Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX6081

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
11-00623
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Schenking aan zoon vormt geen aftrekbare gift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/2283 met annotatie van vanArnhem
FutD 2012-2212
V-N Vandaag 2012/2069
V-N 2012/56.21.4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00623

uitspraakdatum: 21 augustus 2012

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

WIJLEN X TE Z (hierna: erflaatster)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 26 juli 2011, nummer AWB 10/3674, in het geding tussen erflaatster en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan erflaatster is over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.507. Daarbij is voorts een vergrijpboete aan erflaatster opgelegd van € 551 en is haar heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 203.

1.2. Het bezwaar van erflaatster tegen de navorderingsaanslag en beschikkingen is door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Het door erflaatster tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar alsmede de boetebeschikking vernietigd en de navorderingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.4. Namens erflaatster is tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoort, naast voormelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 9 augustus 2012 te Arnhem. Aldaar is de Inspecteur verschenen en gehoord. A, de vertegenwoordiger van erflaatster, is zonder kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen. De aan genoemde Verhoeven op 19 juni 2012 aangetekend – naar het opgegeven adres a-straat 1 te Z – verzonden uitnodiging voor de zitting van 9 augustus 2012 om 10.00 uur is blijkens een tot de gedingstukken behorend afschrift ‘Detailpagina zending’ van tracktrace.postnlpakketten.nl op 20 juni 2012 op het adres a-straat 1 te Z afgeleverd.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1 Erflaatster heeft op 11 februari 2006 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/premie VV) gedaan voor het jaar 2005. De aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.305. Daarbij is een bedrag van

€ 3.000 (€ 750 per kwartaal) in aanmerking genomen ter zake van kosten voor levensonderhoud van haar op 12 februari 1983 geboren zoon AX (hierna: de zoon). Voorts is in de aangifte aanspraak gemaakt op giftenaftrek ten bedrage van in totaal

€ 3.202. In de aangifte is dit bedrag als volgt gespecificeerd.

“legeskosten schoondochter kleinkinderen € 1.206

- vliegtickets manila om daar mvv aan te vragen € 1.996”

2.2 De zoon is gehuwd met een Filippijnse vrouw. Zij hebben drie kinderen.

2.3 Bij het vaststellen van de primitieve aanslag IB/premie VV 2005 heeft de Inspecteur de aangifte van erflaatster gevolgd. Nadien heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat erflaatster ten onrechte giftenaftrek heeft genoten. In verband hiermee heeft hij de onderhavige – op 18 mei 2010 gedagtekende – navorderingsaanslag aan erflaatster opgelegd. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 13.507. Daarbij is voorts een vergrijpboete aan erflaatster opgelegd van € 551 en is haar een bedrag van € 203 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.4 Erflaatster heeft hiertegen op 8 juli 2010 bezwaar aangetekend.

2.5 Erflaatster is op 6 augustus 2010 overleden.

2.6 De Inspecteur heeft op 3 september 2010 het bezwaar van erflaatster niet-ontvankelijk verklaard.

2.7. Hiertegen heeft A, de partner van erflaatster, beroep bij de Rechtbank ingesteld. Hangende het beroep heeft de Inspecteur ambtshalve de aan erflaatster opgelegde vergrijpboete vernietigd vanwege het overlijden van erflaatster. De Rechtbank heeft het beroep van erflaatster gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar alsmede de vergrijpboete vernietigd en de navorderingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd. De Rechtbank heeft daarbij onder meer geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat erflaatster met het buiten de wettelijke termijn indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

2.8. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft A namens erflaatster hoger beroep ingesteld.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of erflaatster recht heeft op giftenaftrek ten bedrage van

€ 3.202. Erflaatster beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Erflaatster concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslag en kennelijk van de beschikking inzake de heffingsrente.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Door of namens erflaatster is gesteld dat het bedrag van € 3.202 een schenking betreft aan het gezin van de zoon. Het bedrag is geschonken met het oog op de door dat gezin te maken kosten voor het verkrijgen van verblijfsvergunningen (vliegtickets en procedurekosten).

4.2. De Wet inkomstenbelasting 2001 (afdeling 6.9) voorziet niet erin dat giften aan natuurlijke personen in aftrek kunnen worden gebracht. De Inspecteur heeft derhalve, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, terecht de door erflaatster geclaimde giftenaftrek geweigerd. De omstandigheid dat de Successiewet 1956 (tekst 2005) in een vrijstelling voor het recht van schenking voorziet terzake van een verkrijging door een kind van zijn ouders, doet hieraan niet af.

4.3. In zoverre belanghebbendes grief aldus moet worden begrepen dat naast het reeds in aanmerking genomen bedrag van € 3.000, een deel van het bedrag van € 3.202 als uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in de zin van de artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking kan worden genomen, faalt deze grief. Niet gebleken is immers dat belanghebbende voldoet aan de voor deze aftrek geldende wettelijke vereisten.

4.4. De onderhavige navorderingsaanslag is terecht aan erflaatster opgelegd. Hetgeen overigens namens erflaatster is aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.5. Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. In aanmerking genomen dat de tegen de navorderingsaanslag gerichte klachten van erflaatster falen en namens haar tegen de in rekening gebrachte heffingsrente geen zelfstandige grieven zijn aangevoerd, faalt het hoger beroep van erflaatster ook in zoverre.

Slotsom

Het hoger beroep van erflaatster is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. A.J.H. van Suilen in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2012.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.