Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX4094

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
200.104.167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van advocaat tot betaling van declaraties afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.167

(zaaknummer rechtbank 363876)

arrest van de derde kamer van 7 augustus 2012

in de zaak van

[X], handelend onder de naam [bedrijf X],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X],

advocaat: mr. J.W. Munk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

11 november 2009, 7 september 2011 en 15 februari 2012 die de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) tussen [X] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 15 februari 2012 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 16 maart 2012;

- de memorie van grieven met vier producties.

2.2 Vervolgens heeft [X] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

[X] heeft - zakelijk weergegeven - de volgende grieven tegen het vonnis van 15 februari 2012 aangevoerd.

In plaats van “de rechtbank” leest het hof telkens “de kantonrechter”.

Grief 1

Ten onrechte stelt de kantonrechter onder 2.2 van het vonnis van 15 februari 2012 dat gedaagde (hof: [geïntimeerde]) gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de vordering van [X] wordt afgewezen omdat [X] [geïntimeerde] niet heeft gewaarschuwd op het moment dat het bedrag van € 7.000,- was bereikt.

4. De vaststaande feiten

4.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende vaststaande feiten.

4.2 [geïntimeerde] heeft op 6 mei 2008 mondeling opdracht aan [X] verstrekt om hem bij te staan in een gerechtelijke procedure. [X] heeft deze opdracht aanvaard. In de door [X] opgestelde schriftelijke overeenkomst, die [geïntimeerde] voor akkoord heeft getekend, is onder andere het volgende bepaald.

“(…)

UITVOERING OPDRACHT

(…)

4. [bedrijf X] zal u op de hoogte houden van de ontwikkelingen, voortgang en wijzigingen in de zaken.

(...)

FINANCIELE AFSPRAKEN

1. Met u is besproken dat u niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand,

dan wel dat u terzake over een rechtsbijstandsverzekering beschikt.

2. Het honorarium bedraagt € 180,00 per uur, exclusief belaste en onbelaste verschotten en omzetbelasting.

(...)

3. Ik zal u tijdig waarschuwen indien het honorarium een bedrag van € 7.000,00 exclusief verschotten en omzetbelasting dreigt te gaan overschrijden. In dat geval zullen u en ik overleg hebben over de voortzetting of een tussentijdse beëindiging van de opdracht. Het resultaat van dit overleg zal door mij schriftelijk aan u worden bevestigd. Indien u niet binnen 14 dagen na de ontvangst van bedoelde schriftelijke bevestiging op de inhoud daarvan heeft gereageerd, wordt die geacht een juiste weergave te zijn van het resultaat van bedoeld overleg.

4. U ontvangt van [bedrijf X] per maand een declaratie voor de door [bedrijf X] verrichte werkzaamheden inclusief de voor u gedane uitgaven.

(...)

6. Indien u de declaraties niet (tijdig) voldoet, schort [bedrijf X] haar werkzaamheden op en komen alle in redelijkheid gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke (incasso)kosten te uwen laste.

(…)”

4.3 [X] heeft aan [geïntimeerde] onder andere de volgende declaraties gezonden:

- declaratie van 13 oktober 2008 met nummer 2008463 ad € 2.935,02 inclusief BTW en kosten;

- declaratie van 3 november 2008 met nummer 2008490 ad € 67,47 inclusief BTW en kosten;

- declaratie van 1 december 2008 met nummer 2008529 ad € 256,45 inclusief BTW en kosten;

- declaratie van 6 januari 2009 met nummer 2009026 ad € 638,79 inclusief BTW en kosten;

- declaratie van 2 februari 2009 met nummer 2009080 ad € 229,29 inclusief BTW en kosten;

- declaratie van 2 maart 2009 met nummer 2009119 ad € 171,51 inclusief BTW en kosten,

in totaal € 4.298,53.

[geïntimeerde] heeft deze declaraties, ondanks aanmaningen, niet betaald.

4.4 De Raad van Toezicht der orde van advocaten in het arrondissement Zutphen heeft op verzoek van [X] bij beslissing van 13 april 2011 declaraties van [X] aan [geïntimeerde] over de periode 4 juni 2008 tot en met 2 maart 2009 begroot. Een overzicht van deze declaraties is vermeld in een document “Grootboek Debiteuren-Beknopt”, dat aan de beslissing van de Raad van Toezicht is gehecht.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Nu [X] noch in de appeldagvaarding, noch in de memorie van grieven gronden voor het hoger beroep tegen de vonnissen van 11 november 2009 en 7 september 2011 heeft aangevoerd en daarom de vordering in hoger beroep niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, zal het hof het hoger beroep tegen die vonnissen verwerpen.

5.2 Anders dan [X] in zijn eerste grief heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] zich voldoende gemotiveerd heeft verweerd tegen de vorderingen van [X]. In het bijzonder heeft [geïntimeerde] expliciet een beroep gedaan op artikel 3 van de financiële afspraken in de tussen partijen gesloten overeenkomst, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2 gedeeltelijk weergegeven (zie punt 9 van de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] en punt 11 van de conclusie van dupliek van [geïntimeerde]).

5.3 De kantonrechter heeft in het vonnis van 15 februari 2012 - kort gezegd - geoordeeld dat de stelling van [geïntimeerde] dat de grens van € 7.000,- bereikt was vóór de factuur van

13 oktober (bedoeld is) 2008, als juist moet worden aanvaard. [X] heeft dit onderdeel van het oordeel van de kantonrechter in hoger beroep niet (gemotiveerd) bestreden. De juistheid van dit oordeel van de kantonrechter blijkt ook uit het in rechtsoverweging 4.4. vermelde overzicht “Grootboek Debiteuren-Beknopt”. In dat overzicht zijn vijf declaraties vermeld die [X] aan [geïntimeerde] in de periode van 4 juni 2008 tot 13 oktober 2008 heeft gezonden. Het hof heeft berekend dat het totaalbedrag van deze declaraties € 8.379,39 bedraagt (declaratie van 4 juni 2008 ad € 2.836,84, declaratie van 6 juni 2008 ad € 1.800,-, declaratie van 8 juli 2008 ad € 3.148,74, declaratie van 1 augustus 2008 ad € 427,33 en declaratie van 1 oktober 2008 ad € 166,48).

5.4 [X] heeft voorts niet bestreden dat hij [geïntimeerde] niet heeft gewaarschuwd voor het feit dat zijn honorarium het bedrag van € 7.000,- overschreed en evenmin heeft hij bestreden dat hij niet met [geïntimeerde] heeft overlegd over een voortzetting dan wel een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst van opdracht. Hierdoor heeft [geïntimeerde] geen gelegenheid gehad hetzij te beslissen omtrent een voortzetting dan wel een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

5.5 De door [X] in hoger beroep aangevoerde omstandigheid dat [geïntimeerde], doordat [X] iedere maand declareerde, zelf de stand van zaken wist met betrekking tot de hoogte van de declaraties, kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. Dit geldt ook voor de stelling van [X] dat [geïntimeerde] op dat punt nooit heeft geklaagd. Met deze stellingen miskent [X] dat hij zelf de verplichting op zich heeft genomen om [geïntimeerde] tijdig in te lichten en met [geïntimeerde] te overleggen, zodat [geïntimeerde] in volle vrijheid kon beslissen over de eventuele voortzetting van de relatie.

5.6 De omstandigheid dat [geïntimeerde] wellicht had moeten doorprocederen, leidt evenmin tot een ander oordeel, aangezien [geïntimeerde] de mogelijkheid had de overeenkomst tussentijds te beëindigen en dus ook een andere advocaat had kunnen benaderen.

5.7 Ten slotte heeft [X] aangevoerd dat de mededeling niet van zodanige aard is dat de door [X] verleende rechtsbijstand niet zou behoeven te worden vergoed en dat het volstrekt onredelijk en onbillijk is om op die grond de vordering aan [X] te ontzeggen. [X] zelf heeft de hiervoor vermelde waarschuwingsplicht in de overeenkomst opgenomen, zodat hij gehouden is deze na te leven. Een eventueel beroep van [X] op artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. [X] heeft geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat het beroep van [geïntimeerde] op de naleving door [X] van deze waarschuwingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.8 De grieven falen, zodat het hof het bestreden vonnis van 15 februari 2012 zal bekrachtigen.

5.9 Het hof zal [X], als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 11 november 2009 en

7 september 2011;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 15 februari 2012;

veroordeelt [X] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, M.F.J.N. van Osch en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2012.