Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX2204

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
200.075.733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; einde alimentatieverplichting o.g.v. art. 1:160 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.075.733

(zaaknummer rechtbank 193543 / FA RK 09-13136)

beschikking van de familiekamer van 21 juni 2012

inzake

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. A. Stoel te Dronten,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. L.F. Withaar-Weijns te Urk.

1. De voortzetting van het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

1.1 Bij tussenbeschikking van 24 mei 2011 heeft het hof de man toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw heeft samengewoond met [A.] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, en verder iedere beslissing aangehouden.

1.2 Ter zitting van dit hof van 2 september 2011 heeft de man drie getuigen doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3 Ter zitting van dit hof van 7 december 2011 zijn de man en de vrouw als getuigen gehoord. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. De vrouw heeft blijkens dit proces-verbaal afgezien van het houden van een tegengetuigenverhoor.

1.4 De man heeft een akte uitlating na getuigenverhoor genomen, waarbij hij een aantal producties in het geding heeft gebracht.

1.5 De vrouw heeft een antwoordakte na getuigenverhoren genomen.

1.6 Op 11 juni 2012 is bij het hof binnengekomen een faxbrief van mr. Stoel, waarin namens de vrouw wordt medegedeeld dat de vrouw het door haar ingestelde hoger beroep intrekt.

1.7 Op 13 juni 2012 is bij het hof binnengekomen een faxbrief van mr. Withaar-Weijns, waarin namens de man wordt medegedeeld dat het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep niet wordt ingetrokken.

1.8 Daarna is de beschikking (nader) bepaald op heden.

2. De verdere motivering van de beslissing

2.1 Nu de vrouw het door haar ingestelde principaal hoger beroep heeft ingetrokken, dient het hof dat verzoek in hoger beroep af te wijzen.

2.2 Bij de vermelde tussenbeschikking is de man in het incidenteel hoger beroep toegelaten tot bewijslevering als vermeld. Als getuigen zijn gehoord [B.], de moeder van de vrouw, [C.], de oudste zoon van partijen, [D.], die gedurende een aantal jaren belast was met het financieel beheer van de vrouw, alsmede de man en de vrouw zelf. Het hof verwijst uitdrukkelijk naar de inhoud van de getuigenverklaringen, die als hier herhaald en ingelast gelden. Bij de na te melden bewijswaardering heeft het hof acht geslagen op het uitgangspunt als vermeld in artikel 164 lid 2 Rv, ingevolge welke bepaling de verklaring van een partij als getuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

2.3 In rechtsoverweging 4.2 van de vermelde tussenbeschikking heeft het hof de voor de toepassing van artikel 1:160 BW relevante maatstaf geformuleerd. Het hof zal de rechtens relevante feitelijke elementen uit die maatstaf – het samenwonen en het hebben van een affectieve relatie van duurzame aard, het elkaar wederzijds verzorgen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding – hieronder bespreken in het licht van de thans, na de getuigenverhoren, vast te stellen feiten en omstandigheden.

2.4 Uit alle getuigenverklaringen blijkt genoegzaam, en de vrouw erkent dat ook, dat de vrouw met [A.] heeft samengewoond in diens woning aan [adres] en met hem een affectieve relatie heeft gehad. Ten tijde van die samenwoning beschikte de vrouw over een eigen woning aan [adres 2], en heeft zij haar intrek genomen bij [A.]. Dit laatste is gebeurd in mei 2003, zoals de vrouw als getuige heeft verklaard. Volgens de man als partijgetuige moet het aanvangstijdstip in juli 2003 zijn geweest, want op 31 juli 2003 moesten de kinderen naar [adres] worden gebracht voor vakantie. Het hof stelt op grond hiervan vast dat die samenwoning is begonnen in de vroege zomermaanden van 2003.

2.5 Wat betreft de duur van de samenwoning van de vrouw met [A.] zijn de getuigenverklaringen niet eenduidig. In ieder geval staat vast dat de vrouw van 24 oktober 2003 tot en met 29 maart 2004 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan op het adres van [A.] aan [adres]. De zoon van partijen heeft als getuige onder meer verklaard dat de vrouw en [A.] na een klein jaartje in [adres] samen naar [adres 2] gingen, de woning van de vrouw. Volgens de verklaring van de zoon duurde de relatie - en het samenwonen, zo blijkt uit de context van die verklaring, toevoeging hof - tot eind 2007. Getuige [D.] heeft onder meer verklaard dat de vrouw en [A.] samenwoonden in [adres], dat hij op 7 november 2004 een sms kreeg van de vrouw met de mededeling dat zij definitief afstand had genomen van [A.], dat de vrouw op 8 november 2004 heeft aangegeven dat ze weer samen was met [A.], maar toen in de woning aan [adres 2], dat zij daar toen samen zijn gaan wonen, dat hij in december 2007 een brief kreeg van de vrouw waarin zij hem mededeelde dat hij, getuige [D.], niet meer bij de vrouw in de straat mocht komen, alsmede dat de vrouw en [A.] in die tijd ook nog samenwoonden. De man heeft als partijgetuige onder meer verklaard dat [A.] meeging naar [adres 2], dat hij [A.] in die woning in de kamer op de bank zag zitten als hij daar wel eens tassen moest afgeven in verband met de kinderen, dat het in het najaar 2007 minder ging met de relatie tussen de vrouw en [A.], dat de politie er toen wel eens aan te pas is gekomen en hem ook wel eens hebben gecontacteerd, dat [A.] in de zomer 2007 in de gemeente [plaatsnaam] een huis via de woningbouw heeft aangevraagd, dat hij daarom denkt dat het met de relatie in de zomer 2007 al rommelde, dat hij van de kinderen heeft gehoord dat zo rond september 2007 de relatie over was, alsmede dat de vrouw toen op [adres 2] bleef wonen en dat [A.] weg ging.

2.6 De vrouw heeft de door die drie getuigen vermelde duur van het samenwonen in haar verklaring als getuige uitdrukkelijk bestreden. Zij heeft, met volle aarzeling over de tijdstippen, onder meer verklaard dat haar relatie met [A.] maar een paar maanden heeft geduurd, namelijk tot ongeveer maart 2004, dat [A.] na de verkoop van zijn woning [adres] nog wel eens bij haar over de vloer kwam als [A.] niet bij zijn ouders terecht kon, dat [A.] toen nog wel eens bleef slapen op een kamer van één van de kinderen, alsmede dat dit een maand heeft geduurd. Het hof moet constateren dat de vrouw allesbehalve consistent is in haar verklaring. Uit productie 2 bij akte uitlating na getuigenverhoor van de man blijkt dat [A.] zijn woning aan [adres] heeft verkocht op 17 januari 2005. Uitgaande van een aanvang van het samenwonen in de vroege zomermaanden van mei 2003, kan de verklaring van de vrouw als getuige dat haar relatie en het samenwonen met [A.] “niet zo gek lang”, “kortstondig” en “echt maar een paar maanden” heeft geduurd niet overeenkomstig de werkelijke situatie zijn. Dit maakt haar bestrijding van de met elkaar overeenstemmende en gemotiveerde verklaringen van [D.], de man en de zoon als getuigen, te weten dat het samenwonen van de vrouw en [A.] tot september dan wel december 2007 heeft geduurd, van onvoldoende gewicht om de vermelde drie andere getuigen niet te volgen. Daarom komt het hof tot het oordeel dat als bewezen moet worden verklaard dat de vrouw en [A.] vanaf de vroege zomermaanden van 2003 tot de herfst van 2007 met elkaar hebben samengewoond.

2.7 Ook na de inschrijving van de echtscheiding, te weten op 11 maart 2004, heeft de vrouw een zodanig lange periode met [A.] een relatie gehad en samengewoond, dat honorering van het beroep door de man op toepassing van artikel 1:160 BW in zoverre slaagt. Daarnaast zijn echter ook van belang de factoren betreffende het elkaar wederzijds verzorgen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

2.8 Voor zover het element ‘het elkaar wederzijds verzorgen’ ziet op het feitelijk elkaar verzorgen is met de vermelde duurzame samenwoning en affectieve relatie tussen de vrouw en [A.] aan dat element voldaan. Voor zover in dat element een financiële component moet worden gelezen valt het oordeel dienaangaande grotendeels samen met het oordeel over het vierde element, namelijk het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Daarover oordeelt het hof als volgt.

2.9 Als productie 3 bij het verweerschrift in eerste aanleg is in het geding gebracht een sommatiebrief van 26 januari 2006 van een deurwaarderskantoor aan de vrouw betreffende een vordering van de SNS Bank op kennelijk [A.] en de vrouw, getuige het onderwerp in de brief: “SNS Bank N.V. / [A.] – [verzoekster]”. De moeder van de vrouw heeft als getuige verklaard over haar wetenschap betreffende een gezamenlijke rekening van de vrouw en [A.] bij de SNS-bank. Ook de man heeft daarover als partijgetuige verklaard. De vrouw heeft dienaangaande desgevraagd als getuige verklaard dat zij geen rekening bij de SNS-bank heeft gehad. Het betreft volgens haar een schuld van [A.] die tevens op haar naam is gezet. [A.] had de vrouw gevraagd om samen een bankpas aan te vragen, op beider naam. Volgens haar verklaring wilde de vrouw nadien haar naam van de bankpas afgehaald zien, en heeft zij dat ook tegen de bank gezegd, die daarin toestemde, maar uit haar verklaring blijkt dat de vrouw niet heeft gecheckt of de bank dat ook heeft gedaan. De gestelde gezamenlijke bankrekening staat hiermee dan ook vast. [D.], die financieel beheerder van de vrouw is geweest, heeft als getuige op de vraag of de vrouw en [A.] financieel het samen runden verklaard dat het niet anders kan dan dat dit zo is geweest. Getuige [D.] heeft voorts verklaard dat hij diverse keren aan de vrouw heeft gevraagd wat de financiële bijdrage van [A.] aan het huishouden was en dat daarop steeds werd geantwoord: “dat zoeken wij samen uit en daar hebt u niets mee te maken”. De zoon van de vrouw heeft als getuige verklaard dat de boodschappen door zijn moeder werden gedaan en, als er wat vergeten was, [A.] dat dan haalde. Volgens getuige [D.] had de vrouw af en toe een baan en had zij inkomsten uit het echtscheidingsconvenant (zie rov. 3.4 van de vermelde tussenbeschikking, toevoeging hof). Volgens getuige [D.] had [A.] een autopoetsbedrijf en deze getuige veronderstelt dat [A.] daar ook inkomsten uit had. Ten slotte heeft getuige [D.] verklaard dat de vrouw en [A.] veelvuldig samen in restaurants zaten te dineren, maar wie dat betaalde weet hij niet. Uit de verklaring van de man als partijgetuige blijkt dat de woonlasten van [adres 2] niet door de vrouw werden voldaan, omdat die lasten werden gefinancierd met een lening van zijn bedrijf. De man heeft nog verklaard dat hij ervan uitgaat dat de vrouw en [A.] het huishouden samen financierden, omdat de vrouw het niet alleen kon financieren, althans niet met haar levensstijl. Met dit laatste doelt deze getuige dan op het vaak samen uit eten gaan en de constatering van deze getuige dat de kinderen steeds werden teruggebracht met verschillende, redelijk jonge auto’s, die volgens deze getuige toch ook betaald moeten zijn geweest. De vrouw heeft geen verklaring of uitleg gegeven over de wijze van financiering van deze – door haar niet betwiste – levensstijl. Op de vraag aan de vrouw als getuige of zij en [A.] ten tijde van het samenwonen het huishouden gezamenlijk deden, heeft de vrouw geantwoord dat zij nog [adres 2] had, daar de was deed, haar boodschappen deed en het huis schoonmaakte, alsmede dat [A.] hetzelfde deed in zijn woning. Het hof hecht voor het oordeel over het element betreffende het voeren van een gemeenschappelijke huishouding mede betekenis aan het gegeven dat de vrouw gedurende 5 maanden in de gemeenschappelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan op het adres van [A.]. Bovendien hecht het hof bij de beoordeling van dit element van de gemeenschappelijke huishouding betekenis aan de hierboven in rechtsoverweging 2.6 bewezen verklaarde duurzame samenwoning en affectie relatie tussen de vrouw en [A.].

2.10 De hierboven in rechtsoverweging 2.9 vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien brengen het hof tot het oordeel dat aangenomen dient te worden dat de vrouw en [A.] gedurende de periode van hun samenwonen een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en ook in financiële zin elkaar wederzijds verzorgden.

2.11 Het vorenoverwogene brengt het hof tot de slotsom dat de man in zijn bewijsopdracht is geslaagd. Het beroep van de man op artikel 1:160 BW slaagt. Daarmee is de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw geëindigd. Het verzoek van de vrouw in eerste aanleg om de man te veroordelen tot het betalen van partneralimentatie met ingang van 1 januari 2009 dient dan ook op deze grond te worden afgewezen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank dat verzoek van de vrouw ook afgewezen, maar op een andere grond. Het hof zal dan ook die beschikking op het door de man ingestelde incidenteel hoger beroep bekrachtigen op gronden als vermeld in deze beschikking in hoger beroep. Aangezien partijen gewezen echtgenoten van elkaar zijn, zal het hof de kosten van de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep compenseren als na te melden.

3. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep:

wijst het verzoek van de vrouw in hoger beroep af;

in het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Arnhem van 16 juli 2010;

in het principaal en incidenteel hoger beroep:

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, A.E.F. Hillen en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 21 juni 2012.