Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX4779

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
11-00659
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Persoonsgebondenaftrek. Extra vervoerskosten gehandicapte werknemer zijn aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2004
Belastingadvies 2012/18.5
V-N 2012/51.15 met annotatie van Redactie
FutD 2012-2137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00659

uitspraakdatum: 10 juli 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2011, nummer AWB 10/3769,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.435 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.297. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 243.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.325 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.297. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd tot € 238.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 30 augustus 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede A namens de Inspecteur.

1.7 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd met, zonder bezwaar van de wederpartij, drie bijlagen.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende, geboren in 1956, was in het onderhavige jaar in loondienst werkzaam bij een architectenbureau. Belanghebbende is incontinent en gebruikt mede in verband daarmee voor zijn woon-werkverkeer een tot zijn privévermogen behorende personenauto (de auto). Hij heeft van zijn werkgever toestemming de auto ook voor zakelijke kilometers (bezoeken aan cliënten, bouwplaatsen en dergelijke) te gebruiken en ontvangt daarvoor van zijn werkgever een vergoeding per gereden kilometer. Andere werknemers van het architectenbureau kunnen voor de zakelijke kilometers een bedrijfsauto gebruiken.

2.2 Belanghebbende kreeg in het verleden van het toenmalige GAK een vergoeding voor zogenoemde leefkilometers. Nadat die vergoeding was afgeschaft heeft belanghebbende met de Belastingdienst een afspraak gemaakt over de wijze waarop hij bij de berekening van zijn ziektekosten rekening kon houden met de door hem vanwege zijn handicap gemaakte extra autokosten. Met betrekking tot die gemaakte afspraak heeft de Inspecteur aan belanghebbende bij brief van 7 december 2006 het volgende meegedeeld:

"(…) Ik ben van mening dat dit niet juist is. Ik zeg daarom per heden deze afspraak op. Dit betekent dat u tot en met 2006 deze kosten in aftrek mag nemen. Vanaf 2007 moet u deze kosten anders berekenen.

Voor zover de kosten van vervoer van de zieke of invalide meer bedragen dan die van gezonde belastingplichtigen, die overigens in gelijke financiële en maatschappelijke omstandigheden verkeren, kunnen deze in beginsel worden afgetrokken. U moet het vorenstaande zelf aantonen."

2.3 Naar aanleiding van een voor het belastingjaar 2005 gevoerde procedure heeft een gesprek tussen belanghebbende en de Inspecteur plaatsgevonden over de wijze waarop de extra vervoerskosten, die kunnen worden gerekend tot de persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), kunnen worden berekend. In het verslag dat dienaangaande is opgemaakt, is het volgende opgenomen:

"(…) Het overleg is opgesplitst in twee delen. Het eerste deel is voor rekening gekomen van B. Dit betreft de afhandeling van de aangifte IB 2006.

Het tweede deel is voor rekening gekomen van A. Dit betreft afspraken voor de aangiften IB 2007 en later (uiteraard voor zover er geen wetswijziging plaatsvindt).

(…)

IB 2007

Voor de beoordeling van de extra autokosten (ingegeven door de handicap) wordt niet langer aansluiting gezocht bij het aantal kilometers en de kilometerprijs. De berekening vindt vanaf dit jaar plaats als volgt:

Bepaal de totale werkelijke autokosten (waaronder de afschrijving) : A

Bepaal de autokosten van een persoon zonder handicap, maar

overigens in vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden : B

Bepaal de extra gemaakte autokosten : A-/-B=C

Bepaal de bijdrage van de werkgever voor autokosten in dat jaar : D

Bepaal de daadwerkelijk 'drukkend' autokosten : C-/-D=E

In beginsel is E het bedrag dat in aanmerking komt als buitengewone uitgave. Wel moet nog worden gekeken naar de redelijkheid van de berekende bedragen. (bijvoorbeeld bij de aanschaf van een dure exclusieve auto zal het niet redelijk zijn dat een groot bedrag in aanmerking komt voor aftrek). De inspecteur zal hier nog een toetsing op loslaten.

Volgens afspraak zal X betreffende 2007 zelf een berekening opstellen conform de hiervoor beschreven wijze. (…)"

2.4 Belanghebbende heeft naar aanleiding van het gevoerde gesprek een herziene aangifte voor het jaar 2007 ingediend waarin hij de autokosten heeft berekend volgens de in de gespreksnotitie opgenomen berekeningsmethode. Hij heeft het bedrag aan aftrekbare vervoerskosten opnieuw berekend op € 11.993. Daarbij is hij voor de vaststelling van het bedrag onder B uitgegaan van gegevens die zijn verstrekt door het Nibud. Bij het vaststellen van de aanslag voor 2007 heeft de Inspecteur geen extra vervoerskosten in aftrek toegelaten.

2.5 Belanghebbende heeft de auto ingeruild in 2011. Op grond van de aanschafwaarde en de inruilwaarde heeft belanghebbende de afschrijving op de auto over de gehele bezitsperiode berekend op € 45.350 en over het jaar 2007 (lineair) op € 7.560.

2.6 Belanghebbende genoot in 2007 een bruto inkomen uit arbeid van € 58.067, zijn echtgenote een loon uit vroegere arbeid van € 25.389. De bezittingen van belanghebbende en zijn echtgenote (box 3) bedroegen in 2007, gemiddeld, € 210.466. De waarde van de eigen woning (WOZ-waarde) bedroeg € 464.000, de eigenwoningschuld bedroeg per 31 december 2007 € 19.194.

2.7 Belanghebbende heeft in zijn pleitnota de volgende berekening opgenomen (gelijkluidend aan de in 2.4 genoemde herrekening):

A € 24.128

B 12x € 482 (vgls Nibud)= € 5.784

C € 18.344

D vergoeding werkgever € 6.351

E "drukkende kosten" € 11.993

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of, en zo ja tot welk bedrag, belanghebbende uitgaven voor vervoer kan rekenen tot zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet.

3.2 Belanghebbende stelt dat hij kosten van vervoer in aanmerking mag nemen, berekend volgens de met de Inspecteur afgesproken methode, zoals weergegeven in de gespreksnotitie. Hij heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de aftrek kan worden berekend op € 6.429, te weten het in de herziene aangifte berekende bedrag van € 11.993, verminderd met € 5.564. Deze vermindering vloeit voort uit het in aanmerking nemen van een afschrijving van € 7.560 in plaats van het aanvankelijk gehanteerde bedrag van € 13.989. De werkelijke afschrijving van € 7.560 stemt naar de mening van belanghebbende overeen met een normaal te achten afschrijving van een middenklasse auto.

3.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het hanteren van de bovenstaande berekeningsmethode niet leidt tot op belanghebbende drukkende autokosten die hoger zijn dan de kosten van met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn. De door belanghebbende berekende aftrek wordt naar zijn mening voornamelijk veroorzaakt door de hoge afschrijvingskosten. Voorts stelt de Inspecteur dat geen stukken zijn overgelegd, bijvoorbeeld een medische verklaring, waaruit blijkt dat belanghebbende door zijn handicap is aangewezen op vervoer per auto.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag conform de door hem ingezonden herziene aangifte.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn handicap dermate ernstig is dat slechts met de auto gereisd kan worden. Naar het oordeel van het Hof is het de Inspecteur in dit geding echter niet toegestaan dit standpunt in te nemen nu uit het gespreksverslag, dat is opgemaakt nadat de problematiek is besproken, onmiskenbaar blijkt dat de Inspecteur, op zijn minst impliciet, het standpunt heeft ingenomen dat de extra te berekenen vervoerskosten voortvloeien uit de handicap van belanghebbende. Het voorbehoud dat is gemaakt betreft immers nog slechts de omvang van de extra kosten. Daar komt bij dat belanghebbende met hetgeen hij in de stukken en nog ter zitting naar voren heeft gebracht, naar het oordeel van het Hof de noodzaak van het gebruik van de auto in verband met zijn handicap aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep dat de Inspecteur in dezen doet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2009, nr. 09/2300 VALYS, berust op een verkeerde lezing van die uitspraak.

4.2 Alsdan is nog aan de orde of belanghebbende de omvang van de extra autokosten aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende beroept zich in wezen erop dat hij, gelet op het gevoerde gesprek en de wijze van vastlegging daarvan, erop mag vertrouwen dat hij recht heeft op een aftrek van vervoerskosten indien de onder de feiten opgenomen berekeningsmethode leidt tot een positief bedrag. Het Hof deelt die mening van belanghebbende.

4.3 Belanghebbende heeft gesteld, en hij neemt in zijn berekeningen ook nadrukkelijk tot uitgangspunt, dat met de Inspecteur is afgesproken dat onder B in de berekeningsmethode mogen worden opgenomen de uitgaven die het Nibud vermeldt voor personen die met hem vergelijkbaar zijn. In het onderhavige jaar bedragen die uitgaven € 5.784. De Inspecteur heeft niet weersproken dat die afspraak is gemaakt. De tabellen waaruit belanghebbende het bedrag van € 5.784 heeft afgeleid, zijn door hem overgelegd. De Inspecteur heeft dit bedrag noch bij de aanslagregeling, noch gedurende de onderhavige procedure weersproken. Hij heeft ter zitting weliswaar verklaard dat nergens uit blijkt dat ook het inkomen van de echtgenote is meegenomen, doch het Hof acht dit aannemelijk, gelet op het netto-inkomen waarvan belanghebbende is uitgegaan. Het Hof zal voor dit geding van de juistheid van het door belanghebbende gehanteerde bedrag uitgaan.

4.4 De Inspecteur stelt dat de hoge autokosten met name worden veroorzaakt door de hoge afschrijving. Het Hof vat dat standpunt van de Inspecteur en de daarop gegeven toelichting aldus op dat de Inspecteur van mening is dat de hoogte van de autokosten voortvloeit uit de persoonlijke voorkeur van belanghebbende en niet uit diens handicap, en dat die autokosten gewoon zijn, althans niet ongewoon, voor personen als belanghebbende die een personenauto rijden van merk en type zoals belanghebbende. Belanghebbende stelt nader dat de afschrijving in het onderhavige jaar € 7.560 bedraagt en dat deze afschrijving overeenkomt met de afschrijving op een middenklasseauto. Een dergelijke afschrijving is niet exorbitant hoog. De Inspecteur heeft dat laatste niet weersproken. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat, gelet op de vermogens- en inkomenspositie van belanghebbende, de afschrijving van een middenklasseauto tot de normale uitgaven kan worden gerekend van belanghebbende en van met hem vergelijkbare belastingplichtigen. Dit betekent dat voor een extra toets zoals de Inspecteur kennelijk voorstaat geen plaats meer is. In de ook door de Inspecteur voorgestane berekeningsmethode is - behoudens uitzonderingsgevallen maar daarvan is hier, zoals geoordeeld, geen sprake - met een normaal te achten afschrijving van de auto reeds rekening gehouden door uit te gaan van de gegevens van het Nibud. Dat de totale kosten volgens het Nibud lager zijn doet daaraan niet af omdat dat immers gemiddelden zijn. De overige door belanghebbende gemaakte autokosten zijn door de Inspecteur in dit geding niet weersproken.

4.5 Nu de methode van berekenen van de extra vervoerskosten niet ter discussie staat, het Hof aannemelijk acht dat is afgesproken dat de kosten van vergelijkbare personen worden gesteld op de uitgaven volgens het Nibud, aannemelijk is dat de door belanghebbende nader in aanmerking genomen afschrijvingskosten normaal zijn te beschouwen voor belanghebbende en met hem vergelijkbare belastingplichtigen en de overige kosten evenmin ter discussie staan, is het Hof van oordeel dat de vervoerskosten van belanghebbende die tot de specifieke zorgkosten kunnen worden gerekend, kunnen worden gesteld op het nader door belanghebbende berekende bedrag van € 6.429.

4.6 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van het nader vastgestelde belastbare inkomen betreft.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het na bezwaar op € 50.325 vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 6.429 tot € 43.896.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 32 voor de reiskosten in verband met het bijwonen van de beide zittingen. Andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.896 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.297,

– vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 32, en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 112 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. P. van de Wal, in tegenwoordigheid van drs. S. darwinkel als griffier.

De beslissing is op 10 juli 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 10 juli 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.