Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX4966

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
20-08-2012
Zaaknummer
11/00278
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Rechtbank had tweede wrakingsverzoek niet buiten behandeling mogen laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2010
V-N 2012/47.19.1
FutD 2012-2179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00278

uitspraakdatum: 3 juli 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 februari 2011, nummer AWB 10/735,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.613 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.599.

1.2. Belanghebbende heeft op 11 december 2009 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 13 januari 2010 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.4. Op 24 februari 2010 is belanghebbende tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). Bij uitspraak van 17 februari 2011 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.613 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.988 en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 25 maart 2011, ingekomen ter griffie op 31 maart 2011, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekend schrijven van 22 december 2011 uitgenodigd voor het bijwonen van de zitting op 18 januari 2012 om 10.45 uur te Arnhem. Tot de stukken van het geding behoren een afschrift van deze uitnodiging, gericht aan het door belanghebbende opgegeven adres, alsmede de van TNT Post ontvangen handtekeningenretourkaart waaruit blijkt dat de uitnodiging op 23 december 2011 aan belanghebbende is uitgereikt.

1.8. Ter zitting zijn de zaken met de nummers 11/00272 tot en met 11/00278 en 12/00337 tot en met 12/00339 gelijktijdig behandeld.

1.9. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft voor het jaar 2006 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.474.

2.2 De Inspecteur heeft op 18 februari 2009 een voorlopige aanslag voor het jaar 2006 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.613 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.599; daarbij is een bedrag van € 243 aan heffingsrente in rekening gebracht. De definitieve aanslag is overeenkomstig de voorlopige aanslag opgelegd en bedroeg daardoor nihil.

2.3 De Rechtbank heeft in haar uitspraak het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 5.988.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2 Partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt hij het Hof de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van door hem geleden schade van € 200.000.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op 17 januari 2011 heeft belanghebbende een verzoek om wraking van de behandelende rechter in onder meer de onderhavige procedure gedaan. De coördinator van de wrakingskamer van de Rechtbank heeft belanghebbende daarop bij brief van 17 januari 2011 voor wat betreft de onderhavige procedure het volgende bericht:

“Uw wrakingsverzoek betreffende de zaak met procedurenummer 10/735 IB PVV R117 is een tweede wrakingsverzoek in deze procedure. Ik verwijs hierbij naar de beschikking van de wrakingskamer van 4 oktober 2010. Weliswaar richt uw verzoek zich thans op een andere rechter, maar uw verzoek is niet met concrete op de rechter betrekking hebbende feiten of omstandigheden onderbouwd en zal daarom niet in behandeling worden genomen”.

4.2 Naar het oordeel van het Hof klaagt belanghebbende in hoger beroep terecht dat de Rechtbank zijn verzoek om wraking in strijd met de wet heeft afgedaan. De wrakingskamer van de Rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2010 belanghebbendes verzoek van 10 september 2010 om wraking van mr. A.P. Vaatstra afgewezen. Daarbij heeft de wrakingskamer niet bepaald dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen. De Rechtbank had daarom het (volgende) verzoek van 17 januari 2011 om wraking van een andere rechter, mr. A.I. van Amsterdam, niet buiten behandeling mogen laten.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de Rechtbank.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten aangezien niet is gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de Rechtbank voor behandeling van het verzoek om wraking van 17 januari 2011 en verdere behandeling van het beroep;

- gelast de Staat aan belanghebbende het ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 112 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 3 juli 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. R.F.C. Spek,

(A. Vellema) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.