Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX3371

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
21-002887-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van weed en hennepsteken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002887-11

Uitspraak d.d.: 13 juni 2012

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 8 augustus 2011 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 mei 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr J.W. Brouwer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 101.780,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 94.220 en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Almelo van 14 juli 2009 terzake van onder meer het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 1 maart 2007 tot en met 2 maart 2009 veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Veroordeelde heeft erkend dat hij weed en weedstekken verhandeld heeft. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Omtrent de mogelijke opbrengsten van deze handel is een ontnemingsrapport wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt door de politie Twente van 20 januari 2010.

Naar het oordeel van het hof kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Naar aanleiding van op 24 mei 2009 te Almelo opgerolde hennepkwekerij, waarbij de naam van veroordeelde naar voren komt, wordt een onderzoek ingesteld naar de handelsonderneming annex growshop waarvan veroordeelde medevennoot is.

Op 3 maart 2009 werd een controle ingesteld een naar de mogelijke aanwezigheid van verdovende middelen in het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats]. Hier is gevestigd handelsonderneming annex growshop [bedrijf]. Deze handelsonderneming heeft twee eigenaren, genaamd [verdachte] en [naam].

In het pand werden boven op de eerste etage plasticzakken aangetroffen met opschrift [opschrift]. De geur uit deze zakken werd herkend als hennepgeur. Tevens werden er in een afvalzak achter de balie op de benedenverdieping restjes gevonden van hennep. De geur uit deze zak werd ook herkend als zijnde hennep.

De eigenaren [verdachte] en [naam] gaven vrijwillig hun autosleutels af om ook

hun auto's te kijken. Beide auto's stonden geparkeerd voor de [bedrijf]. Voorts werd een witte Ford type Courier voorzien van kenteken [kenteken] aangetroffen. In deze auto werd bij een nader onderzoek het volgende aangetroffen:

- 16,8 kilo marihuana;

- en 450 hennepstekken.

Bij een huiszoeking in de woning van veroordeelde wordt 1850 gram marihuana aangetroffen

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal onderschrijft het ontnemingsvonnis van de rechtbank Almelo. De advocaat-generaal voert daartoe onder mee aan dat het aannemelijk is dat veroordeelde gedurende twee jaar in softdrugs heeft gehandeld en dat de handel in deze twee jaar voor in totaal acht weken heeft stilgelegen in verband met vakantie.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt op gronden als verwoord in de memorie van grieven van 3 april 2012 dat de rechtbank bij haar berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te hoge winstmarge. Voorts stelt de verdediging dat de handel langer dan acht weken, als door de rechtbank is aangenomen, heeft stilgelegen.

Overwegingen van het hof

Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof als uitgangspunt het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Almelo van 14 juli 2009. Met betrekking tot de handel in softdrugs is door de rechtbank in de aan de ontneming ten grondslag liggende hoofdzaak bewezen verklaard dat verdachte heeft gehandeld in de periode van 1 maart 2007 tot en met 2 maart 2009. Dit is een periode van 2 x 52 weken = 104 weken.

Ten aanzien van de handel in weed.

Hoewel het hof, gelet op de onderlinge concurrentie, het niet waarschijnlijk voorkomt dat een growshop tijdens de vakantieperiode en de kerstperiode gesloten is, zal het hof ten voordele van veroordeelde uitgaan van een vakantieperiode van drie weken tijdens de zomermaanden en van 1 week tussen kerst en Nieuwjaar. Uitgegaan wordt derhalve van een handel gedurende 104 minus 2 x 4 = 96 weken.

De stelling van de verdediging dat de handel de laatste twee maanden stil heeft gelegen, hetgeen zou kunnen blijken uit de bij de doorzoekingen aangetroffen grote hoeveelheid marihuana en stekken, acht het hof, gelet op het ontbreken van een afdoende en verifieerbare onderbouwing, niet aannemelijk geworden.

Veroordeelde heeft ten aanzien van de verkoop van weed verklaard dat hij al langer dan twee jaar in de weedhandel zit. Voorts verklaarde veroordeelde dat er elke week wel iemand kwam waarvan hij weed kocht. De hoeveelheden lagen tussen de 200 gram en vier kilo. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat het slechts zeer incidenteel was dat hij vier kilo kocht. Omdat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet duidelijk naar voren komt hoeveel per week door de growshop is verkocht zal het hof in het voordeel van veroordeelde uitgaan van de verkoop van één (1) kilo per week.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij altijd € 3.000,00 per kilo weed betaalde en ook wel eens € 3.200,=. Het hof acht derhalve een inkoopprijs van € 3.050,00 per kilo aannemelijk.

Veroordeelde heeft voorts verklaard dat hij de weed verkocht voor € 3.500,00 per kilo.

Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof tot de volgende schatting (berekening) van de behaalde bruto opbrengst bij de verkoop van weed:

weedstekken

Ten aanzien van de weedstekken heeft veroordeelde verklaard dat hij ongeveer anderhalf jaar handelt in weedstekken en dat hij schat dat hij gemiddeld 200 weedstekken per week heeft verhandeld. De inkoopprijs van de stekken van € 2,00 en de verkoopprijs was € 2,25 per stuk.

Een periode van anderhalf jaar beslaat 78 weken. In het voordeel van veroordeelde zal het hof ook bij deze periode acht vakantieweken in mindering brengen, zodat een periode van 70 weken resteert.

Dit resulteert in de volgende schatting (berekening) van de behaalde bruto opbrengst bij de verkoop van weedstekken:

Schatting

Gelet op het bovenstaande schat het hof het door de hennepkwekerij verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel op € 43.200,00 + € 3.500,00 = € 46.700,00.

Het hof verwerpt het betoog van de verdediging dat de onder veroordeelde in beslag genomen weed en weedstekken, welke volgens de verdediging een waarde vertegenwoordigen van € 60.420,=, op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht. Deze gemaakt kosten staan niet in directe relatie tot het behaalde voordeel. Degene die ervoor kiest het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden voor de aankoop van weed en weedstekken, neemt het risico van beslag. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daardoor niet verminderd.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 46.700,00.

Draagkracht.

Door de verdediging is gesteld dat veroordeelde, gelet op het feit dat hij thans een bijstandsuitkering geniet, geen draagkracht heeft om het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen.

Het hof is gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat zou zijn aan het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. Het hof ziet daarom geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 46.700,00 (zesenveertigduizend zevenhonderd euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 46.700,00 (zesenveertigduizend zevenhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr J.D. den Hartog en mr P.L.M. van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 13 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Abbink en mr Van Gorkom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.