en hem vervolgens nog twee maal heeft gestoken. Tussen het moment van de eerste steek en het twee maal steken daarna, was er voldoende afstand en heeft verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven en heeft hij gelegenheid gehad tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent de geestelijke toestand van verdachte geldt evenzeer bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van voorbedachten rade. Een en ander voert het hof tot de conclusie, dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Conclusie

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 januari 2009 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente

Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade, [slachtoffer] (brigadier van politie) van het leven

te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in het gezicht en de rug en de nek van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

 

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal sluit zich aan bij de conclusie van de gedragsdeskundigen drs. H.A. Gerritsen en prof. dr. J.J. Baneke dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafbare feit in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Hij moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging vindt ondersteuning voor dit standpunt in de rapportage van prof. dr. C. de Ruiter.

Oordeel hof

In eerste aanleg heeft verdachte niet mee willen meewerken aan onderzoek over zijn persoon en konden de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum in hun rapport van 23 juni 2009 daardoor geen uitspraak doen over (onder meer) de toerekeningsvatbaarheid. Begin 2010 is zijn proceshouding gewijzigd en heeft hij wel mee willen werken. Vervolgens zijn over verdachte door verschillende gedragsdeskundigen rapportages uitgebracht. In eerste instantie is over verdachte gerapporteerd door drs. H.A. Gerritsen (forenisch psychiater) en prof. dr. J.J. Baneke (klinisch & forensisch psycholoog).

Gerritsen heeft in zijn rapportage van 3 juli 2010 onder meer overwogen, zakelijk weergegeven:

Betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van een (geagiteerde) depressie en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een (zeer) ernstige persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische, maar ook ontwijkende trekken.

De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig en beïnvloedden betrokkenes gedragskeuzes/gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit mede verklaard kan worden. Er bestaat een sterke tot zeer sterke relatie tussen het ten laste gelegde feit, indien bewezen, en de psychopathologie. Betrokkene kan als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Baneke heeft in zijn rapportage van 7 juli 2010 onder meer overwogen, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. I.c. van een bipolaire stoornis met vooral depressieve kenmerken, met zowel suïcidale (zelfmoord) als homicidale (moord) dwanggedachten, een gemengde persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende, afhankelijke, paranoïde, schizoïde, oppositionele en dwangmatige trekken, en alcoholmisbruik langdurig in remissie. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en beïnvloedden, althans ten dele, betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde mede daaruit kan worden verklaard. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor een volledige afwezigheid van het vermogen bewust en/of intentioneel te handelen ten tijde van het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om betrokkene het tenlastegelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen.

Naar aanleiding van een door het hof toegewezen verzoek van de verdediging om contra-expertise hebben ook J.J.F.M. de Man (psychiater) en prof. dr. C. de Ruiter (klinisch en forensisch psycholoog) een rapport uitgebracht. Op verzoek van het hof hebben de eerder genoemde deskundigen Gerritsen en Baneke naar aanleiding van de rapportages van De Man en De Ruiter aanvullend gerapporteerd, in het bijzonder over de vraag naar een eventuele schemertoestand van verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit.

De Man heeft in zijn rapport van 16 november 2011 onder meer het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van een ernstige stemmingsstoornis van depressieve aard, welke is ontstaan in aansluiting op een periode van fors alcoholmisbruik en

-verslaving. Deze stoornis is classificatorisch te omschrijven als chronische psychotische depressie d.d. schizoaffectieve stoornis, depressief subtype en alcoholafhankelijkheid in remissie.

Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. De vraag of de stoornis betrokkens gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig hebben beïnvloed dat het tenlastegelegde mede daaruit kan worden verklaard, kan de rapporteur niet beantwoorden daar betrokkene aangeeft zich de strafrechtelijk relevante gebeurtenissen in het geheel niet te kunnen herinneren. Een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene wordt om die reden dan ook niet gegeven.

De Ruiter heeft op 31 oktober 2011 een rapport uitgebracht en daarin onder meer het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

Er is sprake van een depressieve stoornis met psychotische kenmerken. De stoornis was aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde mede daaruit kan worden verklaard. Dit gebeurde in zeer sterke mate. Geconcludeerd wordt dat betrokkene ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

Op 15 februari 2012 heeft Gerritsen aanvullend gerapporteerd en het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

De diagnostische bevindingen wijken in essentie niet af van die in het rapport van 2010. Wel is de depressie in ernst toegenomen. Er zijn nu tevens psychotische kenmerken (auditieve pseudohallucinaties en achterdocht) aanwezig. Er is nog steeds sprake van de ernstige persoonlijkheidsstoornis.

Aangezien betrokkene zich niets meer kan herinneren, is het al dan niet aanwezig zijn van een schemertoestand niet na te gaan. Het is niet zozeer de centrale vraag of betrokkene zich ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde in een schemertoestand bevond, maar of hij nog in enige mate invloed had op zijn handelen. Er kan namelijk niet gesteld worden dat een schemertoestand per definitie betekent dat een persoon geen enkele invloed (meer) heeft op zijn handelen. Rapporteur vindt het aannemelijk dat betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde in ieder geval wel leed aan een ernstige depressie en een ernstige persoonlijkheidsstoornis, die beiden van grote invloed waren op zijn handelen. Voor zover na te gaan was onderzochte niet psychotisch. Wel was er sprake van een enorme woededoorbraak. Rapporteur heeft ervoor gekozen om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen omdat er onvoldoende harde aanwijzingen zijn die leiden in de richting van het geen enkele invloed (meer) hebben gehad op het handelen door onderzochte. Rapporteur vermoedt dat betrokkene voorafgaand aan en tijdens het plegen van het ten laste gelegde nog wel enige (geringe) controle gehad heeft. Voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, had onderzochte al langere tijd agressieve gedachten en was hij – weliswaar vanuit zijn psychopathologie in de zin van een depressie en een persoonlijkheidsstoornis – voornemens om iemand neer te steken.

In zijn aanvullende rapportage van 15 januari 2012 blijft Baneke bij zijn eerdere conclusies. Voorts heeft hij het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

Er zijn wel diverse aanwijzingen, ook na het tenlastegelegde, die wijzen op een gestoorde geestestoestand van betrokkene, maar er zijn onvoldoende aanwijzingen om te kunnen spreken van een volstrekt ontbreken van bewustzijn of van het vermogen tot intentioneel handelen, bijvoorbeeld als gevolg van een psychotische stoornis.

Uit wat betrokkene heeft verteld over zijn gedachten/fantasieën om iemand te doden die een uniform draagt in de maanden voorafgaand aan het tenlastegelegde, kan men opmaken dat hij zich daarvan voldoende bewust was. Hierover is ook verslag gedaan in de stukken van Altrecht.

Ook in het aanvullend onderzoek kan betrokkene duidelijk aangeven hoe hij iemand neer wil steken, zonder dat dit voortkomt uit een evidente psychotische stoornis. Hij zegt zelf dat hij ‘ontzettend veel woede’ in zich heeft en dat hij zich niet voldoende begrepen voelt. Dat was ook het geval in Altrecht, maar ook thuis, en opnieuw in de huidige situatie. Kortom, betrokkene geeft zelf aan dat zijn woede en verongelijktheid de basis vormen en vormden voor zijn agressie.

Omdat in het onderzoek (zowel in 2010, als in 2011/2012) onvoldoende duidelijk is geworden waardoor het ‘zwarte gat’ verklaard kan worden, en rekening gehouden moet worden met verschillende mogelijke verklaringen, kan niet meer gezegd worden over de relatie tussen betrokkenes toenmalige psychische stoornissen en het tenlastegelegde dan reeds is beschreven.

De term ‘schemertoestand’ geeft misschien aan waar sprake van is geweest: ‘schemer’ betekent dat geen sprake is geweest van volledige afwezigheid van ‘licht’/bewustzijn.

Uit het bovenstaande blijkt, zoals ook in het aanvullende rapport van Gerritsen is overwogen, dat voor wat betreft de diagnostische bevindingen alle rapporteurs het erover eens zijn dat er bij verdachte sprake is van een ernstige depressie met randpsychotische (Baneke en Gerritsen) of psychotische (De Man en De Ruiter) kenmerken. De verschillen in de conclusies van de rapporteurs en de wijze waarop zij het ziektebeeld van verdachte beschrijven zijn marginaal.

Alle rapporteurs, met uitzondering van De Man, doen een uitspraak over de relatie tussen het tenlastegelegde en de stoornis. Verschil zit er wel in de conclusie over de mate van toerekenbaarheid aan verdachte.

Baneke en Gerritsen komen tot de conclusie dat sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, De Man doet er geen uitspraak over en De Ruiter concludeert tot ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof heeft, na van alle rapportages kennis te hebben genomen, bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte in het bijzonder acht geslagen op de conclusies van de gedragsdeskundigen Gerritsen en Baneke. Het hof acht deze conclusies inzichtelijk, consistent en goed gemotiveerd, dit in tegenstelling tot de conclusie van De Ruiter. Zij komt na haar oordeel dat er een zeer sterk verband is tussen het tenlastegelegde en de stoornis, ongemotiveerd tot de conclusie dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

Het hof neemt voormelde conclusies van Gerritsen en Baneke over en maakt deze tot de zijne. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde feit de verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Voorwaardelijk verzoek raadsman tot het horen van deskundigen

Verzoek raadsman

Indien het hof tot het oordeel komt dat er sprake is van enige toerekeningsvatbaarheid bij verdachte wenst de verdediging de deskundigen De Ruiter en De Man te horen. De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek als volgt gemotiveerd:

Normaal gesproken wordt er door de deskundigen overleg gevoerd en wordt er in de rapporten op elkaars conclusies en standpunten gereageerd. Dat is hier niet gebeurd. Omdat de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid verschillen van opvatting, wil de raadsman graag de reactie van de deskundigen op elkaars standpunt horen.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van oordeel dat het voorwaardelijke verzoek dient te worden afgewezen, nu de conclusies van de deskundigen weliswaar uiteenlopen maar helder, logisch en consistent zijn. Er zijn dan ook geen redenen om deze deskundigen ter zitting nadere vragen te stellen.

Oordeel hof

Het hof zal het voorwaardelijke verzoek om de deskundigen De Ruiter en De Man te horen afwijzen nu de eventuele reacties van de deskundigen De Ruiter en de Man op elkaars rapportage niet van belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing in deze zaak. Immers, De Man heeft/geeft, zoals hiervoor weergegeven, geen oordeel over de toerekeningsvatbaarheid en het hof vermag daarom niet in te zien waarom zijn eventuele reactie op de conclusie van De Ruiter van invloed zou kunnen zijn op het oordeel van het hof over die toerekeningsvatbaarheid. Dat geldt evenzeer voor de mening van De Ruiter over de conclusie van De Man.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Strafoplegging rechtbank

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. De officier van justitie had oplegging van een gevangenisstraf van18 jaar geëist.

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en dat daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Standpunt raadsman

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 16 augustus 2012 het hof in overweging gegeven om verdachte te plaatsen in een forensisch psychiatrische kliniek, nu spoedige behandeling van verdachte noodzakelijk lijkt en het de verwachting is dat hij daar eerder aan een behandeling kan beginnen dan wanneer de maatregel van terbeschikkingstelling zou worden opgelegd. Voor zover de terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd, meent de raadsman dat deze maatregel zo spoedig mogelijk een aanvang moet hebben. Van het daarnaast opleggen van een langdurige gevangenisstraf moet daarom worden afgezien. Volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zodat de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling zo spoedig mogelijk aan kan vangen.

De raadsman heeft voorts nog twee strafverminderende omstandigheden aangedragen, te weten (1) het feit dat verdachte in het verleden meermalen een hulpvraag heeft geuit maar dat de hulpverlening ten aanzien van verdachte volledig heeft gefaald en (2) het feit dat indien de politie op de gebruikelijke wijze en beter voorbereid, dat wil zeggen met een crisisteam of arrestatieteam, de verdachte zou hebben benaderd, het voorval niet zou hebben plaatsgevonden.

Oordeel hof

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 25 januari 2009 heeft verdachte geprobeerd om brigadier van politie [slachtoffer] te vermoorden.

[Slachtoffer], die in de veronderstelling verkeerde dat verdachte zelfmoord wilde plegen op het station Driebergen-Zeist, heeft de verdachte in het kader van hulpverlening aangesproken.

Verdachte heeft hierop, op klaarlichte dag en in het bijzijn van omstanders, [slachtoffer] met een mes in het gezicht gestoken en vervolgens in de borstkas en de nek. Daarna, terwijl [slachtoffer] zwaar gewond op het perron lag, is verdachte op een bankje enkele meters verwijderd van het slachtoffer gaan zitten.

De door verdachte toegebrachte messteken hebben voor het slachtoffer enorme lichamelijke gevolgen gehad. De steekverwonding in de nek heeft geresulteerd in een dwarslaesie waardoor hij vanaf zijn nek is verlamd. Hierin is geen verbetering mogelijk. Hij kan de Algemene Dagelijkse Levensverrichting-functies niet uitvoeren en is volledig rolstoelafhankelijk.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] van 30 juni 2009 en zijn aanvullende slachtofferverklaring blijkt dat hij dagelijks veel last heeft van spasmen en zenuwpijn. Daarnaast heeft het gebeuren grote psychische en financiële gevolgen gehad voor het slachtoffer en zijn familie.

Door zijn handelen heeft verdachte blijk gegeven van ernstig gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Aan het toen slechts 47-jarige slachtoffer, zijn echtgenote, kinderen en verdere familie en vrienden is onpeilbaar leed toegebracht. Dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane schade zullen zij de rest van hun leven moeten ervaren. Door feiten als het onderhavige worden niet alleen het slachtoffer en zijn directe omgeving, maar wordt ook de rechtsorde op ernstige wijze geschokt en worden gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Moord behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en een poging daartoe met zodanige gevolgen als in de onderhavige zaak, is welhaast even ernstig. Het hof neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij een politieambtenaar in functie heeft aangevallen die verdachte enkel wilde helpen.

Uit alle hiervoor genoemde rapportages blijkt dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Baneke en Gerritsen concluderen dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd, welke conclusie door het hof is overgenomen en tot de zijne is gemaakt.

Zoals hiervoor reeds vermeld zijn omtrent verdachte door verschillende gedragsdeskundigen rapportages uitgebracht. Het hof heeft van alle kennisgenomen. Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft het hof gelet op de volgende conclusies in deze rapportages.

Gerritsen heeft in zijn rapportage van 2 juli 2010 overwogen, zakelijk weergegeven:

De kans op herhaling van het ten laste gelegde feit is evident verhoogd. Onderzochte heeft dringend intensieve en langdurige klinische behandeling nodig om de kans op herhaling substantieel te verminderen. Deze behandeling moet gericht worden op zowel zijn depressie en de (zeer) ernstige persoonlijkheisstoornis. Gezien deze (zeer) ernstige psychopathologie, de (zeer) sterke neiging van onderzochte om bij tegenslag op te geven (en dus ook te stoppen met behandeling) en zijn langdurige weigering om deel te nemen aan de procesgang, is klinische behandeling de beste en tevens enige manier om betrokkene succesvol te behandelen. Gezien de ernst van het tenlastegelegde, de ernstige psychopathologie en het evidente verband tussen het ten laste gelegde en de psychopathologie en het verhoogde recidiverisico wordt geadviseerd om betrokkene een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

In zijn aanvullende rapport van 25 februari 2012 blijft Gerritsen bij dit standpunt.

Baneke heeft in zijn rapportage van 7 juli 2010, het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

De combinatie van de bij betrokkene geconstateerde stoornissen, met name het onvermogen bij zijn eigen emoties te komen en daarover te spreken of anderszins openheid te geven, en het risico op uitageren van onderliggende spanningen, vormen een groot risico op herhaling.

Geadviseerd wordt tot ter beschikking stelling met dwangverpleging.

In zijn aanvullende rapport blijft Baneke bij de conclusie dat niet anders dan ter beschikking stelling met verpleging wordt geadviseerd.

De Man heeft in zijn rapport van 16 november 2011 het volgende geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

Betrokkene behoeft intensieve psychiatrische en klinisch psychologische behandeling, welke behoudens op herstel en waar dit niet mogelijk is beheersing van psychopathologie gericht dient te zijn op maximale beveiliging. Dit geldt zowel in een situatie waarin betrokkenes vrijheid hem ontnomen blijft als in de omstandigheid dat het te zijner tijd verantwoord wordt geacht hem in de samenleving te doen terugkeren. Hierbij past slechts een advies, te weten het opleggen van de maatregel ter beschikking stelling met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Ook De Ruiter komt in haar rapport van 31 oktober 2011 tot de conclusie dat:

Gezien de ernst van de geconstateerde psychopathologie, die ook nu binnen het PPC nog steeds bij periodes floride aanwezig is, de [verdachte] nog langdurig aangewezen zal zijn op intensieve psychiatrische zorg. Omdat er een zeer sterk verband is tussen zijn psychische stoornis en het risico van gewelddadig gedrag, dient deze behandeling in een gedwongen kader plaats te vinden. Een ter beschikking stelling met dwangverpleging lijkt daarbij noodzakelijk, omdat het gezien het huidige toekomstbeeld niet in de verwachting ligt dat binnen afzienbare tijd overgaan kan worden op behandeling in ambulant kader, zoals bij een ter beschikking stelling met voorwaarden.

Gelet op het bovenstaande zal het hof bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, nu het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Het hof zal daarbij bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, omdat, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen deze verpleging eist.

Het hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Ten aanzien van de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, zoals voorgesteld door de raadsman, heeft gedragsdeskundige Gerritsen in zijn aanvullende rapportage overwogen dat dit niet in de rede ligt vanwege de (zeer) ernstige psychopathologie, het ongunstige beloop van de psychopathologie tot nu toe en het grote tot zeer grote recidivegevaar, ook binnen de muren van de instelling. Hij wil met klem het gevaar benadrukken dat ook autoriteiten en medewerkers binnen een instelling met betrokkene lopen. Er is daarom een hoog beveiligingsniveau en een hoog zorgniveau voor onderzochte noodzakelijk.

Gelet op deze conclusie is het hof van oordeel dat een dergelijke maatregel niet in aanmerking komt.

Daarnaast acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaar passend en geboden.

Het opleggen van deze onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en de maatregel van tbs met dwangverpleging doet naar het oordeel van het hof enerzijds recht aan de grote ernst van het feit en houdt anderzijds rekening met de bijzondere problematiek van betrokkene.

Ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde strafverminderingsgronden overweegt het hof het volgende.

Mogelijk is er niet adequaat gereageerd op de eerdere hulpvraag van verdachte. Dit doet echter niet af aan de strafwaardigheid en de ernst van het handelen van verdachte en is geen grond voor strafvermindering. Bovendien is de geestestoestand van verdachte door het hof voldoende betrokken in de hoogte van de op te leggen straf.

Het standpunt van de verdediging dat de politie niet adequaat heeft gehandeld wordt door het hof niet gedeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verstaat dat de terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.I.M.W. Bartelds en mr R.H. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 30 augustus 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

(1)- In de hierna te melden bewijsmiddelen (onder 2, 5, 6 en 10) wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337, gesloten en getekend op 27 januari 2009 door [verbalisant 1], brigadier van politie (opgenomen in de ordner ‘Station’, pag. 1-107).

- In het hierna te melden bewijsmiddel (onder 4) wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337A, gesloten en getekend op 3 februari 2009 door [verbalisant 1], brigadier van politie (opgenomen in de ordner ‘Station’, pag. 108-237).

(2) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant (pagina 25-26 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337).

(3) Het in voetnoot 1. genoemde proces-verbaal van 27 januari 2009, p. 03.

(4) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (pagina 127 e.v. i.h.b. pag. 128 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337A).

(5) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (pag. 27-29 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337).

(6) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding (pag. 18-19 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337).

(7) Het proces-verbaal van verhoor van getuige opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht d.d. 27 februari 2009, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

(8) Het proces-verbaal van verhoor van getuige opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht d.d. 7 juni 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

(9)Het proces-verbaal van verhoor van getuige opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Utrecht d.d. 7 juni 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 2].

(10) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] (pag. 60-61 van het proces-verbaal, dossiernummer PL0900/09-001337).

(11) Het in de wettelijke vorm opgemaakte samenvattend proces-verbaal forensisch onderzoek, genummerd PL0920/09-024907 gesloten en getekend op 23 februari 2009 door [verbalisant 2], inspecteur van politie, forensisch coördinator (opgenomen in de ordner ‘Station’ na het proces-verbaal dossiernummer PL0950-09-001337B van politie Regio Utrecht).

(12) Het deskundigenrapport, genummerd 2009.02.12.121, opgemaakt door drs. A.J. Meulenbroek, werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 6 mei 2009.

(13) Het deskundigenrapport, genummerd 2009.02.12.121, opgemaakt door H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts, werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 1 juli 2009.

(14) Baneke, rapportage van 15 januari 2012, pag. 31-32.

(15) Gerritsen, rapportage van 15 februari 2012, pag. 31.