Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX2068

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
200.095.078
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie; samenlevingscontract en aanvullende notariële akte waarbij partijen zijn overeengekomen dat na beëindiging van de overeenkomst tussen hen de bepalingen van de artikelen 1:155 en 1:157 tot en met 1:160 BW gelden; lotsverbondenheid; wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.095.078

(zaaknummer rechtbank 118946 FARK 11-4)

beschikking van de familiekamer van 14 juni 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. S.W.F. Rouwette te Apeldoorn,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 29 maart 2011 en 5 juli 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 oktober 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 5 juli 2011. De man verzoekt het hof die beschikking te wijzigen dan wel te vernietigen en het inleidende verzoek van de man toe te wijzen door primair de alimentatieplicht jegens de vrouw te beëindigen met ingang van de datum van het inleidend verzoek in eerste aanleg, subsidiair de alimentatie op nihil te stellen per [datum] 2012 danwel een zodanige beslissing te nemen met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 december 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te houden onder afwijzing van alle verzoeken van de man in hoger beroep.

2.3 Ter griffie van het hof is op 12 maart 2012 een brief van mr. Rouwette van 9 maart 2012 met bijlagen binnengekomen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.6 Desgevraagd heeft mr. Benthem ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief van mr. Rouwette van 9 maart 2012 met bijlagen, aangezien deze te laat zijn ingediend. Het hof heeft daarop beslist dat op die bijlagen acht wordt geslagen, omdat de producties 4 tot en met 12 stukken betreffen die al deel uitmaken van het dossier en de producties 1, 2 en 3 weliswaar nieuw zijn, maar dat de moeder op de terechtzitting waarop deze stukken betrekking hebben, aanwezig is geweest en deze stukken overigens kort en eenvoudig te doorgronden zijn. Het hof heeft mr. Benthem nog de gelegenheid geboden behoorlijk van deze stukken kennis te nemen en zich deugdelijk voor te bereiden op een verweer daartegen en aangeboden de mondelinge behandeling voor een leespauze te schorsen. Mr. Benthem heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 De vrouw en de man hebben vanaf 1992 een affectieve relatie gehad. Zij hebben van 1996 tot december 2005 samengewoond. Uit die relatie is op [geboortedatum] 2000 [het kind] geboren. De man heeft [het kind] erkend.

3.2 Bij notariële akte van 17 december 1997 hebben partijen een samenlevingscontract gesloten. Bij aanvullende notariële akte van 29 december 2005 zijn partijen overeengekomen dat na beëindiging van de overeenkomst tussen hen de bepalingen van de artikelen 1:155 en 1:157 tot en met 1:160 BW zouden gelden.

3.3 Bij beschikking van 3 oktober 2006 heeft de rechtbank Zutphen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] ten laste van de man vastgesteld met ingang van 1 mei 2006 van € 785,- per maand, alsmede een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2006 van € 3.613,- bruto per maand.

3.4 Bij beschikking van 5 maart 2007 heeft de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag over [het kind] afgewezen, een proefomgangsregeling tussen de man en [het kind] vastgesteld, de Raad voor de Kinderbescherming verzocht deze omgangsregeling te begeleiden en de kantonrechter eind september 2007 omtrent de uitkomsten en verdere perspectieven te rapporteren. Ten slotte heeft de kantonrechter iedere verdere beslissing aangehouden. De man heeft tegen deze beschikking, voor zover het de beslissing omtrent het gezag betreft, hoger beroep ingesteld.

3.5 Bij beschikking van dit hof van 8 mei 2007 is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van 1 februari 2006 bepaald op € 785,- per maand en is de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 februari 2006 bepaald op € 3.039,- per maand.

3.6 Bij beschikking van 16 mei 2007 heeft de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) een voorlopige begeleide omgangsregeling tussen de man en [het kind] vastgesteld, de vrouw veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,- per keer, met een maximum van € 10.000,-, voor elke keer dat zij weigert aan enig omgangsmoment haar medewerking te verlenen en de raad verzocht uiterlijk 7 december 2007 omtrent de uitkomsten van deze regeling als ook ter zake van perspectieven voor een verdere uitbouw van deze regeling te rapporteren. Iedere verdere beslissing heeft de kantonrechter aangehouden.

3.7 Bij beschikking van 16 oktober 2007 heeft de rechtbank Maastricht het verzoek van de vrouw tot schorsing van de beschikking van 16 mei 2007 afgewezen en de beslissing op het verzoek van de man tot ondertoezichtstelling van [het kind] aangehouden in afwachting van een door de raad uit te brengen rapportage en advies omtrent de opvoedingssituatie zoals bedoeld in artikel 1:254 BW.

3.8 Bij beschikking van 23 oktober 2007 heeft dit hof de beschikking van 5 maart 2007 vernietigd en de man en de vrouw gezamenlijk met het gezag over [het kind] belast. De vrouw heeft tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld.

3.9 Bij vonnis van 31 januari 2008 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen is, voor zover hier van belang, de vrouw bevolen haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van de kantonrechter te Apeldoorn van 16 mei 2007 vastgestelde omgangsregeling en is bepaald dat de vrouw met ingang van 1 maart 2008 voor iedere keer dat zij in strijd handelt met dit bevel aan de man een dwangsom verbeurt van € 2.500,-, tot een maximum van € 15.000,-.

3.10 Bij beschikking van 29 februari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Maastricht [het kind] met ingang van 29 februari 2008 onder toezicht gesteld van de stichting voor de termijn van één jaar en de beslissing ten aanzien van de door de man verzochte definitieve omgangsregeling aangehouden.

3.11 Bij vonnis in kort geding van 14 april 2008 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen het verzoek van de vrouw om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 31 januari 2008 te schorsen totdat de rechtbank Maastricht een oordeel heeft gegeven omtrent de omgang tussen de man en [het kind], afgewezen.

3.12 Bij beschikking van 24 juni 2008 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de man eenmaal per veertien dagen gedurende twee uren onder begeleiding van de stichting omgang kan hebben met [het kind] en dat de omgang op termijn door de stichting verder kan worden uitgebreid, zodra dat in het belang van [het kind] wordt geacht.

3.13 Op 27 november 2008 heeft de stichting de vrouw een schriftelijke aanwijzing gegeven.

3.14 Bij beschikking van de Hoge Raad van 12 december 2008 is de beschikking van dit hof van 23 oktober 2007 vernietigd en is het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch.

3.15 Bij beschikking van 22 januari 2009 heeft de rechtbank Zutphen het verzoek van de vrouw tot vervallen verklaring van de aanwijzing van 27 november 2008 afgewezen.

3.16 Bij beschikking van 24 februari 2009 heeft die rechtbank, op verzoek van de stichting, de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd, te weten tot 1 maart 2010. De vrouw heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.

3.17 Bij beschikking van 21 juli 2009 heeft dit hof de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 24 februari 2009 bekrachtigd.

3.18 Bij beschikking van 25 februari 2010 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling met een jaar verlengd, te weten tot 1 maart 2011.

3.19 Bij beschikking van 29 april 2010 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn, van 5 maart 2007, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en de vrouw en de man gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [het kind] belast, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

3.20 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 4 januari 2011, heeft de man verzocht de alimentatieplicht, laatstelijk vastgesteld in de beschikking van dit hof van 8 mei 2007, te beëindigen, dan wel te matigen, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden en heeft bij zelfstandig tegenverzoek de rechtbank verzocht te bepalen dat de man het registratienummer en de adresgegevens van zijn pensioenfonds schriftelijk kenbaar maakt en dat hij zijn pensioenfonds verzoekt de vrouw toe te laten tot pensioenverevening over de periode van samenwoning.

3.21 Bij beschikking van 8 februari 2011 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [het kind] met een jaar verlengd, te weten tot 1 maart 2012.

3.22 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de het verzoek van de man afgewezen en de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

3.23 Bij beschikking van 16 februari 2012 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [het kind] wederom met een jaar verlengd, te weten tot 1 maart 2013.

Ten aanzien van de man

3.24 De man, geboren op [geboortedatum] 1956, heeft een relatie met [A.], die in haar eigen levensonderhoud voorziet. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren.

Ten aanzien van de vrouw

3.25 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1971, vormt met [het kind] een gezin.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. De man stelt dat de vrouw zich in de diverse procedures met betrekking tot de omgangsregeling tussen hem en [het kind] zodanig grievend heeft gedragen en nog gedraagt dat van hem naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd dat hij de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud nog langer aan de vrouw moet voldoen. In hoger beroep heeft de man hieraan een subsidiaire grondslag toegevoegd. Volgens hem kan de vrouw met ingang van [datum] 2012, de dag waarop [het kind] 12 jaar wordt, gaan werken en zo in haar eigen levensonderhoud voorzien. Gelet op deze stellingen kan de man in zijn verzoek worden ontvangen en zal het hof de juistheid van de stellingen dienen te onderzoeken.

4.2 De vrouw betwist dat er door het vrijwillig aangaan van een alimentatieverplichting door de man lotsverbondenheid is ontstaan. Partijen zijn nooit getrouwd geweest. De partneralimentatie was een zakelijk arrangement. Om die reden moet het primaire verzoek van de man worden afgewezen, aldus de vrouw.

4.3 Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn bij aanvullende notariële akte van 29 december 2005 onder B (voor zover relevant) het volgende overeengekomen:

(….) na beëindiging van de samenlevingsovereenkomst in onderling overleg of ten gevolge van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 7 onder a. of d. van de samenlevingsovereenkomst, gelden tussen partijen de bepalingen 155 (pensioenverevening) en 157 (alimentatieverplichting) tot en met 160 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Partijen gaan ervan uit dat voorzover de begindatum van het huwelijk van belang is, deze wordt gesteld op één juli negentienhonderdzesennegentig (01-07-1996)”.

De vraag hoe deze bepaling moet worden uitgelegd moet niet alleen worden beantwoord op grond van de tekst en inhoud van de samenlevingsovereenkomst, maar ook aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen hebben afgeleid en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4 Partijen hebben jarenlang samengeleefd en een gezamenlijke huishouding gevoerd. Uit de relatie van partijen is vervolgens [het kind] geboren. Partijen leefden alsof zij gehuwd waren en tussen hen was feitelijk sprake van een zekere lotsverbondenheid. Het hof leidt hieruit en uit voornoemde bepaling in de aanvullende samenlevingsovereenkomst - gesloten kort voordat partijen de samenleving beëindigden - af dat partijen hebben bedoeld ook ten aanzien van de financiële gevolgen van de beëindiging van de samenleving te doen alsof zij gehuwd waren. Niet alleen wordt aangeknoopt bij de financiële bepalingen betreffende het einde van een huwelijk, maar ook wordt verwezen naar de begindatum van een huwelijk. Het hof concludeert hieruit dat het standpunt van de man dat partijen hebben bedoeld de bestaande lotsverbondenheid juridisch vast te leggen, juist is. Volgens de man was het de bedoeling van partijen dat de vrouw na de beëindiging van de relatie goed verzorgd zou achter blijven. Dat de vrouw voornoemde bepaling in de door haar aangevoerde zin, dat het slechts ging om een zakelijk arrangement, heeft mogen begrijpen, is door haar onvoldoende gemotiveerd gesteld. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat tussen partijen lotsverbondenheid is ontstaan.

4.5 Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de vrouw nog altijd een uitkering voor haar levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële factoren, zoals gedragingen van de vrouw. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de man in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien. Lotsverbondenheid is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het mogelijke wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

4.6 Het hof kan de man niet volgen in zijn betoog dat de vrouw zich na het opstellen van de notariële akte van 29 december 2005 jegens hem grievend is gaan gedragen door leugens te vertellen, de omgang tussen hem en [het kind] te frustreren en voorbij te gaan aan de tenuitvoerlegging van de beschikkingen ten aanzien van de omgang door zich steeds weer te beroepen op vermeend seksueel misbruik van [het kind] door de man. Naar het oordeel van het hof handelt de moeder vanuit een diepgewortelde bezorgdheid die in het verleden is gevoed onder meer door een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 november 2006 en constateringen van onder meer [...], kinder- en jeugdpsychiater, en dr. [...], orthopedagoog en GZ-psycholoog. Uit het onderzoeksrapport van het Ambulatorium van 14 maart 2011 volgt dat nu niet meer is te achterhalen in hoeverre er sprake is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. In het verleden is wel sprake geweest van opvallend gedrag bij [het kind], maar momenteel is geen sprake van bijzonderheden wat betreft haar psychoseksuele ontwikkeling. Dat de vrouw de omgang tussen de man en [het kind] zonder enige grond heeft gefrustreerd, is derhalve niet met voldoende zekerheid vast te stellen. Het hof acht het aannemelijk dat [het kind] door de strijd tussen de ouders over het al dan niet plaatsvinden van seksueel grensoverschrijdend gedrag en contact tussen de man en [het kind], in een loyaliteitsconflict is geraakt. [het kind] ervaart onvoldoende ruimte voor een positief contact met de man. Hoewel het hof doordrongen is van de ernst hiervan, is het van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de vrouw zich op zodanige wijze jegens de man heeft gedragen dat het vorderen van steun een zo kwetsende bejegening van de man oplevert, dat van hem betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

4.7 De man heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij vanaf de 12e verjaardag van [het kind] in haar eigen levensonderhoud voorziet. De vrouw heeft voorafgaande aan de samenleving van partijen steeds in haar eigen levensonderhoud voorzien. De vrouw heeft sindsdien op geen enkele wijze laten zien dat zij zich inspant om enig inkomen te gaan verwerven en benut haar verdiencapaciteit in het geheel niet, aldus de man. De man verzoekt om die reden nihilstelling per [datum] 2012. De vrouw heeft het voorgaande betwist.

4.8 Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat het verzoek van de man tot nihilstelling een nieuw verzoek betreft en dat dit niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld, is het hof van oordeel dat dit verzoek een vermeerdering van (de gronden van) het verzoek van de man betreft. De man heeft, gelet op artikel 362 Rv in samenhang met artikel 283 en 130 Rv, het recht als oorspronkelijk verzoeker in eerste aanleg (de gronden van) zijn verzoek in hoger beroep te vermeerderen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De vrouw is daardoor niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en dit geding wordt daardoor ook niet onredelijk vertraagd.

4.9 Het hof oordeelt als volgt. [het kind] gaat na de zomervakantie naar de middelbare school. Gelet op de leeftijd van de vrouw (39 jaar) en het feit dat de vrouw na de zomervakantie geen jong kind meer heeft dat haar zorg nodig heeft, moet zij in beginsel in staat worden geacht, in ieder geval gedeeltelijk, in haar eigen levensonderhoud voorzien. De stelling van de vrouw dat zij gezien haar beperkte opleiding (Hippische opleiding), het feit dat zij jarenlang niet meer aan het arbeidproces deelneemt en de economische situatie moeilijk aan het werk zal kunnen komen, is door haar onvoldoende nader onderbouwd.

4.10 De man heeft nihilstelling van de alimentatieverplichting verzocht met ingang van [datum] 2012. Dit is een termijn die het hof thans nog niet kan overzien. Er kunnen nog nieuwe omstandigheden optreden en onduidelijk is of de vrouw binnen genoemde termijn werk zal hebben gevonden. Bovendien hebben partijen zich thans nog niet uitgelaten over de verdiencapaciteit van de vrouw. Het hof acht het, gelet op de opleiding van de vrouw, onwaarschijnlijk dat zij geheel in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien.

4.11 Het hof ziet derhalve aanleiding om thans te volstaan met de overweging dat de vrouw serieus en aantoonbaar pogingen dient te ondernemen om betaald werk te vinden. Zij hoeft zich daarbij, gelet op de leeftijd van [het kind], niet te beperken tot de uren gedurende schooltijd. De vrouw dient er naar te streven zo veel mogelijk in haar eigen behoefte te voorzien. Het hof zal het verzoek van de man tot nihilstelling, gelet op het voorgaande, op dit moment afwijzen.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen met aanvulling van de gronden en het meer of anders verzochte af te wijzen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 5 juli 2011.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, P.L.R. Wefers Bettink en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, en is op 14 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.