Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX5373

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
22-08-2012
Zaaknummer
21-002873-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming: Afwijzen horen getuigen.

In het tijdsverloop (zeven jaren) vindt het hof de reden om thans niet meer over te gaan tot het horen van de getuigen maar aansluiting te zoeken bij de verklaring van veroordeelde zoals afgelegd ter terechtzitting bij het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002873-10

Uitspraak d.d.: 11 juli 2012

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van

21 juni 2010 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1965],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 december 2011 en 30 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr R. Zilver, naar voren is gebracht.

Verzoek terugwijzing

De verdediging heeft ter terechtzitting van 19 december 2011 betoogd dat de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank Almelo. Ter terechtzitting van 30 mei 2012 heeft de verdediging dit verzoek herhaald.

Het hof heeft, heeft gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 30 mei 2012, geen aanleiding om daarover thans anders te beslissen en wijst het verzoek tot terug te wijzen derhalve wederom af.

Verzoek tot het horen van getuigen

De verdediging heeft in de memorie van grieven van 8 november 2011, op gronden als in deze memorie omschreven en ter terechtzitting op 19 december 2011 herhaald, verzocht om de navolgende getuigen te horen:

Inzake zaaksdossier I ([adres] te Zwolle)

- [getuige1]. Deze getuige zou kunnen verklaren over het aantal oogsten in het pand [adres] te Zwolle;

Inzake zaaksdossier G ([adres] te Almelo)

- [getuige2]. Deze getuige zou kunnen verklaren over het aantal oogsten in het pand [adres] te Almelo;

- [getuige3]. Ook deze getuige zou kunnen verklaren over het aantal oogsten in het pand [adres] te Almelo;

Inzake zaakdossier O ([adres 2] te Almelo)

- [getuigen 4 en 5], deze getuigen zouden kunnen verklaren over de periode waarin in de kwekerij aan de [adres 2] te Almelo werkzaam is geweest.

Voorts

- J.H. Lenters, opsteller van het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel;

Bij het tussenarrest van 30 januari 2012 heeft het hof deze verzoeken op gronden als in het tussenarrest opgenomen afgewezen.

Deze verzoeken zijn op 30 mei 2012 ter terechtzitting door de verdediging en de veroordeelde herhaald. Het hof heeft, heeft gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 30 mei 2012, geen aanleiding om daarover thans anders te beslissen en wijst het verzoek tot het horen van de getuigen derhalve wederom af en verwijst daarvoor naar die eerder op 30 januari 2012 genomen beslissing en de hierna onder ‘De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel’ opgenomen overweging.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 205.000,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 71.125 en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem van 2 november 2007 terzake van het meermalen medeplegen van in de uitoefening van een beroep of een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

In het hiervoor genoemde arrest overweegt het hof dat veroordeelde een voorname rol heeft gespeeld in een samenwerkingsverband dat gedurende een langere tijd, de periode van

1 januari 2002 tot en met 9 mei 2005, hennepplantages heeft ingericht en in werking heeft gehad.

Naar aanleiding van deze hennepkwekerijen is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij opgemaakt door J.H. Lenters, financieel deskundige, werkzaam bij het bureau Financiële Recherche van de politie Twente waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde zou hebben verkregen € 189.000 bedraagt.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting op 30 mei 2012 niet ontkend dat hij voordeel heeft genoten uit de hennepkwekerijen, maar heeft bij elk van de hennepkwekerijen die worden genoemd in voornoemd rapport op- of aanmerkingen gemaakt ten aanzien van de hoeveelheid oogsten en de kwaliteit van de oogsten. Volgens veroordeelde zouden afnemers zijn stellingen kunnen bevestigen. Veroordeelde heeft op vragen van het gerechtshof aangegeven dat hij uit de kwekerijen een omzet heeft gegenereerd van € 35.000,= maar dat van de omzet de investeringskosten nog moeten worden afgetrokken.

Het hof ziet zich voor het probleem geplaatst dat het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel onvoldoende aanknopingspunten biedt om de gang van zaken zoals die door de veroordeelde naar voren is gebracht en door het hof niet als onwaarschijnlijk of hoogst onwaarschijnlijk gepasseerd mag worden, op voorhand te kunnen weerleggen.

Dit zou op zich voldoende aanleiding kunnen zijn om nader onderzoek te laten verrichten.

Het hof zal hiertoe niet overgaan om de volgende reden.

Het gaat om hennepplantages die veroordeelde en zijn medeveroordeelden in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 mei 2005, zijn ingericht en in werking hebben gehad.

Het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en het tijdstip waarop deze getuigen gehoord zouden kunnen worden (meer dan zeven jaren) vormt een nadelige factor als het gaat om de waarheidsvinding daar het tijdsverloop de herinneringen uit het verleden aantast. Daar komt bij dat het grote tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de behandeling van de ontnemingsvordering niet te wijten is aan de proceshouding van veroordeelde of de verdediging maar is grotendeels te wijten aan het openbaar ministerie dat in eerste aanleg ruim twee jaar de tijd heeft genomen om een conclusie van antwoord te nemen. In die omstandigheden vindt het hof de reden om thans niet meer over te gaan tot het horen van de getuigen maar aansluiting te zoeken bij de verklaring van veroordeelde zoals afgelegd ter terechtzitting bij het hof.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Veroordeelde heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij voor € 35.000 aan omzet heeft gegenereerd uit de hennepplantages.

Op deze omzet dienen de investeringskosten nog in mindering te worden gebracht. Specifieke en controleerbaar gegevens over deze investeringskosten zijn thans vermoedelijk niet meer boven tafel te krijgen. Het hof zal deze kosten schattenderwijs op € 10.000 bepalen.

Gelet op het bovenstaande schat het hof het door veroordeelde door de hennepkwekerijen verkregen wederrechtelijk voordeel op € 25.000,= en zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op voornoemd bedrag.

Schending redelijke termijn

De procedure is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet met de nodige voortvarendheid behandeld, waardoor het recht van de veroordeelde om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden. Het hof volstaat evenwel met de constatering dat dit recht is geschonden, nu door het tijdsverloop de veroordeelde heeft geprofiteerd van de wijze waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld. Het hof is immers bij de vaststelling van het voordeel – als gevolg van dat tijdsverloop - uitgegaan van hetgeen door de veroordeelde naar voren is gebracht en heeft daarbij geen acht geslagen op andere voor de veroordeelde belastende (maar door het tijdsverloop niet meer te onderzoeken) omstandigheden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro).

Aldus gewezen door

mr J.D. den Hartog, voorzitter,

mr H. Abbink en mr P.L.M. van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 11 juli 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Abbink en mr Van Gorkom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.