Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX2664

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
25-07-2012
Zaaknummer
200.080.097/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldvordering ex echtgenote. Verjaring onaangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 24 juli 2012

Zaaknummer 200.080.097/01

(zaaknummer rechtbank: 175472 / HA ZA 10-221)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J. Pieters, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. T.H.I.M. Pierik, kantoorhoudende te Zwolle.

Het verdere verloop van geding in hoger beroep

Voor het procesverloop tot 6 maart 2012 verwijst het hof naar het arrest van die datum. Hierna heeft een comparitie van partijen plaatsgehad waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grief

[appellante] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. In deze zaak staat tussen partijen het volgende vast.

Partijen zijn op 10 oktober 1989 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Daarbij is iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en is een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Tijdens het huwelijk is dat beding niet nageleefd. Bij beschikking van 7 augustus 2008 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Deze beschikking is op 22 augustus 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het geschil

1.1. In de oorspronkelijke procedure in conventie heeft [appellante] na eisvermeerdering terugbetaling gevorderd van leningen aan [geïntimeerde] van € 2.723,- en € 13.613,-, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast heeft zij betaling gevorderd van de nog nader te bepalen overwaarde van de voormalige echtelijke woning die

[geïntimeerde] volgens haar bij het huwelijk van partijen heeft aangebracht. In reconventie heeft [geïntimeerde] (primair) vergoeding gevorderd van € 10.560,- dan wel € 5.345,- op grond van de stelling dat aan hem toekomende belastingteruggaven over de periode 1990-1995 door de belastingdienst ten onrechte zijn gestort op de privérekening van [appellante]. Bij vermeerdering van eis heeft [geïntimeerde] vergoeding gevorderd van € 6.500,-. De rechtbank heeft al deze vorderingen bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing afgewezen.

1.2. Dit hoger beroep heeft slechts betrekking op de vorderingen van [appellante]. Met de grief wordt de afwijzing daarvan bestreden.

De leningen

2. [appellante] stelt dat zij aan het begin van haar huwelijk met [geïntimeerde] ten behoeve van diens onderneming fl. 30.000,- (€ 13.613,-) aan hem heeft geleend, enkele maanden later (op 7 februari 1990) gevolgd door een tweede lening van fl. 6.000,- (€ 2.723,-). [geïntimeerde] heeft zich onder meer op verjaring van die vorderingen beroepen. Dat verweer treft doel. Het betreft vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. Daarvoor geldt ingevolge artikel 3:307 BW en het daarop toepasselijke overgangsrecht een verjaringstermijn van 5 jaar na aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Omdat niets is gesteld omtrent de tijd die voor de nakoming is bepaald, moet het ervoor worden gehouden dat deze vorderingen terstond opeisbaar zijn geworden. Voor beide vorderingen moet dus worden aangenomen dat ze (tenminste) op 7 februari 1990 opeisbaar waren. Behoudens verlenging zijn de vorderingen daarna ingevolge artikel 3:307 BW gedurende het huwelijk van partijen verjaard. Krachtens het bepaalde in de artikelen 3:321 en 3:320 BW, gelezen in onderling verband, is echter sprake van verlenging van die verjaring, en zijn de vorderingen van [appellante] daadwerkelijk verjaard na het verstrijken van zes maanden nadat het huwelijk is ontbonden (22 februari 2009). Nu [appellante] zich ten aanzien van stuiting van de verjaring slechts beroept op een sommatie van 14 april 2009 (met betrekking tot de tweede lening) en op het instellen van de rechtsvorderingen in dit geschil, moet de verjaring van deze vorderingen geacht worden niet tijdig te zijn gestuit.

3. Het bestreden vonnis wordt ten aanzien van de afwijzing van deze vorderingen bekrachtigd. De grief faalt in zoverre.

De echtelijke woning

4. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] tijdens het huwelijk van partijen de (economische) eigendom van de voormalige echtelijke woning heeft verkregen. Omdat partijen een periodieke verrekenplicht zijn overeengekomen als bedoeld in artikel

1:141 BW (die zij niet hebben nageleefd), meent zij aanspraak te kunnen maken op de helft van de overwaarde die deze woning had op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek (4 januari 2008). Naar het hof begrijpt, stelt [appellante] zich op het standpunt dat vermogensvorming heeft plaatsgevonden door hypotheekaflossingen en rentebetalingen. Dat laatste vindt geen steun in het recht, omdat rentebetalingen hebben te gelden als kosten van de huishouding. Ten aanzien van de stelling dat de hypotheekschuld (geheel) is afgelost van overgespaard vermogen, oordeelt het hof als volgt.

5. [geïntimeerde] verweert zich met het betoog dat hij de economische eigendom van de woning voor fl. 195.000,- van zijn moeder heeft verkregen en dat de koopsom is omgezet in een lening waarop hij niet heeft afgelost, terwijl hij de verschuldigde rente slechts ten dele heeft voldaan. [geïntimeerde] heeft dit verweer onderbouwd door overlegging van een getekende en op 1 juni 1992 gedateerde koopovereenkomst (productie 3 bij akte van 9 maart 2010). In die akte is onder meer geregeld dat de verkopers (de ouders van [geïntimeerde]) volledige kwijting zullen verlenen "als de koopsom wordt omgezet in een geldlening, waarvoor een schuldbekentenis wordt afgegeven".

6. In reactie op dit verweer heeft [appellante] erkend dat [geïntimeerde] staande het huwelijk niets voor de woning heeft betaald. Daarmee staat als onbestreden vast dat geen sprake is geweest van aanwending van uit de inkomsten van partijen bespaard en ongedeeld gebleven vermogen als bedoeld in artikel 141 lid 1 BW. Als al sprake is van waardevermeerdering van de voormalige echtelijke woning na het verkrijgen van de economische eigendom daarvan, dan stuit de vordering af op die constatering (vergelijk HR 19-11-2010, LJN: BN8027, NJ 2011, 112), wat er verder van die vordering ook zijn mag.

De slotsom

7. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Omdat partijen voormalige echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, L. Janse, en G. van Rijssen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 juli 2012 in bijzijn van de griffier.