Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX5902

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
200.080.730
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2010:BM8675, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing verbruggingsregeling uit polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/105

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.080.730

(zaaknummer rechtbank 107570)

arrest van de eerste kamer van 21 augustus 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,

tegen:

de onderlinge waarborgmaatschappij

Onderlinge Waarborg Maatschappij Achterhoek U.A.,

gevestigd te Aalten,

geïntimeerde,

hierna: OWM,

advocaat: mr. C.G.M.J. van Kreij.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 3 februari 2010 en 2 juni 2010, die de rechtbank Zutphen tussen appellant als eiser in conventie/verweerder in (voorwaardelijke) reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie/eiseres in (voorwaardelijke) reconventie heeft gewezen. Het laatste vonnis is gepubliceerd onder LJN: BM8675.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 september 2010,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- de akte houdende uitlating producties.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 2 juni 2010 onder 2.1 tot en met 2.8 heeft vastgesteld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. Op 7 mei 2006 is een boerderijgebouw van [appellant] door brand verloren gegaan. [appellant] is bij OWM onder één polis voor, onder meer, het boerderijgebouw, een kapschuur en ligboxenstal verzekerd tegen brandschade, met als verzekerde bedragen respectievelijk € 330.300,00, € 63.950,00 en € 387.200,00. Op 16 mei 2006 zijn bij "akte benoeming van experts" Coolen Expertise B.V. (hierna: Coolen) als expert van [appellant] en Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) als expert van OWM benoemd (hierna: akte van benoeming). In een door Lengkeek en Coolen opgestelde "akte van taxatie" van 6 juli 2006 is voor het boerderijgebouw een schadebedrag van minimaal € 330.300,00 op basis van herbouw vastgesteld (hierna: akte van taxatie). Door Lengkeek is aan OWM een rapport van 27 juli 2006 ("Definitief expertiserapport") uitgebracht, waarin als schade voor de opstal op basis van herbouwwaarde hetzelfde bedrag is vermeld. Onder het kopje "Verzekerde som(men)" is in dat rapport opgenomen dat de verzekerde sommen met betrekking tot de -eveneens door de brand verloren gegane - landbouwinventaris en landbouwgewassen niet voldoende bleken te zijn. Tevens is vermeld "De overige verzekerde sommen achten wij als zijnde toereikend".

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, onder verwijzing naar de verbruggingsregeling uit de toepasselijke algemene voorwaarden (artikel 7 lid 3: "Indien sommige objecten te laag en andere te hoog verzekerd zijn, volgens dezelfde condities en op hetzelfde risicoadres, zullen de overschotten ten goede komen aan de te laag verzekerde objecten, waarbij zonodig rekening wordt gehouden met de respectievelijke premienoteringen.") betaling gevorderd van OWM van een bedrag van € 154.009,00 in verband met onderverzekering van het boerderijgebouw en oververzekering van de kapschuur en ligboxenstal en van een bedrag van € 2.842,00 aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Met het oordeel dat verbrugging niet mogelijk is, is de rechtbank niet toegekomen aan de beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering.

4.2 Na het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor ingediend. Het hof heeft bij beschikking van 25 januari 2011 (zaaknummer 200.075.591; LJN: BP3639) bepaald dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden teneinde [appellant] in staat te stellen te bewijzen dat OWM verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid, waaruit volgt dat er tijdens de taxatie door de experts geen aandacht is besteed aan de verbruggingsregeling en dat er buiten het boerderijgebouw geen andere objecten zijn getaxeerd tijdens de taxatie in 2006. Op 12 en 17 mei 2011 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. Hierbij zijn gehoord: J.L.T.M. Paymans, en K. Coolen, beiden schade-expert bij Coolen, B. Doornweerd, directeur van OWM, P.C. de Raad en J.H.G. Leussink, beiden schade-expert bij Lengkeek, en [appellant].

4.3 In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd in die zin dat hij, samengevat, thans geen betaling meer vordert van € 154.009,00, maar vordert om OWM te veroordelen tot betaling van een bedrag dat moet worden bepaald door een door OWM aan te wijzen deskundige-taxateur en door een door [appellant] aan te wijzen taxateur, zijnde Coolen, die binnen het kader van de polisvoorwaarden de herbouwwaarde van de kapschuur en ligboxenstal dienen vast te stellen. Op grond hiervan dient de daaruit voortvloeiende waarde van de oververzekering met toepassing van de verbruggingsregeling aan [appellant] te worden vergoed, met dien verstande dat deze schadevergoeding niet hoger zal zijn dan de door [appellant] daadwerkelijk geleden schade als gevolg van de brand op 7 mei 2006.

4.4 [appellant] heeft tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 7.3 tot en met 7.6 uit het bestreden vonnis één grief gericht. In de toelichting op die grief voert [appellant], samengevat, aan dat hij, anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen, niet heeft gesteld dat de waardevaststelling door (beide) taxateurs onjuist zou zijn, maar dat de taxateurs hun opdracht niet hebben opgevat als een opdracht tot het vaststellen van de waarde van alle verzekerde objecten die op het polisblad staan vermeld en slechts de waarde hebben vastgesteld van het boerderijgebouw. [appellant] stelt dat als de taxateurs wel de waarde van de overige objecten, met name van de kapschuur en ligboxenstal hadden vastgesteld, zij hiervan melding hadden moeten maken in de akte van taxatie. In de akte van benoeming van experts is immers voorgeschreven dat zij de waarde van de verzekerde zaken onmiddellijk voor en na het voorval vermelden, alsmede de herstelkosten onmiddellijk na het voorval van die zaken die voor herstel vatbaar zijn. In de akte van taxatie is de waarde van de kapschuur en ligboxenstal niet opgenomen. Volgens [appellant] blijkt uit de verklaringen van Paymans en Coolen, gedaan in het kader van het voorlopig getuigenverhoor, dat voor het opmaken van de akte van taxatie de overige objecten niet zijn gewaardeerd. Uit de verklaringen van De Raad en Leussink blijkt, volgens [appellant], dat - voor zover al sprake zou zijn van een waardevaststelling - zij niet op een serieus te nemen wijze de waarde hebben vastgesteld van de kapschuur en ligboxenstal. Ook in het door Lengkeek opgemaakte "definitief expertiserapport" zijn geen waarden opgenomen van de kapschuur en ligboxenstal. [appellant] tekent hierbij aan dat hij bovendien niet gebonden wenst te worden aan het definitief expertiserapport, nu dit een eenzijdig opgemaakt partijrapport betreft. OWM heeft de stellingen van [appellant] betwist.

4.5 OWM heeft een beroep op verjaring gedaan. Het hof stelt vast dat OWM niet heeft gesteld wanneer de in artikel 7:942 lid 1 BW bedoelde verjaring is aangevangen. Daarmee heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan, zodat het beroep op verjaring moet worden verworpen.

4.6 OWM heeft voorts een beroep gedaan op artikel 6:89 BW. OWM heeft in dit kader aangevoerd dat [appellant] in 2007 reeds offertes heeft aangevraagd voor het vernieuwen van de bovenbouw van de ligboxenstal en de kapschuur. Uit de offertes van 5 oktober 2007 bleek, zoals door [appellant] in eerste aanleg is betoogd, dat de kapschuur en ligboxenstal mogelijk oververzekerd zouden kunnen zijn. Niettemin heeft [appellant] tot mei 2009 gewacht om te klagen over het feit dat volgens hem OWM een te lage uitkering heeft gedaan met het oog op de verbruggingsregeling (brief van 6 mei 2009 van de advocaat van [appellant]), terwijl OWM bij brief van 15 april 2008 aan [appellant] had bericht dat wat haar betreft het schadedossier wordt gesloten.

4.7 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6:89 BW de schuldeiser geen beroep op een gebrek in de prestatie meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De vraag of het protest binnen bekwame tijd is geschied, dient te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2011 (LJN: BP8991) volgt dat bij deze beoordeling in belangrijke mate mede bepalend is in hoeverre de belangen van de schuldenaar al dan niet zijn geschaad. Als diens belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten. In dit verband kan de aard en de ernst van de tekortkoming meebrengen dat een nalatigheid van de schuldeiser hem niet kan worden tegengeworpen.

4.8 Het hof stelt vast dat niet gesteld of gebleken is dat, en op welke wijze de belangen van OWM zijn geschaad met een melding op 6 mei 2009 namens [appellant] dat OWM ten onrechte de verbruggingsregeling niet heeft toegepast. Niet in geschil is dat [appellant] een belang heeft om antwoord te verkrijgen op de vraag of de verbruggingsregeling van toepassing is, waardoor hem mogelijk een hogere uitkering toekomt. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht volgt dat na de brand de aandacht in hoofdzaak gericht is geweest op de afwikkeling van de schade aan het boerderijgebouw. [appellant] heeft aanvankelijk op grond van offertes uit 2007 inzake de nieuwbouw van de kapschuur en ligboxenstal gemeend een beroep te kunnen doen op de verbruggingsregeling. OWM heeft aangevoerd dat het vaststellen of de verbruggingsregeling van toepassing is, louter kan geschieden op grond van een in de polisvoorwaarden voorgeschreven taxatie en niet op grond van offertes. Kennelijk is een en ander aanleiding geweest voor OWM om in 2009 via "taxatie op tarieven uit 2006" de kosten van de herbouw van de kapschuur en ligboxenstal te berekenen (productie 7 en 8 bij conclusie van antwoord). Volgens deze taxaties ontlopen de kosten van herbouw en de verzekerde waarden elkaar nauwelijks. Nu het voor OWM niet op bezwaren stuitte om in 2009 de kapschuur en ligboxenstal naar de waarde van 2006 te taxeren, had het op de weg van OWM gelegen om aan te voeren waarom desondanks haar belangen door de melding van [appellant] in 2009 zijn geschaad. Het hof is dan ook van oordeel dat onder die omstandigheden enige nalatigheid van [appellant] in het doen van een tijdiger beroep op de verbruggingsregeling hem niet kan worden tegengeworpen.

4.9 Het belangrijkste bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing door OWM van zijn beroep op een nadere uitkering op grond van de verbruggingsregeling uit de polisvoorwaarden is, dat uit de akte van benoeming en de akte van taxatie niet blijkt dat bij de opdracht en uitvoering van de taxatie rekening is gehouden met de verbruggingsregeling.

Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat op grond van de polisvoorwaarden een verbruggingsregeling van toepassing kan zijn op de verzekerde objecten van [appellant] die wel en die niet door brand verloren zijn gegaan. Het hof stelt voorts vast dat OWM heeft erkend dat de kapschuur en ligboxenstal niet zijn getaxeerd en hun waarden ook niet zijn weergegeven in de akte van taxatie (memorie van antwoord onder 22).

4.10 Niet in geschil is dat de akte van benoeming, in overeenstemming met de polisvoorwaarden (artikel 5), als bewijsovereenkomst moet worden beschouwd ten aanzien van de grootte van de schade. Onder 1 van de akte van benoeming is bepaald dat als uitsluitend bewijs hiervan een taxatie door "ondergetekende experts", zijnde Lengkeek en Coolen, zal gelden. OWM heeft bovendien zelf aangevoerd dat bepaling of de verbruggingsregeling van toepassing is, louter kan geschieden op grond van een in de polisvoorwaarden voorgeschreven taxatie. Dit ligt ook voor de hand omdat zonder waardevaststelling van de objecten die voor toepassing van de verbruggingsregeling relevant kunnen zijn, bezwaarlijk de grootte van de uitkering op grond van de verbruggingsregeling kan worden vastgesteld.

In de akte van taxatie is opgenomen dat die akte geen vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. BW is en dat de taxatie geschiedt onder voorbehoud van de rechten die de verzekeraar aan de polisvoorwaarden kan ontlenen. Dat wil zeggen dat uit de akte van benoeming volgt dat de taxatie als uitsluitend bewijs heeft te gelden voor de grootte van de schade en dat de rechten die de verzekeraar kan ontlenen aan de polisvoorwaarden worden voorbehouden. Ook dit laatste ligt voor de hand omdat op die wijze kan worden voorkomen dat de verzekerde louter op grond van de akte van taxatie een beroep kan doen op uitkering van het daarin vermelde bedrag, zonder dat met andere aspecten van de polisvoorwaarden, zoals de verbruggingsregeling, rekening kan worden gehouden.

4.11 Het hof is van oordeel dat OWM de stelling van [appellant] dat de taxatie onvolledig is omdat geen rekening is gehouden met de waarde van de andere opstallen in verband met de verbrugging, onvoldoende heeft weerlegd. De door OWM aangevoerde omstandigheden dat uit de mededelingen van de experts van Lengkeek blijkt dat wel aan de verbruggingsregeling is gedacht en dat het onvoorstelbaar zou zijn dat een toepassing van de verbruggingsregeling bij de taxatie niet is meegewogen, gezien ook de goede naam van Coolen in de expertmarkt, zijn daartoe onvoldoende. Voorts moge het zo zijn dat van aanvang aan tussen partijen niet in debat was dat het boerderijgebouw onderverzekerd was, maar dit staat los van het antwoord op de vraag of de benoemde experts de waarde van de kapschuur en ligboxenstal hebben vastgesteld, hetgeen - zoals OWM heeft beaamd - niet het geval is geweest. Zelfs indien aangenomen wordt dat niet alleen de experts van Lengkeek maar ook die van Coolen, hetgeen door [appellant] wordt betwist en overigens ook niet zonder meer volgt uit de getuigenverklaringen van Paymans en Coolen, rekening hebben gehouden met de verbruggingsregeling, dan blijkt dit niet uit de akte van taxatie. In de akte van taxatie is immers uitsluitend opgenomen dat object 1 (het boerderijgebouw) een waarde heeft voor het evenement van minimaal € 330.000,00, die na het evenement nihil is, zodat het schadebedrag uitkomt op € 330.000,00, hetgeen gelijk is aan de verzekerde som. Evenmin kan een aanknopingspunt worden gevonden in de bewering van OWM dat zij er wel mee kan leven als niet alle waarden worden vermeld wanneer dat niet aan de orde is, nu OWM tegelijkertijd heeft aangevoerd dat het meenemen van alle waarden en het kijken of verbrugging mogelijk is "zonder meer tot de taak van de taxateurs behoort, althans het zichtbaar maken daarvan" (memorie van antwoord onder 41). Aan de stellingen van OWM inzake het definitieve expertiserapport gaat het hof voorbij, nu OWM erkent dat het definitieve expertiserapport, opgesteld door Lengkeek, geen zelfstandige betekenis heeft, niet bindend voor [appellant] is en dat [appellant] alleen is gebonden aan de akte van benoeming en de akte van taxatie (memorie van antwoord onder 25 en 26).

Ook de stelling van OWM dat uit de taxaties (uit 2009) van de kapschuur en ligboxenstal volgt dat de kapschuur onderverzekerd was en de ligboxenstal een geringe oververzekering liet zien, kan haar niet baten. Niet gesteld of gebleken is immers dat deze taxaties zijn uitgevoerd door de bij de akte van benoeming aangestelde experts, zodat die taxaties ook niet als bindend bewijs tussen partijen kunnen dienen, terwijl [appellant] overigens de hoogte van die taxaties heeft betwist. Op grond van het voorgaande slaagt de grief. OWM heeft bewijs van haar stellingen aangeboden. Het hof gaat daaraan voorbij, nu OWM geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.12 Uit de eiswijziging in hoger beroep volgt dat [appellant] thans veroordeling van OWM vordert om uitvoering te geven aan de tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst, meer in het bijzonder om OWM te veroordelen om de herbouwwaarde van de kapschuur en ligboxenstal vast te (doen) stellen en daartoe opdracht te geven aan een de door OWM aan te wijzen deskundige-taxateur alsmede aan de door [appellant] aangewezen taxateur (Coolen), waarbij de kosten van taxateurs op de voet van artikel 5 lid 6 van de polisvoorwaarden door OWM worden betaald, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 150.000,00, indien niet binnen 60 dagen na betekening aan de veroordeling is voldaan.

Het hof stelt vast OWM deze vordering verder uitsluitend heeft betwist voor zover het de oplegging van een dwangsom betreft (memorie van antwoord onder 33). Het hof constateert dat OWM de betwisting van het opleggen van een dwangsom niet heeft onderbouwd. Het hof zal, gelet op de discretionaire bevoegdheid die het op grond van artikel 611a Rv heeft, een dwangsom opleggen van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00 indien niet binnen 60 dagen na betekening aan de veroordeling is voldaan.

4.13 Voorts zal het hof de vordering toewijzen dat OWM aan [appellant] zal vergoeden de door hem op 7 mei 2006 geleden brandschade met toepassing van de verbruggingsregeling uit artikel 7 lid 3 van de polisvoorwaarden. Het hof zal niet in het dictum opnemen, zoals door [appellant] is gevorderd, dat de aan [appellant] verschuldigde schade-uitkering wordt verhoogd met het bedrag ter grootte van de oververzekering van de kapschuur en ligboxenstal, welke vergoeding niet hoger zal zijn dan de door [appellant] daadwerkelijk geleden brandschade. De toepassing van de verbruggingsregeling beperkt zich immers daartoe niet alleen, nu mogelijk ook rekening moet worden gehouden met de respectievelijke premienoteringen.

Het hof merkt hierbij op dat indien uit de aanvullende taxaties blijkt dat de kapschuur en ligboxenstal oververzekerd zijn, het van belang is om de herbouwwaarde van het boerderijgebouw zelf alsnog vast te stellen (dus anders dan "minimaal").

4.14 In verband met het slagen van de grief dient het hof in het kader van devolutieve werking van het appel na te gaan welke stellingen en weren OWM in prima naar voren heeft gebracht, die de rechtbank heeft verworpen of onbesproken heeft gelaten. Dit is het geval ten aanzien van de voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie.

Het hof begrijpt hetgeen OWM in punt 25 van de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in voorwaardelijke reconventie heeft gevorderd, in samenhang gelezen met hetgeen OWM in punt 33 van de memorie van antwoord heeft aangevoerd, als volgt. In punt 33 van de memorie van antwoord vermeldt OWM dat zij de eiswijziging in hoger beroep van [appellant] opvat in die zin dat [appellant] "zich min of meer conformeert aan de vordering in voorwaardelijke reconventie in eerste aanleg", zij het dat OWM zich niet kan verenigen met de dwangsom. Hierover heeft het hof hiervoor beslist.

In genoemd punt van de memorie van antwoord heeft OWM tevens aangegeven, dat, samengevat, in het geval de vorderingen van [appellant] hem niet worden ontzegd, zij zich wel kan vinden dat de in de akte van benoeming van experts genoemde taxateurs uitsluitend bevoegd zijn de schade en de uit te keren bedragen vast te stellen, een en ander conform de akte van benoeming.

Het hof is van oordeel dat uit de toewijzing van de vordering van [appellant] dat OWM uitvoering dient te geven aan de tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst door, kort gezegd, vaststelling van de herbouwwaarden door een door OWM aan te wijzen taxateur en de door [appellant] aangewezen taxateur, reeds besloten ligt dat de te benoemen taxateurs uitsluitend bevoegd zijn de schade vast te stellen, nu dit uit de polisvoorwaarden volgt. OWM heeft derhalve geen belang bij toewijzing van dit deel van haar vordering.

Het overige deel van het primair in reconventie gevorderde, namelijk dat de taxateurs uitsluitend bevoegd zijn de uit te keren bedragen vast te stellen, heeft OWM niet nader onderbouwd en is in tegenspraak met hetgeen zij heeft aangevoerd, dat het aan haar als verzekeraar is om de uit te keren bedragen vast te stellen, waardoor met alle aspecten van de polisvoorwaarden rekening kan worden gehouden. OWM heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit dit verschil in standpunt kan worden verklaard, zodat het hof ervoor houdt dat het aan OWM is om, conform de polisvoorwaarden, het uit te keren bedrag vast te stellen. Dat OWM dit ook voor ogen heeft gestaan, blijkt bijvoorbeeld ook uit haar uitdrukkelijke beroep op artikel 7 lid 3 dat bij toepassing van de verbruggingsregeling zonodig rekening moet worden gehouden met de respectievelijke premienoteringen.

OWM heeft voorts in reconventie gevorderd dat de kosten van de taxateurs voor rekening komen van de partij die door de taxateurs in het ongelijk worden gesteld. Uit de toewijzing van de vordering van [appellant] zoals hiervoor vermeld, volgt dat OWM gehouden is om, op grond van artikel 5 lid 6 van de polisvoorwaarden, de kosten van de taxateurs te betalen. Daarom kan [appellant] ook niet worden verplicht tot storting van een waarborgsom. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in reconventie van OWM moet worden afgewezen.

4.15 De slotsom is dat de grief slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof OWM in de kosten van het beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie en in voorwaardelijke reconventie aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 3.538,95 aan verschotten (€ 88,95 voor dagvaarding en € 3.450,00 voor griffierecht) en op € 4.263,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief V).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 1.369,88 aan verschotten (€ 93,88 voor dagvaarding, € 1.161,00 voor griffierecht en

€ 115,00 voor getuigentaxen) en op € 2.235,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2,5 punten x tarief II).

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 juni 2010 en doet opnieuw recht;

in conventie:

veroordeelt OWM om uitvoering te geven aan de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst met polisnummer 358800, meer in het bijzonder door vaststelling van de herbouwwaarde van de kapschuur en ligboxenstal staande en gelegen te 7122 PV Aalten aan Meinenweg 6 en daartoe opdracht te geven aan de door OWM aan te wijzen deskundige-taxateur alsmede aan de door [appellant] aangewezen taxateur, waarbij de kosten van de taxateurs, conform artikel 5 lid 6 van de polisvoorwaarden worden betaald door OWM, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 50.000,00, dat geïntimeerde niet aan deze veroordeling voldoet binnen 60 dagen na betekening;

veroordeelt OWM om aan [appellant] te vergoeden de door hem op 7 mei 2006 geleden brandschade met toepassing van de verbruggingsregeling uit artikel 7 lid 3 van de polisvoorwaarden;

in reconventie:

wijst de vordering af;

in hoger beroep voorts:

veroordeelt OWM in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 4.263,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 3.538,95 voor verschotten en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.235,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.369,88 voor verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2012.