Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX5536

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
11-00793
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting.

Belanghebbende heeft recreatiebungalow meer dan 90 dagen ter beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2096
FutD 2012-2183
V-N Vandaag 2012/2050
Belastingblad 2012/485

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00793

uitspraakdatum: 14 augustus 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 november 2011, nummer 11/360 FB,

in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Epe (thans: gemeente Apeldoorn, hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag forensenbelasting ten bedrage van € 877,92 opgelegd in verband met het voor zich en zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde recreatiewoning gelegen aan de a-straat 1 te Q (hierna: de recreatiewoning).

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 november 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling van de zaak uitspraak te doen. Het Hof heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van de recreatiewoning.

2.2 Belanghebbende had in het jaar 2010 zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Epe.

2.3 De Ambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2010 de in geschil zijnde aanslag opgelegd.

2.4 Ter motivering van zijn bezwaar, heeft belanghebbende het volgende in zijn bezwaarschrift gesteld:

“Hierbij teken ik bezwaar aan tegen opgemelde aanslag.

Ik had de woning slechts zeer beperkt tot mijn beschikking.

Wil U gedurende de looptijd van het bezwaarschrift uitstel van betaling verlenen?”

2.5 De Ambtenaar heeft zijn uitspraak op bezwaar van 11 maart 2011 als volgt gemotiveerd:

“U geeft aan dat u de woning a-straat 1 te Q slechts beperkt tot uw beschikking heeft.

Forensenbelasting wordt geheven als u meer dan 90 dagen per jaar voor u of uw gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt zonder in de gemeente Epe uw hoofdverblijf te hebben. Het is niet noodzakelijk dat u meer dan 90 dagen per jaar in de woning aanwezig bent. Voldoende is dat u meer dan 90 dagen per jaar in de woning zou kunnen verblijven. Ook is het niet vereist dat u één aaneengesloten periode over de woning kan beschikken.

Uit hetgeen u in uw bezwaarschrift naar voren brengt, valt niet af te leiden dat u de woning in 2010 minder dan 90 dagen beschikbaar hield. Ik zie dan ook geen reden uw aanslag aan te passen.”

2.6 Met dagtekening 11 december 2009 heeft belanghebbende met betrekking tot de recreatiewoning met A B.V. (hierna: A B.V.) een ‘overeenkomst exclusieve verhuurbemiddeling en beheer’ (hierna: bemiddelingsovereenkomst) gesloten. Deze overeenkomst is, na de mondelinge behandeling ter terechtzitting door de Rechtbank, door belanghebbende overgelegd bij brief van 21 juni 2011. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“In overweging nemend:

Dat eigenaar een luxe recreatiewoning bezit, (…); dat eigenaar deze woning wenst te verhuren en daarbij gebruik wenst te maken van bemiddelaar voor de verhuur van deze woning.

Zijn het volgende overeengekomen:

(…)

8. Eigen gebruik, persoonlijk of door familieleden en bekenden, is slechts toegestaan gedurende maximaal 63 dagen (9 weken) en dient doorlopend 9 maanden van te voren te worden opgegeven aan bemiddelaar.

9. Eigen gebruik als genoemd onder 8. is buiten de toegestane periode niet toegestaan.

10. Dit is slechts anders indien eigenaar onderhoud wil (laten) uitvoeren aan de woning, welke ter bescherming van het woongenot van huurders, altijd dient te geschieden buiten de perioden dat er wordt verhuurd, en met een maximum van 12 dagen per jaar.

(…)”

2.7 De recreatiewoning is door A B.V. in het jaar 2010 niet verhuurd aan derden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Daarbij is primair in geschil of belanghebbende de recreatiewoning in het jaar 2010 meer dan 90 dagen voor hem of zijn gezin beschikbaar hield. Indien in rechte komt vast te staan dat zulks het geval is, is tussen partijen in geschil of de Ambtenaar bij het doen van uitspraak op bezwaar heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden en aldus enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheidsbeginsel) heeft geschonden.

3.2 Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend.

3.3 De Ambtenaar beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

90 dagen voor eigen gebruik

4.1 Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2006, nummer 40 609, LJN AZ4972 volgt dat:

“indien een gemeubileerde woning weliswaar bestemd is voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, moet worden aangenomen dat die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur is uitgesloten.”

4.2 Naar het oordeel van het Hof rust op de Ambtenaar de last te stellen en, bij betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat belanghebbende in het belastingjaar 2010 voor zich of zijn gezin op meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning in Q heeft gehouden.

4.3 Tegenover de stelling van de Ambtenaar dat belanghebbende als eigenaar van de recreatiewoning in beginsel geheel 2010 over genoemde woning heeft kunnen beschikken dan wel die woning voor zich en zijn gezin beschikbaar heeft gehouden, heeft belanghebbende aangevoerd dat hij op grond van de bemiddelingsovereenkomst in het jaar 2010 slechts voor een periode van 9 weken (63 dagen) – en voor het uitvoeren van onderhoud – gedurende 12 dagen, in totaal derhalve maximaal 75 dagen, gebruik mocht maken van de recreatiewoning.

4.4 De Ambtenaar heeft te dezen evenwel gesteld dat A B.V., in weerwil van de bemiddelingsovereenkomst, nimmer reclame heeft gemaakt of actief huurders voor de recreatiewoning heeft geworven. De recreatiewoning is ook nimmer aan derden verhuurd noch op enigerlei wijze ten verhuur aangeboden en evenmin zijn kwartaalafrekeningen opgesteld. Belanghebbende heeft deze door de Ambtenaar gestelde omstandigheden niet, althans onvoldoende, weersproken. Naar het oordeel van het Hof maken deze omstandigheden aannemelijk dat het nimmer de bedoeling van belanghebbende en A B.V. is geweest daadwerkelijk uitvoering te geven aan de bemiddelingsovereenkomst. Dit brengt mee dat eigen gebruik van de recreatiewoning in verband met verhuur of aan derden toegekende rechten tot verhuur in 2010 niet is uitgesloten, zodat moet worden aangenomen dat de recreatiewoning in dat jaar door de eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar is gehouden.

4.5 Gelet hierop is de in geschil zijnde aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd.

Zorgvuldigheidsbeginsel/ nalaten horen

4.6 Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat de Ambtenaar gehouden was nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift, oordeelt het Hof als volgt. Niet valt in te zien welk beginsel van behoorlijk bestuur te dezen de Ambtenaar geschonden zou hebben. Belanghebbende heeft zelf niet verzocht om op zijn bezwaar te worden gehoord. In het bezwaarschrift valt zodanig verzoek niet, ook niet impliciet te lezen. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift heeft de Ambtenaar naar het oordeel van het Hof in redelijkheid kunnen menen belanghebbende niet spontaan in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord dan wel te dezen nader feitenonderzoek te doen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 14 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door mr. Kooijmans.

De griffier, De voorzitter,

b.a.

(C.E. te Brake) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 augustus 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.