Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX3092

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
200.100.331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie; vermogensrechtelijke gevolgen van de keuze voor een bepaald huwelijksvermogensregime voor vorige echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.100.331

(zaaknummer rechtbank 121079 / FA RK 11-704)

beschikking van de familiekamer van 28 juni 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. M.S. Flokstra te Oldenzaal,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. K.G.I.M. Schröder te Utrecht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 januari 2012, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2010 en het daarvan onderdeel uitmakende echtscheidingsconvenant zal worden gewijzigd, waarbij het hof de te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juni 2011 zal vaststellen op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 maart 2012, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 3 mei 2012 een brief van mr. Flokstra van 2 mei 2012 met bijlagen;

- op 11 mei 2012 een brief van mr. Schröder van dezelfde datum met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 3 augustus 1998 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 2 juni 2010 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke echtscheiding op 30 juni 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij het door partijen op 17 april 2010 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“Partneralimentatie

a. Partijen hebben een alimentatieberekening laten uitvoeren op basis van de Tremanorm. Daaruit is gebleken dat de man maximaal € 268 bruto per maand aan partneralimentatie kan betalen.

b. De behoefte van de vrouw is vastgesteld op € 1.228 bruto per maand.

(…)

e. Partijen stellen vast dat de partneralimentatie te allen tijde opnieuw in onderling overleg kan worden vastgesteld als gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit zal in ieder geval plaatsvinden zodra de man een nieuwe woning heeft gevonden en zijn woonlasten bekend zijn en in september 2010, wanneer de aflossing van een aantal schulden zal zijn gerealiseerd.“

3.3 Bij voormelde echtscheidingbeschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand telkens bij vooruitbetaling € 268,- per maand zal voldoen, en dat de regeling, zoals tussen de man en de vrouw is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte convenant, deel uitmaakt van deze beschikking.

Voormelde bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 270,41 per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 6 juni 2011, heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Utrecht, en daarmee het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, te wijzigen en, na wijziging van dat verzoek, verzocht zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juni 2011 op nihil te stellen, althans op een bedrag dat de rechtbank juist acht. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.5 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.6 De man, geboren op [geboortedatum] 1967, is op 6 mei 2011 gehuwd met [A.], verder te noemen “[A.]”. De man vormt samen met [A.] en haar op [geboortedatum] 1998 geboren zoon [B.], verder te noemen “[B.]”, een gezin.

[A.] voorziet in haar eigen levensonderhoud met, naar de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, een gemiddeld inkomen van € 785,- netto per maand. Omdat de vader van [B.] op 16 februari 2011 is overleden, ontvangt [A.] voorts uit hoofde van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een uitkering. Blijkens het overzicht Anw-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank bedraagt die uitkering vanaf maart 2012 € 288,79 bruto (€ 174,90 netto) per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van 2011 € 415,20 bruto per week, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man ontvangt daarnaast een wachtdagcompensatie van € 4,80 bruto per week. Volgens de jaaropgave 2011 bedroeg zijn belastbaar loon in dat jaar € 23.580,-.

Blijkens de salarisspecificaties van februari en maart 2012 bedraagt het inkomen van de man € 1.818,08 per maand bruto, ofwel € 1.399,47 netto per maand.

3.7 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 277,43 aan huur, zijnde de helft van de volledige huur;

- € 33,35 aan ziektekosten in 2011:

€ 106,35 premie basisverzekering ZVW, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 45,- en de zorgtoeslag van € 28,-.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1966, is alleenstaand.

Het inkomen van de vrouw bij [...] bedroeg blijkens de salarisspecificatie van augustus 2011 € 707,45 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Blijkens de salarisspecificatie van januari 2012 bedroeg haar inkomen die maand € 826,68 netto, te vermeerderen met vakantietoeslag.

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van de vrouw bij [...] is met ingang van 1 februari 2012 van rechtswege geëindigd. De vrouw ontvangt met ingang van 1 februari 2012 een WW-uitkering van € 32,66 bruto per dag tot 1 april 2012 en van € 30,49 bruto per dag met ingang van 1 april 2012, beide bedragen te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.9 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 475,01 aan huur met ingang van 1 juli 2011 en € 486,01 met ingang van 1 juli 2012;

- € 52,- aan ziektekosten in 2010 en € 76,64 in 2012:

- € 96,- premie basisverzekering ZVW in 2010 en € 125,64 in 2012, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 44,- in 2010 en € 49,- in 2012.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is niet meer aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW.

4.2 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de halfwezenuitkering die [B.] ontvangt in mindering strekt op de behoefte van [B.]. De vrouw betwist dat.

Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [B.] € 305,- per maand bedraagt.

4.3 Het hof zal eerst de grieven 3 en 4 bespreken, welke grieven betrekking hebben op de draagkracht van de man. De man stelt daarin dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

4.4 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.5 Bij de vaststelling van het besteedbaar inkomen van de man hanteert het hof de netto methode, nu het bruto inkomen van de man ten tijde van de verzochte ingangsdatum van de wijziging in 2011 lager is dan € 2.000,- per maand. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.6 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, en [A.] in haar eigen levensonderhoud voorziet, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 70 voor de netto methode. In het geval de man over de draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te voldoen, dient vervolgens beoordeeld te worden welk deel daarvan ten behoeve van [B.] dient te worden aangewend, nu de man naast [A.] op grond van het bepaalde in artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens dit stiefkind onderhoudsplichtig is, en deze onderhoudsplicht krachtens het bepaalde in artikel 1:400 lid 1 BW voorrang heeft boven zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw.

4.7 Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

4.8 De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schuldenlast van € 185,- per maand in verband met schulden uit het huwelijk van partijen en dat de rechtbank ten onrechte heeft verzuimd de alimentatie op nihil te stellen vanwege de vrijwillige schuldsanering die de man is aangegaan. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist.

4.9 Naar het oordeel van het hof kan in zijn algemeenheid niet worden aanvaard dat een jegens een vorige echtgenoot onderhoudsplichtige ex-echtgenoot gehouden is een volgend huwelijk aan te gaan onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden. Op grond van de omstandigheden van het geval dient beoordeeld te worden of de onderhoudsplichtige ex-echtgenoot zich al dan niet bewust had dienen te zijn van de eventuele negatieve vermogensrechtelijke gevolgen van de keuze voor een bepaald huwelijksvermogensregime voor zijn vorige echtgenoot. De man heeft in hoger beroep verklaard dat hij in gemeenschap van goederen met [A.] is gehuwd en dat kort nadien is gebleken dat zijn huidige echtgenote nog steeds aansprakelijk is voor de schulden die zijn ontstaan ten tijde van het huwelijk van [A.] met de heer [C.], verder te noemen “[C.]”, de overleden vader van [B.]. [A.] en [C.] hadden de gevolgen van hun echtscheiding aldus geregeld dat in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen [C.] de aflossing van de gemeenschappelijke schulden voor zijn rekening zou nemen. [C.] heeft zich ook aan de gemaakte afspraken gehouden, zij het dat de schuldeisers vanaf de datum van zijn overlijden op 16 februari 2011 [A.] aansprakelijk hebben gesteld voor de op dat moment nog bestaande schulden. Als gevolg daarvan kan thans de gemeenschap van goederen tussen de man en [A.] worden uitgewonnen en heeft de man geen andere keuze dan het aangaan van schuldsanering, nu de gezinsinkomsten geen ruimte bieden tot aflossing van de bestaande schulden. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat [A.] hem niet heeft geïnformeerd over het bestaan van schulden die dateren uit de periode dat zij met [C.] was gehuwd. Niet onaannemelijk is dat [A.] voetstoots ervan is uitgegaan dat de aflossing van huwelijkse schulden door [C.] zou worden gecontinueerd en dat zij geen enkele aanleiding had ermee rekening te houden dat [C.] spoedig zou overlijden. De vrouw heeft in dat verband de gemotiveerde stellingen van de man onvoldoende betwist en niet aannemelijk gemaakt dat de man wel zou hebben geweten dat de mogelijkheid bestond dat [A.] aansprakelijk was voor schulden en dat van hem verwacht kon worden op huwelijkse voorwaarden met haar te trouwen. De vrouw heeft evenmin aannemelijk kunnen maken dat de man met opzet in gemeenschap van goederen met [A.] is gehuwd, louter om door het opvoeren van aflossingen op schulden onder zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw uit te komen. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de man lichtvaardig schulden is aangegaan.

4.10 De man heeft door overlegging van producties in eerste aanleg, productie 8 (aanvraag schuldsaneringsregeling) en productie 14 (overzichten van de Stadsbank Oost Nederland waarop de bankafschriften van de man van 7 juni 2011 en 5 juli 2011 zijn verwerkt), alsmede door overlegging van producties 9, 17 en 18 in hoger beroep, voldoende aannemelijk gemaakt dat op hem, in verband met voormelde schulden, de buitenwettelijke (vrijwillige) schuldsaneringsregeling van toepassing is. Uit de bij brief van 2 mei 2012 overgelegde productie 17, de brief van de Stadsbank van 27 oktober 2011, blijkt dat de schuldhulpverlening is ingegaan op 25 mei 2011 en dat het saldo van die schulden meer dan € 30.000,- bedraagt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, hoewel op de man niet de wettelijke schuldsaneringsregeling, verder: “WSNP”, van toepassing is verklaard, de man in een financiële positie verkeert die gezien opzet en inhoud in zodanige mate overeenkomt met een schuldsaneringsregeling op basis van de WSNP, dat die financiële positie hieraan gelijk gesteld dient te worden. Het hof betrekt hierbij nog dat sinds 1 januari 2008 als toelatingseis tot de WSNP geldt dat eerst een vrijwillige bemiddeling of sanering beproefd dient te worden.

Gelet op de hoogte van de schuldenlast en op het feit dat deze schulden niet lichtvaardig zijn aangegaan is het hof met de man van oordeel dat in dit geval met die schuldenlast en de aflossing daarvan rekening dient te worden gehouden. De derde grief van de man slaagt.

4.11 Blijkens produktie 17, overgelegd bij brief van de advocaat van de man van 2 mei 2012, in samenhang bezien met de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door de man gegeven toelichting, bedraagt de totale schuldenlast € 27.734,31, inclusief de schulden uit het huwelijk van de man en de vrouw en exclusief de reeds betaalde schulden en de schuld aan het LBIO. Uitgaande van het inkomen van de man volgens de jaaropgave 2011, aan de hand waarvan zijn netto inkomen berekend kan worden op € 1.434,- per maand, inclusief vakantietoeslag, acht het hof het redelijk indien van dat inkomen maandelijks ongeveer 20% aan aflossing van schulden wordt besteed, ofwel afgerond € 300,-. Met een dergelijke last rekening houdend, alsmede met de financiële gegevens van de man zoals vermeld onder 3.6 en 3.7, resteert voor hem vervolgens een draagkracht van € 77,- per maand.

4.12 Uit de financiële gegevens van de man blijkt dat [A.], inclusief de Anw-uitkering die zij geniet, over een netto maandinkomen beschikt van circa € 970,-, ongeveer € 45,- boven het bijstandsniveau voor een alleenstaande. Indien zij genoemd bedrag aanwendt om te voorzien in de behoefte van [B.] van € 305,- per maand, resteert voor [B.] nog een behoefte van € 260,- per maand. Nu de vader van [B.] is overleden, is slechts de man naast [A.] als stiefouder verplicht in de behoefte van [B.] te voorzien, welke verplichting voorrang heeft boven zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. Indien de voor de man resterende draagkracht van € 77,- wordt aangewend ten behoeve van zijn stiefzoon, is nog steeds sprake van behoefte van [B.] aan een bijdrage en resteert vervolgens geen draagkracht meer om enige bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de vrouw. Hieraan doet niet af de stelling van de vrouw dat zij van de Stadsbank de onderhoudsbijdrage nog steeds ontvangt, nu de man hiertegenover - onweersproken - heeft gesteld dat die onderhoudsbijdrage wel door de Stadsbank aan de vrouw wordt voldaan maar dat daardoor zijn aflossingscapaciteit op de schulden is gedaald tot nihil. Grief 4 van de man slaagt eveneens.

4.13 Door het slagen van voormelde grieven brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van de vrouw in eerste aanleg, thans nog beoordeeld moeten worden. De vrouw heeft aangevoerd dat de man geheel vrijwillig heeft ingestemd met de beëindiging van zijn dienstverband voor onbepaalde tijd, en dat het in de gegeven omstandigheden op zijn weg had gelegen zich tegen beëindiging van zijn dienstverband te verweren dan wel bij een beëindiging met wederzijds goedvinden een vergoeding te bedingen.

4.14 Het hof overweegt hieromtrent dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt dat de man heeft verklaard dat hij op 1 november 2010 is ontslagen. Er bestond voorafgaand aan het ontslag discussie over de inhoud van zijn functie, de sfeer op het werk was grimmiger geworden en er was in tegenstelling tot voorheen voor hem geen overwerk meer beschikbaar. In oktober 2010 hoefde hij ook niet meer te komen werken. Volgens de man is er geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Na het ontslag is de man dan ook direct op zoek gegaan naar een andere baan en heeft die ook gevonden, zij het tegen een lager salaris. Werk tegen een hoger salaris zit er niet in, volgens de man. De vrouw heeft daarop haar verweer dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies gehandhaafd, zij het dat zij die stelling niet nader heeft toegelicht of onderbouwd. Het hof is daarom van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van verwijtbaar inkomensverlies. Gelet op de uitvoerige toelichting van de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg over zijn ontslag, lag het op de weg van de vrouw haar verweer op dat onderdeel nader te onderbouwen. Nu zij haar stelling niet nader heeft onderbouwd en gesteld noch gebleken is dat de man zijn oude inkomen kan terugkrijgen of dat hij kan terugkeren in zijn oude baan en dat dat van hem gevergd kan worden, heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de inkomensvermindering herstelbaar is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de man zich tegenover de vrouw van gedragingen jegens zijn vorige werkgever had dienen te onthouden. Onder deze omstandigheden gaat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn huidige inkomen.

4.15 In eerste aanleg heeft de vrouw voorts het verweer gevoerd dat, mocht de hoogte van de onderhoudsbijdrage worden gewijzigd, er geen aanleiding bestaat dat met terugwerkende kracht te laten plaatsvinden. De rechtbank is aan de beoordeling van dat verweer niet toegekomen omdat het verzoek van de man is afgewezen, reden voor het hof dat alsnog te doen.

4.16 Zoals hiervoor is overwogen, heeft de vrouw gesteld dat zij de door de man aan haar verschuldigde onderhoudsbijdrage ten bedrage van € 270,41 per maand nog steeds van de Stadsbank ontvangt. Met deze bijdrage, vermeerderd met haar huidige inkomen, kan zij niet voorzien in haar behoefte en dient zij rond te komen met een inkomen onder bijstandsniveau. De man heeft daartegenover niets gesteld ter onderbouwing van zijn verzoek de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te verlagen. Op grond van het voorgaande zal het hof de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in de periode van de schuldsanering tot op heden vaststellen op het bedrag dat in feite aan de vrouw is voldaan en voor de resterende duur van de schuldsanering op nihil.

4.17 Gelet op het voorgaande behoeven grieven 1 en 2 geen nadere bespreking.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2011 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2010 en het daarvan onderdeel uitmakende echtscheidingsconvenant en stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud tot heden vast op het bedrag dat dienaangaande door of namens de man aan de vrouw is betaald en met ingang van heden, gedurende de periode dat op de man de buitenwettelijke schuldsanering van toepassing is, op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Luiten, M.L van der Bel en B.F. Keulen, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 28 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.