Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX2349

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
21-003499-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2014, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord en tweemaal poging tot doodslag op festival Rio aan de Rijn te Arnhem.

De verdediging heeft gesteld dat er geen sprake was van voorbedachte raad en dat verdachte op grond van psychische overmacht niet strafbaar is. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging. Verdachte heeft de confrontatie zelf opgezocht en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, overmand door angst. Dat is moord en van psychische overmacht is geen sprake. Door het zeven keer schieten op een marktplein vol met mensen, was er bovendien een grote kans op het dodelijk treffen van anderen. Voor de twee getroffen omstanders levert dat poging doodslag op. Anders dan de rechtbank komt het hof daarbij niet tot het bewijs van poging tot moord, maar dit heeft geen gevolgen voor de strafduur.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003499-11

Uitspraak d.d.: 24 juli 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-702712-10 en 05-703013-10, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-825416-09, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 april 2012 en 10 juli 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr Th.U. Hiddema, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-702712-10:

1:

hij op of omstreeks 21 augustus 2010 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een aantal malen (gericht) heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2:

hij op of omstreeks 21 augustus 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 21 augustus 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 05-703013-10 (gevoegd):

hij op of omstreeks 17 juli 2010 te Arnhem voorhanden heeft gehad een/twee scherpe patro(o)n(en) van het kaliber 6.35 mm, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de hem onder parketnummer 05/702712-10 onder 1 (voor zover het de moord op [slachtoffer 1] betreft), 2 en 3 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Vaststaande feiten

Op zaterdag 21 augustus 2010 vond op de Markt in het centrum van Arnhem het festival ‘Rio aan de Rijn’ plaats. Omstreeks 19.10 uur waren twee- tot driehonderd mensen voor het podium en op de tribune aanwezig. Omstreeks dat tijdstip heeft verdachte op de Markt met een vuurwapen meerdere keren geschoten op [slachtoffer 1], waardoor [slachtoffer 1] 4 schotwonden heeft opgelopen (vier maal een inschot). Hij is dezelfde dag overleden als gevolg van bloedverlies veroorzaakt door deze schotwonden. Verdachte had de opzet op het doden van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] was in 2004 op Curaçao betrokken bij een schietincident, als gevolg waarvan verdachte ernstig gewond is geraakt.

Verdachte heeft tijdens de schietpartij op 21 augustus 2010 ook twee omstanders in de nabijheid van [slachtoffer 1] geraakt, namelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. [slachtoffer 2] is in zijn borst geraakt, [slachtoffer 3] in haar voet.

Feit 1: [slachtoffer 1]

Volgens de advocaat-generaal kan moord op [slachtoffer 1] bewezen worden. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte weloverwogen heeft gehandeld. Verdachte heeft de gelegenheid benut en de tijd gehad en genomen om opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg het slachtoffer van het leven te beroven.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat er geen sprake is van voorbedachte raad. Hiertoe heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld, nadat hij [slachtoffer 1] toevallig tegenkwam in de stad. Hij wist niet dat [slachtoffer 1] naar het festival zou komen. Toen hij [slachtoffer 1] zag was het, gezien de langslepende vete met [slachtoffer 1] en zijn familie, ‘hij of ik’. Vrijwel meteen nadat verdachte [slachtoffer 1] zag, begon hij te schieten. Bij de besluitvorming en uitvoering is volgens de verdediging ook sprake geweest van een ‘plotselinge hevige drift’ en van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering. Deze omstandigheden –de spontane actie, de korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering en de hevige emotie- zijn contra-indicaties zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, die afzonderlijk, maar zeker in onderlinge samenhang bezien, dermate zwaar wegen dat zij in de weg staan aan een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.

De vraag is dus of bij verdachte sprake was van voorbedachte raad toen hij [slachtoffer 1] van het leven beroofde.

Het hof overweegt het volgende:

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012 (LJN: BR2342, overweging 2.7.2.):

“Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet (…) komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.”

Het hof acht op de volgende gronden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.

Getuigenverklaring [getuige 1]

Naar het oordeel van het hof bestond in elk geval al de dag voor het festival Rio aan de Rijn bij verdachte de wetenschap dat [slachtoffer 1] naar de stad zou komen om carnaval te vieren, gelet op de verklaring van [getuige 1] bij de politie van 27 oktober 2010, meer in het bijzonder de volgende passage (p. 609):

“Een dag eerder (het hof begrijpt: 20 augustus 2010) heeft [verdachte] tegen mij gezegd dat hij gehoord had dat degene die hem in Curaçao had neergeschoten naar de stad zou komen om carnaval te vieren. Toen [verdachte] dit vertelde begon hij te lachen en te huilen door elkaar.”

Deze getuige is daarna in hoger beroep nog gehoord bij de rechter-commissaris op 13 februari 2012, nogmaals door de politie op 27 februari 2012 en ter terechtzitting van het hof op 10 juli 2012. De getuige heeft op belastende onderdelen wisselende verklaringen afgelegd. Volgens de verdediging is dan ook sprake van een onbetrouwbare getuige en zou het hof zijn verklaringen niet tot bewijs mogen bezigen.

Het hof acht de door de getuige op 27 oktober 2010 bij de politie afgelegde verklaring, meer in het bijzonder voor zover inhoudende dat verdachte de dag voor het festival hem had verteld dat hij (verdachte ) had gehoord dat degene die hem neergeschoten had naar het festival zou komen, echter wel geloofwaardig en authentiek. De getuige heeft in zijn eerste verklaring tegenover de politie uitvoerig en gedetailleerd verklaard over de gebeurtenissen op en omstreeks 21 augustus 2010. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van de twee verhorende verbalisanten van 1 maart 2012 verliep het verhoor op een normale en rustige wijze, wist de getuige zich veel te herinneren van wat voorafgaand aan de schietpartij was voorgevallen en heeft hij zijn verklaring doorgelezen en zonder commentaar ondertekend. Bovendien verklaren de verbalisanten op ambtseed dat de getuige [getuige 1] wel heeft verklaard dat verdachte hem had gezegd dat de man die hem op Curaçao had neergeschoten carnaval zou komen vieren en dat zij voor dit verhoor geen aanwijzingen hadden dat er een gesprek met deze strekking tussen verdachte en [getuige 1] had plaatsgevonden.

Bovendien heeft de getuige op 13 februari 2012 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de politie (op 27 oktober 2010) de waarheid heeft verklaard, dat het waar is wat in zijn verklaring staat en dat hij deze heeft doorgelezen en heeft ondertekend. Dat hij daarna als oude vriend van verdachte, op uitdrukkelijke vragen over de hiervoor weergegeven, belastende passage, ontkent dat gezegd te hebben is begrijpelijk maar niet aannemelijk. Dat klemt temeer omdat zijn verdere beschrijving van de gebeurtenissen op 21 augustus 2010 in de eerste verklaring bij de politie steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat geldt ook voor de door de getuige [getuige 1] genoemde emotie bij verdachte toen hij sprak over ‘degene die hem in Curaçao had neergeschoten’. Zo heeft de neef van verdachte, [getuige 2], verklaard (p. 569) dat verdachte altijd gaat huilen als hij hem spreekt over de mensen die op hem hebben geschoten.

De hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 1] weerspreekt de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat [slachtoffer 1] op 21 augustus 2010 op het festival in Arnhem zou komen.

Getuigenverklaring [getuige 3]

Volgens het ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 15 november 2010 (p. 623) heeft [getuige 3] op 2 november 2010, voorafgaand aan een verhoor, gezegd dat hij ongeveer een week voor Rio aan de Rijn had gesproken met verdachte, die zei dat hij iemand ging terugpakken, waarbij hij de littekens van kogelwonden liet zien als gevolg van een beschieting op Curaçao. Hij toonde daarbij een vuurwapen.

Getuigenverklaringen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Het dodelijk slachtoffer [slachtoffer 1] was op 21 augustus 2010 op het festival ‘Rio aan de Rijn’ met zijn vriendin [getuige 4], geen familie van verdachte), met het tweede slachtoffer [slachtoffer 2] en diens vriendin [getuige 5], en met [getuige 6]. [getuige 5] heeft onder meer verklaard (p. 387 en 388, 392 en 393) dat zij op een gegeven moment bij de Markt stonden en dat zij een onbekende Antilliaanse man achter hen zag staan. Hij stond naar hen te kijken en dat gaf [getuige 5] een vreemd gevoel. Zij zijn met z’n vijven doorgelopen en enkele minuten later bleven zij op de Markt staan. Op dat moment zag zij diezelfde man achter [slachtoffer 1] staan. Zij heeft haar vriend [slachtoffer 2] gezegd dat die vreemde man er weer was. Toen zag ze dat deze onbekende man een vuurwapen achter zijn broeksband vandaan haalde en schoot op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is weggerend en de schutter rende achter hem aan en bleef schieten op [slachtoffer 1]. Deze verklaring van [getuige 5] wordt ondersteund door aangever [slachtoffer 2] (p. 106). Hij hoorde zijn vriendin zeggen dat zij die onbekende jongen eerder gezien had. Hij draaide zich om en zag dat die jongen een vuurwapen pakte en direct schoot.

Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [getuige 5] en [slachtoffer 2]. Bij de rechter-commissaris hebben [slachtoffer 2] en [getuige 5] hun verklaring bevestigd.

De verdediging heeft in dit kader aangevoerd dat als verdachte al naar ‘het groepje van [slachtoffer 1]’ stond te kijken, dit niet zonder meer wil zeggen dat zijn blik daarbij op [slachtoffer 1] was gericht. Gelet op het feit dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] zou komen, hij [slachtoffer 1] van gezicht kende (zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard), hij op [slachtoffer 1] gefocust was en in ieder geval volgens de beschikbare beelden (onder meer p. 535, 536 en 539) vanaf ongeveer 50 minuten voor het schieten gelijktijdig met de groep van [slachtoffer 1] op of bij de Markt aanwezig was, acht het hof deze stelling, mede bezien in het licht van de hiervoor weergegeven verklaring van [getuige 5], onaannemelijk.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft verklaard dat de aanleiding van het schietincident was dat [slachtoffer 1] en diens broer en zoon in 2004 op Curaçao 44 kogels op hem hebben afgeschoten. Hij is daarbij ernstig gewond geraakt en heeft als gevolg daarvan een loodvergiftiging gekregen en een heupprothese. Verdachte wilde [slachtoffer 1] daarom al vanaf 2004 uit de weg ruimen (onder meer p. 732 en 733). Ter terechtzitting van het hof verduidelijkt verdachte nog dat ondanks dat het wapen doorgeladen was, het haperde bij het eerste schot. Op dat moment was nog niemand geraakt. Verdachte heeft verklaard dat hij net zo lang heeft geschoten tot het pistool wel werkte en uiteindelijk leeg was. In het wapen zaten 7 kogels.

Conclusie

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op grond van de gewelddadige confrontatie met het slachtoffer [slachtoffer 1] in 2004 de niet aflatende wil had om [slachtoffer 1] te doden. Hij wist in elk geval de dag voor het festival dat [slachtoffer 1] naar Arnhem zou komen. Hij is met wraakgevoelens en een (doorgeladen) wapen naar het festival Rio aan de Rijn gegaan. Nadat hij [slachtoffer 1] op de Markt had ontdekt, heeft hij het groepje mensen waarin het slachtoffer zich bevond op zijn minst enkele minuten geobserveerd. Vervolgens heeft hij zijn wapen getrokken en gericht op [slachtoffer 1]. Nadat het wapen in eerste instantie haperde heeft verdachte alsnog zijn schoten gelost. [slachtoffer 1] was geraakt en rende weg. Verdachte achtervolgde hem. Verdachte bleef schieten terwijl hij achter [slachtoffer 1] aan rende.

Hiermee is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de verdachte zich op meerdere momenten heeft kunnen beraden op het genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden. Hij heeft de confrontatie zelf opgezocht en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Alleen al in de door verdachte gemaakte keuzes ligt besloten dat er geen sprake is van de door de verdediging genoemde contra-indicaties die in de weg zouden staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad.

Feiten 2 en 3: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Volgens de advocaat-generaal was er bij het schieten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geen sprake van voorbedachte raad. Niet is gebleken dat het doel van de verdachte was om deze beide personen te doden en dat hij zich daartoe kalm en rustig heeft beraden. Poging tot doodslag op beide personen kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel poging tot moord als poging tot doodslag. Verdachte had niet de opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Ook was er geen sprake van voorwaardelijke opzet omdat de kans dat willekeurige personen, in dit geval [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], door de kogels konden worden gedood, terwijl verdachte gericht op [slachtoffer 1] schoot, niet aanmerkelijk was. Verdachte is namelijk een geoefend schutter. Ook was er geen sprake van voorbedachte raad omdat hij zich niet bewust was van de mogelijkheid dat hij anderen dan [slachtoffer 1] kon raken. Hij zag alleen [slachtoffer 1].

Het hof oordeelt hierover als volgt.

Vaststaat dat verdachte op de Markt in Arnhem, terwijl er tijdens het festival Rio aan de Rijn veel mensen aanwezig waren, meerdere keren op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Daarbij zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geraakt en verwond. Tevens staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte, anders dan bij [slachtoffer 1], niet de vooropgezette bedoeling had om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te doden. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte voorwaardelijk opzet hierop heeft gehad en zo ja, of sprake is van voorbedachte raad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de levensberoving - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Verdachte heeft verklaard dat hij gericht heeft geschoten op [slachtoffer 1], maar hij heeft dit gedaan op een marktplein waar zich op dat moment een paar honderd mensen dicht op elkaar bevonden. Volwassenen en ook kinderen dansten, liepen rond en zaten op de tribune. Het ligt in de lijn der verwachting dat een slachtoffer waarop geschoten wordt niet blijft staan, maar (als daar enige mogelijkheid toe is) gaat vluchten. Getuigen [getuige 4] (p. 522) en [getuige 5] (p. 388) hebben verklaard dat verdachte achter [slachtoffer 1] aan rende en bleef schieten.

[getuige 4] zag dat [slachtoffer 1] tussen de mensen door probeerde weg te komen en dat verdachte zijn arm bewoog tijdens het schieten: ‘links, rechts, links, rechts’. Hij schoot niet recht maar bewoog met zijn arm. Dat verdachte niet vanaf één plek gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten volgt ook uit het proces-verbaal van forensisch technisch onderzoek en de daarbij horende foto’s. Hieruit blijkt dat 7 hulzen verspreid lagen over een afstand van 7 meter. Verdachte heeft verklaard dat er 7 kogels in het vuurwapen zaten. Uit het pathologisch onderzoek van 3 januari 2011 blijkt dat er bij sectie aan het lichaam tekenen van uitwendig mechanisch perforerend geweld waren, passend bij (waarschijnlijk) viermaal een inschot en driemaal een uitschot. Dat wil dus zeggen dat drie van de zeven kogels [slachtoffer 1] niet geraakt hebben en dat waarschijnlijk ook nog drie kogels door het lichaam van [slachtoffer 1] zijn geschoten. Twee kogels hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geraakt.

Verdachte had die middag ook whisky gedronken. De getuige [getuige 1] heeft daarover verklaard (p. 609) dat verdachte dronken was en verdachte zelf heeft verklaard (p. 712) dat hij niet helemaal nuchter meer was. De algemene ervaring leert dat een schutter in die toestand niet al te nauwkeurig zal kunnen richten, zeker niet als het doel beweegt.

Gezien het bovenstaande was de kans zeer aanmerkelijk dat omstanders in de nabijheid van [slachtoffer 1], althans in de schietrichting, zowel toen het slachtoffer stilstond als toen hij rende, dodelijk geraakt zouden kunnen worden. Verdachte heeft deze kans tijdens zijn handelen bewust aanvaard. Er was dus sprake van voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Dat zij feitelijk niet dodelijk zijn geraakt en dat er niet meer omstanders zijn geraakt, is uitsluitend te danken aan het toeval, aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

Voorbedachte raad

Zoals hiervoor reeds overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de dodelijke schoten op [slachtoffer 1] met voorbedachte raad heeft gelost. De vraag moet nog worden beantwoord of deze voorbedachte raad, gelet op alle feiten en omstandigheden ten tijde van het schieten, doorgetrokken moet worden naar alle gevolgen van dit handelen, dus ook de gevolgen ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], zoals de rechtbank dat in eerste aanleg heeft overwogen (vonnis p. 6). Voorbedachte raad ten aanzien van die twee slachtoffers kan alleen aangenomen worden indien vaststaat dat verdachte tijd had om zich te beraden op het nemen van het besluit om te schieten (met de aanmerkelijke kans op andere dodelijke slachtoffers dan [slachtoffer 1]), dat hij de gelegenheid had om na te denken over de betekenis en de gevolgen van dat besluit en dat hij zich daarvan rekenschap had gegeven.

Vaststaat dat verdachte het niet op andere slachtoffers had gemunt. Zelf heeft hij bij de politie daarover verklaard (p. 742): “Het is jammer dat ik besloten heb te schieten waar mensen lopen. Het is kut om te schieten op een plek waar mensen zijn.”

Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn uitlatingen of gedragingen enige tijd voor dat hij begon te schieten het risico zag dat hij wel eens andere mensen zou kunnen raken en dat hij dat risico op de koop toe nam.

Aldus komt het hof ten aanzien van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], net als de advocaat-generaal, niet tot het overtuigend bewijs van voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-703013-10 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 05-702712-10:

1:

hij op 21 augustus 2010 te Arnhem, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg met een pistool, een aantal malen (gericht) heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2:

hij op 21 augustus 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven opzettelijk met een pistool heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3:

hij op 21 augustus 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, opzettelijk met een pistool heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak met parketnummer 05-703013-10 (gevoegd):

hij op 17 juli 2010 te Arnhem voorhanden heeft gehad twee scherpe patronen van het kaliber 6.35 mm, in elk geval munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

moord;

het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op telkens:

poging tot doodslag;

het in de zaak met parketnummer 05-703013-10 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Psychische overmacht

De raadsman heeft bepleit dat ten tijde van het schietincident sprake was van psychische overmacht bij verdachte, zodat hij niet strafbaar kan worden geacht voor de bewezen verklaarde feiten. Aan alle vereisten voor psychische overmacht zou zijn voldaan. Verdachte was doodsbang voor [slachtoffer 1], omdat hij een van de mensen was die op verdachte heeft geschoten in 2004 op Curaçao. De politie heeft de daders niet vervolgd. Dat deze angst gerechtvaardigd was blijkt ook uit het strafblad van [slachtoffer 1] en bovendien is het volgens verdachte in de Antilliaanse cultuur niet ongebruikelijk vuurwapens te hanteren tegen vijanden en hen te doden indien de kans zich voordoet. Voorts heeft verdachte hulp gezocht voor de verwerking van zijn trauma bij hulverlenende instanties, maar heeft hij die niet gekregen. Hij had het gevoel er alleen voor te staan en dacht op 21 augustus 2010 vanuit een vernauwd bewustzijn, vanuit een overlevingsdrang: ‘het is hij of ik’.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat dit beroep niet kan slagen, omdat verdachte redelijkerwijs weerstand had kunnen en moeten bieden aan zijn drang om [slachtoffer 1] te doden. Het mocht dan wel zo zijn dat verdachte angst had voor [slachtoffer 1], maar hij heeft de confrontatie met zijn latere slachtoffer zelf opgezocht. Hij had een andere keus kunnen en moeten maken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een beroep op psychische overmacht komt toe aan degene die handelt op grond van een van buiten komende drang, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Dit betekent dat het in zijn algemeenheid gaat om situaties waarin weliswaar bewust is gehandeld, maar dit handelen aan degene die de gedragingen heeft verricht niet kan worden tegengeworpen, omdat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in die situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan.

Het hof wil aannemen dat verdachte ook wel angstgevoelens heeft gehad voor [slachtoffer 1]. Dit blijkt uit zijn eigen verklaringen, de verklaringen van familie en bekenden van verdachte en de Pro Justitia-rapportages. Gelet op de uitlatingen van verdachte (wijzend op haat en wraakgevoelens) en zijn gedragingen voorafgaand en ten tijde van het schieten op 21 augustus 2010, was er geen sprake van een zodanige, van buiten komende drang (bijvoorbeeld een plotselinge, alles overheersende angst), dat onder de gegeven omstandigheden van verdachte redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij anders zou handelen dan hij heeft gedaan. Hij had een andere keus kunnen en moeten maken. Zoals eerder overwogen acht het hof bewezen dat verdachte, kennelijk in alle rust, zelf de confrontatie met [slachtoffer 1] op het festival heeft opgezocht om hem dood te schieten. Ook toen hij [slachtoffer 1] in het oog kreeg had hij nog kunnen weglopen, zoals hij eerder in 2007 in Den Haag had gedaan toen hij [slachtoffer 1] zag lopen. Vervolgens wijst ook de uitvoering van zijn voornemen om [slachtoffer 1] te doden en zijn rustige reactie daarna niet op een heftige gemoedsbeweging uit angst, maar eerder op een betrekkelijk koele afrekening.

Het beroep op psychische overnacht wordt dan ook verworpen.

Toerekeningsvatbaarheid

Uit de verdachte betreffende Pro Justitia-rapportages volgt -kort gezegd- onder meer dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een post traumatische stressstoornis en een vernauwd bewustzijn. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Het hof verenigt zich met die laatste conclusie en maakt deze tot de zijne.

De conclusie van de deskundigen dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een acute stressstoornis, deelt het hof niet, gelet op de voorgaande bewijsoverwegingen. Grondslag van deze conclusie is immers de verklaring van verdachte dat hij plotseling met [slachtoffer 1] geconfronteerd werd, welke verklaring het hof niet volgt.

Overeenkomstig de conclusie van verminderde toerekeningsvatbaarheid kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord en tweemaal poging tot moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld wegens moord en tweemaal poging tot moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord en tweemaal poging doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een zeer forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte op klaarlichte dag op het festival Rio aan de Rijn, dat plaatsvond op de Markt in het centrum van Arnhem, tussen veel publiek meerdere kogels heeft afgevuurd richting [slachtoffer 1]. Daarbij heeft hij [slachtoffer 1] dodelijk geraakt. Voorts heeft hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geraakt, terwijl er de aannemelijke kans was dat ook zij dodelijk zouden worden getroffen. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het leven en welzijn van anderen. [slachtoffer 1]’s leven is hierdoor beëindigd en zijn nabestaanden moeten zonder hem verder. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] moeten het schokkende en beangstigende gebeurtenissen geweest zijn, die zij niet snel zullen vergeten. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

Voorts is de rechtsorde door het handelen van verdachte ernstig geschokt. De andere omstanders zijn ook in gevaar gebracht door verdachtes handelwijze en hiermee ongewild geconfronteerd. Er waren gezinnen met kleine kinderen aanwezig om feest te vieren. Het is echter een drama geworden door toedoen van verdachte. Velen waren getuige van het schietincident en hebben angst ervaren en nare beelden gezien. Het heeft gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt en veel mensen zullen niet meer het gevoel hebben dat zij veilig een dergelijk festival kunnen bijwonen.

Daarnaast had verdachte ruim een maand voor de schietpartij twee scherpe patronen in zijn bezit.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat, indien het hof het beroep op psychische overmacht verwerpt en verdachte strafbaar acht, de genoemde psychische toestand ten tijde van het delict en de sociale normen binnen de Antilliaanse cultuur, een grote rol dienen te spelen in de straftoemeting. Naast al hetgeen reeds hierboven is overwogen, merkt het hof nog op dat hetgeen door de verdediging is opgemerkt over het (welhaast algemeen aanvaarde) gebruik van geweld en van vuurwapens in de Antilliaanse samenleving, met kracht van de hand wordt gewezen. Mocht het al zo zijn dat dit geweld in de Antilliaanse samenleving meer is aanvaard, dan nog rechtvaardigt dit niet dat dit voor verdachte in gunstige zin moet meewerken bij de straftoemeting voor feiten die in Nederland zijn begaan. Een dergelijke vorm van eigenrichting kan en mag niet worden toegestaan in een rechtsstaat.

Gelet op het bovenstaande en het leed dat het overlijden van [slachtoffer 1] voor de nabestaanden heeft teweeggebracht, kan de verontwaardiging slechts tot uitdrukking worden gebracht door de veroorzaker van dat leed een langdurige gevangenisstraf op te leggen. Het hof komt voor de feiten 2 en 3 tot een andere juridische waardering dan de rechtbank, te weten poging doodslag in plaats van poging moord. Het hof ziet hierin evenals de advocaat-generaal geen aanleiding om tot een lagere strafduur te komen dan door de rechtbank is opgelegd. Het hof acht in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren passend en geboden.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden en hetgeen ter terechtzitting van het hof daaromtrent door de verdediging is aangevoerd geen redenen om die straf te verminderen.

Wel is bij de strafoplegging gelijk de rechtbank heeft gedaan rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Beslag

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.882,25, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.882,25, bestaande uit € 12.382,25 materiële schade en € 5.500 immateriële schade.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.317, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.317, bestaande uit € 317 materiële schade en € 4.000 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdediging heeft de vordering niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.776,47, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.664,55 met wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.774,55, bestaande uit € 274,55 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige, dat wil zeggen het bedrag van € 960 aan hulp door derden, is het hof van oordeel dat deze kosten onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Verdere behandeling van dit onderdeel van de vordering zou het strafgeding onevenredig belasten. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij in de vordering opgenomen een bedrag van € 41,92 aan wettelijke rente. Het hof is wel van oordeel dat de vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, maar zal geen bedrag noemen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 november 2009 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, parketnummer 01-825416-09. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer

05-703013-10 heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-703013-10 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: wapen en munitie.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 4] terzake van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.882,25 (zeventienduizend achthonderdtweeëntachtig euro en vijfentwintig cent), bestaande uit € 12.382,25 (twaalfduizend driehonderdtweeëntachtig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 5.500 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 4], een bedrag te betalen van € 17.882,25 (zeventienduizend achthonderdtweeëntachtig euro en vijfentwintig cent), bestaande uit € 12.382,25 (twaalfduizend driehonderdtweeëntachtig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 5.500 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 124 (honderdvierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] terzake van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.317 (vierduizend driehonderdzeventien euro), bestaande uit

€ 317 (driehonderdzeventien euro) materiële schade en € 4.000 (vierduizend euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 4.317 (vierduizend driehonderdzeventien euro), bestaande uit € 317 (driehonderdzeventien euro) materiële schade en € 4.000 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 (drieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] terzake van het in de zaak met parketnummer 05-702712-10 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.774,55 (tweeduizend zevenhonderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent), bestaande uit € 274,55 (tweehonderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 2.774,55 (tweeduizend zevenhonderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent), bestaande uit € 274,55 (tweehonderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 november 2009, parketnummer 01-825416-09, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr M. Barels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen, griffier,

en op 24 juli 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.