Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX3482

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
200.047.698
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BJ8831
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

All risks verzekering auto; witte stof (mogelijk bluspoeder) in interieur als onzekere gebeurtenis; informatieplicht verzekeringnemer; schadeberekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.047.698

(zaaknummer rechtbank: 183965)

arrest van de eerste kamer van 31 juli 2012

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [A],

advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,

tegen:

de naamloze vennootschap Delta Lloyd Groep Particuliere Schadeverzekeringen N.V.,

(onder meer) handelende onder de naam Ohra Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde ,

hierna: Ohra,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 mei 2011 hier over.

1.2 Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 december 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor in contra-enquête en van de comparitie van 13 april 2012.

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar en volhardt bij zijn tussenarrest van 17 mei 2011. Daarbij heeft het hof Ohra toegelaten te bewijzen dat:

A.

- [A] er medio september 2007 reeds van op de hoogte was, althans ervan op de hoogte had moeten zijn, dat er een bijtende stof in zijn auto terecht was gekomen;

- de aantasting van het interieur van de auto op dat moment al dusdanig ernstig was of -voor [A] voorzienbaar- ernstig zou worden, dat [A] daarvan onmiddellijk mededeling aan Ohra had moeten doen;

- de schadeomvang door eerdere maatregelen zou zijn beperkt en in welke mate;

B.

- Ohra ten gevolge van de te late melding door [A] in enig redelijk belang is geschaad.

2.2 Ohra heeft op 14 december 2011 [C], technisch onderzoeker Team Speciale Zaken Delta Lloyd, als getuige doen horen. Deze heeft een aantal, voornamelijk bij zijn rapport van 27 maart 2008 behorende, foto's overgelegd, welke aan het proces-verbaal zijn gehecht.

[A] heeft op 13 april 2012 zichzelf als getuige doen horen, waarna de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden.

2.3 Naar aanleiding hiervan oordeelt het hof als volgt.

Het hof wil bij wijze van veronderstelling wel aannemen dat de door [A] rond 19 september 2007 in zijn auto ontdekte materie niet, zoals [A] aanvoert, opgedroogd zeepsop en uitslag van eerdere reiniging was, maar poeder, afkomstig van een daarin leeg gespoten brandblusser. De essentiële vraag is dan of en zo ja wanneer [A] ervan op de hoogte is geraakt dan wel behoorde te zijn dat dit bluspoeder betrof en dat bluspoeder een agressieve stof is welke met haar zouten in verbinding met vocht of vochtige lucht een corrosieproces op gang brengt.

2.4 Over een en ander heeft [C] een getuigenverklaring afgelegd. Hij beschikt over specifieke deskundigheid. Volgens zijn getuigenverklaring heeft hij de volgende vooropleiding: MTS-werktuigbouw, voertuigtechniek, weg- en waterbouw, de politiediploma’s, opleiding rechercheur en technisch rechercheur, milieukundige en ook branddeskundige. Hij was 17 jaar bij de politie en werkt nu 20 jaar bij Delta Lloyd als technisch onderzoeker. Naar zijn jarenlange ervaring zijn de neveneffecten van blussen met poeder ernstig. Bij Delta Lloyd wordt hij al jaren geconfronteerd met en adviseert hij over de corrosieve effecten in de pleziervaart, waarvan Delta Lloyd de grootste verzekeraar is. Zijn door zijn deskundigheid ingegeven verklaring werpt daarom een aanzienlijk gewicht in de schaal.

2.5 Mede op basis van zijn feitelijk onderzoek aan de auto en vanuit zijn deskundigheid heeft [C] als getuige het volgende verklaard:

"Of [A] in september 2007 al wist dat het om een bijtende stof ging? Kennelijk niet. In ieder geval heeft hij dat niet tegen mij gezegd.

Als leek zul je na zo’n verontreiniging je er niet meteen van bewust zijn dat daarvan een corrosie zal uitgaan, maar een grote hoeveelheid wit poeder is natuurlijk niet gezond voor de auto en voor de elektronica. Zulk fijn poeder is voor de bewegende delen van de auto natuurlijk niet goed. Een leek zal hiermee naar de garage of naar een autopoetsbedrijf gaan. Je kunt natuurlijk van mening verschillen over wat acceptabel is over de mate van reinigen. Of [A] enig idee kon hebben van de risico’s van de stof onmiddellijk na het evenement? Ik kijk vragend en zeg dat het heel persoonlijk is. Indicaties dat hij beter wist, heb ik eigenlijk niet.

(…)

Als je meteen na zo’n evenement actie onderneemt, dan kom je bij een poetsbedrijf terecht. Zo’n bedrijf kan ook een agressieve stof als poederblusmateriaal op en top weg krijgen. Je moet dan wel snel handelen. Het corrosieproces ontstaat zodra het poeder een verbinding aangaat met vocht of vochtige lucht. De zouten trekken vocht aan. Hoe lang het geleden was dat [A] het dekje over de stoel getrokken had, weet ik niet.

(…)

Normaal gesproken moet je binnen een paar dagen gaan reinigen, want iedere keer als het autoportier open gaat komt er meer of minder vochtige lucht in de auto. De inzittende zelf voegt met het uitademen vocht toe aan het interieur. Afgezien van het corrosieproces van de lak, wat meer tijd vergt, moet je voor de andere onderdelen, zoals klokjes enzovoorts, zo snel mogelijk laten reinigen. Dat geldt ook voor de aansluiting van de bekabeling, welke bekabeling verder wel geïsoleerd is. Als je bijvoorbeeld na één week naar de garage zou gaan, dan kon je al wel eens te laat zijn voor wat betreft de klokinstallatie, daarmee bedoel ik het hele meetinstrumentarium. (…) Als je bijvoorbeeld na twee weken zou gaan, dan kun je het corrosieproces nog wel stoppen met gebruik van bijvoorbeeld olie. Reconditioneringsbedrijven doen eigenlijk niet anders met allerlei soorten corrosiewerende middelen.

(…)

Zoals in mijn rapport beschreven, zijn er drie categorieën bluspoeders, maar alle gaan een reactie aan met vocht. Los van de reactie die het poeder aangaat, is het in ieder geval nadelig voor de bewegende delen en elektronica.

(…) poederblusmateriaal is bedoeld om een brand te blussen en inderdaad zijn de neveneffecten ernstig. (…) De neveneffecten zijn bekend uit de corrosieve effecten in de pleziervaart, waarvan Delta Lloyd de grootste verzekeraar is.

(…)

De schade is ontstaan door agressief zout (…)

(…) zeg ik dat een particulier het er zelf niet uit krijgt, maar dat een reconditioneringsbedrijf of een autopoetsbedrijf het er wel uit krijgt. Een poetsbedrijf kan een heel interieur reinigen, bijvoorbeeld ook een auto die bij een brand in de parkeergarage van binnen helemaal vol met roet is geraakt.

(…)".

2.6 Hieruit valt niet af te leiden dat een autogebruiker, zoals [A], al vrij snel moest begrijpen dat het hier bluspoeder betrof en nog minder dat bluspoeder in verbinding met vocht tot een exponentieel progressief corrosieproces leidt.

2.7 Het hof is er niet van overtuigd dat [A], zoals hij heeft getuigd, daadwerkelijk meende dat de door hem aangetroffen witte materie opgedroogd zeepsop was van eerder door hem met een reinigingsmiddel verrichte reinigingswerkzaamheden. Toch biedt zijn getuigenverklaring geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hij, zelfs indien hij zou hebben begrepen dat het bluspoeder betrof, wat niet is komen vast te staan, van het risico op de hoogte was of redelijkerwijze behoorde te zijn dat het bluspoeder zo snel tot de door getuige [C] beschreven schade zou leiden.

2.8 Volgens het gespreksverslag van 27 februari 2008 (productie VII bij de inleidende dagvaarding) heeft [A] rond 19 september 2007 gezien dat er roestvorming in de auto was en dat de bekleding erg snel aan het slijten was. In zijn getuigenverklaring neemt [A] daarvan in die zin afstand dat hij pas later de slijtage aan de stiksels van de bestuurdersstoel heeft waargenomen, in november 2007 heeft besloten om stoelhoezen te kopen en nog veel later pas heeft ontdekt dat de metalen rails van de bestuurdersstoel aan het roesten waren. Deze nadere gedetailleerde weergave is niet zonder meer onaannemelijk, evenmin als het feit dat [A] de toenemende problemen heeft geweten aan snelle slijtage van zijn auto van Roemeense makelij.

2.9 Het komt er dus op neer dat [A] na de ontdekking van de witte materie in zijn auto nog enkele maanden daarmee heeft doorgereden totdat hij enkele maanden later de roestvorming aan de metalen rails van de bestuurdersstoel heeft ontdekt, die hij niet aan de witte materie, laat staan aan een exponentieel progressief corrosieproces, maar eenvoudigweg aan snelle slijtage heeft toegeschreven, hetgeen wel wat zonderling lijkt maar ook weer niet geheel onaannemelijk is. Al met al is Ohra dan ook niet in haar bewijsopdracht sub A., eerste twee gedachtestreepjes geslaagd, waarmee het belang aan de bewijsopdracht voor het overige komt te ontvallen. Het aan artikel 12 van de polisvoorwaarden en artikel 7:941 leden 1 en 4 BW ontleende bevrijdend verweer van Ohra moet derhalve worden verworpen.

2.10 Nu de grieven I en II terecht zijn voorgesteld, moet het hof de omvang van de schadeposten vaststellen.

[A] specificeert zijn schade in hoger beroep als volgt:

dagwaarde van de auto op 14 februari 2008; € 7.000,00

verkoop en overdracht van de auto op 26 augustus 2009: ./. € 2.250,00

resteert: € 4.750,00

buitengerechtelijke kosten € 714,00

expertisekosten door [B] € 116,14

subtotaal € 5.580,14

motorrijtuigenbelasting van 15 september 2007

tot 26 augustus 2009: € 438,00

verzekeringspremie over die periode ` € 718,72

€ 1.156,72

totaal € 6.736,86.

2.11 Met een beroep op haar polisvoorwaarden heeft Ohra verdedigd dat niet de dagwaarde (van € 7.000) het uitgangspunt is, maar de poliswaarde, zoals door CED Bergweg in haar rapport van 14 februari 2008, bladen 4 en 5 (productie IV bij de inleidende dagvaarding) op basis van totaal verlies vastgesteld op € 6.562,67. Als door [A] niet weersproken staat vast dat hij zich daarmee akkoord heeft verklaard, zodat hiervan moet worden uitgegaan.

Tegen de verkoopopbrengst van € 2.250 in augustus 2009 heeft Ohra in hoger beroep terecht aangevoerd dat [A] de auto in februari 2008 had kunnen verkopen voor de hoogste bieding van € 3.121, zoals deze blijkt uit voormeld rapport van CED Bergweg, blad 1 onderaan. [A] heeft wel aangevoerd dat hij de auto ter beschikking moest houden voor verder onderzoek, maar het onderzoek in opdracht van Ohra had reeds plaatsgevonden in februari 2008, zodat hij toen al tot tegenonderzoek kon overgaan dan wel tenminste Ohra had kunnen aanschrijven tot verder onderzoek en/of dat haar houding hem zou noodzaken om de auto, ongebruikt, als onderzoeksobject ter beschikking te houden met alle kosten van dien. Dat heeft hij kennelijk nagelaten. Aldus komt het niet proportioneel voor dat [A] een, blijkbaar onbruikbaar geworden, auto enkel ter beschikking zou hebben gehouden voor een overigens niet door hem voorgesteld of verricht onderzoek. Daarom moet van de hogere verkoopopbrengst in februari 2008 worden uitgegaan.

Ohra heeft nog aangevoerd dat [A] bij een veroordeling tot uitkering onder de polis eerst zijn rechten met betrekking tot de auto moet overdragen. Dit standpunt miskent echter dat CED Bergweg, kennelijk in verband met de door [A] uitgesproken wens om te wachten met verkoop van de auto (zie haar rapport van 15 februari 2008, blad 3 onderaan), de schade op basis van totaal verlies heeft verminderd met de restwaarde van de auto. Daarom wordt dit verweer verworpen.

Anders dan [A] verlangt, is Ohra niet verplicht om over een periode van 15 september 2007 tot 26 augustus 2009 de motorrijtuigenbelasting ad in totaal € 438 en de verzekeringspremie ad in totaal € 718,72 te vergoeden. De polis biedt daarvoor geen grondslag, terwijl [A] voor de afwenteling van deze kosten evenmin een toerekenbare tekortkoming heeft ingeroepen.

Tegen de afwijzing van de in eerste aanleg gevorderde vergoeding van de kosten van expertise door J. Jansen van € 116,14 en van de buitengerechtelijke incassokosten van € 714 heeft [A] geen grief aangevoerd, zodat deze, ook al zijn zij in hoger beroep opnieuw gevorderd, hier niet meer aan de orde komen.

3. Slotsom

3.1 Het hoger beroep slaagt, zodat het eindvonnis moet worden vernietigd.

3.2 Ohra zal worden veroordeeld tot betaling aan [A] van (€ 6.562,67 ./. € 3.121 =) € 3.441,67, vermeerderd met de onweersproken wettelijke rente vanaf 15 september 2007 tot de dag der voldoening.

3.3 Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld. Grief III slaagt in zoverre.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 9 september 2009 en doet opnieuw recht:

veroordeelt Ohra om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] een bedrag te voldoen van € 3.441,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 september 2007 tot de dag der voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van der Poel, A.W. Steeg en L.F. Wiggers-Rust, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.