Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX2008

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
200.103.432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling; IPR; bevoegdheid Nederlandse rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.103.432

(zaaknummer rechtbank 220994 / JE RK 11-16825)

beschikking van de familiekamer van 7 juni 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. J. Steenbrink te Nijmegen,

en

Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Tiel,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de stichting”,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de vader”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 6 december 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 maart 2012, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof primair die beschikking te vernietigen en de Nederlandse rechter onbevoegd te verklaren om van het inleidende verzoekschrift van de stichting kennis te nemen en subsidiair (het hof begrijpt:) het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 maart 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De minderjarige heeft bij brief van 26 maart 2012 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.4 Ter griffie van het hof is op 5 april 2012 binnengekomen een brief van mr. Steenbrink van 4 april 2012 met bijlage.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 24 april 2012 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, de moeder bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting zijn verschenen mr. [...] en [...] (gezinsvoogd). Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 1999 [het kind] (verder te noemen “[het kind]”) geboren. De moeder en de vader zijn gezamenlijk met het gezag over [het kind] belast.

3.2 Bij beschikking van 7 december 2010 heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht van de stichting gesteld voor de termijn van een jaar.

3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 28 september 2011, heeft de stichting verzocht de termijn van de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar.

3.4 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd van 7 december 2011 tot 7 december 2012.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De moeder stelt dat het hof zich onbevoegd dient te verklaren omdat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) geen rechtsmacht toekomt indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland, maar in Rusland heeft. Nu Rusland geen verdragsluitende staat is bij de na te noemen Verordening Brussel IIbis komt de Nederlandse rechter, aldus de moeder, ook op grond van internationaalrechtelijke bepalingen geen rechtsmacht toe.

4.2 De Nederlandse rechter is op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (ook wel genoemd Verordening Brussel IIbis) bevoegd van dit geschil kennis te nemen. De moeder heeft ter mondelinge behandeling bij dit hof verklaard dat [het kind] sinds 16 januari 2012 slechts tijdelijk, in afwachting van een geschikte school voor hem in Nederland, bij haar ouders in [plaatsnaam], Rusland, verblijft. Hieruit maakt het hof op dat de gewone verblijfplaats van [het kind] ongewijzigd [woonplaats], Nederland is gebleven. Zelfs indien [het kind] inmiddels zijn gewone verblijfplaats in Rusland zou hebben, dan nog is de Nederlandse rechter bevoegd gebleven vanwege het zogenoemde perpetuatio fori-beginsel. Ingevolge het perpetuatio fori-beginsel blijft een bij aanvang van de procedure in eerste aanleg bestaande bevoegdheid in het algemeen in stand, dus ook als bijvoorbeeld de grond daarvoor tijdens de procedure vervalt. Nu [het kind] (ongeoorloofd, zie verder hierna onder 4.7) sinds 16 januari 2012, derhalve na aanvang van de procedure in eerste aanleg, bij zijn grootouders van moederszijde in Rusland verblijft, komt de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 10 van de Verordening Brussel IIbis rechtsmacht toe om te beslissen op het verzoek van de moeder. Het feit dat Rusland niet gebonden wordt door de Verordening Brussel IIbis maakt dit niet anders, nu Nederland, ook als in het gegeven geval (mogelijke) aanknopingspunten met niet-lidstaten bestaan, als EU-lidstaat gebonden is aan de in deze Verordening neergelegde uitgangspunten van internationaal privaatrecht.

4.3 Hoewel de grief van de moeder dat de bestreden beschikking niet voldoet aan de daaraan te stellen motiveringseisen op zichzelf terecht is voorgesteld, leidt dit niet tot vernietiging van de bestreden beschikking, nu beoordeling van de overige grieven van de moeder, zoals hierna zal blijken, leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.4 Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht worden gesteld van de stichting indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Ingevolge artikel 1:256 lid 2 BW kan de duur van de ondertoezichtstelling telkens worden verlengd voor ten hoogste een jaar.

4.5 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. Bij beschikking van 7 december 2010 heeft de kinderrechter aannemelijk geoordeeld dat [het kind] zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Voor zover de moeder stelt dat de gronden voor een ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn, acht het hof dat standpunt onvoldoende gemotiveerd.

4.6 Uit onderzoek van de Kinderpsychologische Praktijk Everdingen van 7 juli 2011 blijkt dat [het kind] een disharmonisch intelligentieprofiel heeft. Zijn verbale IQ is op begaafd niveau. Wat betreft de performale vaardigheden scoort hij op gemiddeld niveau. Wanneer gekeken wordt naar het betrouwbaarheidsinterval, blijkt dat [het kind] tussen benedengemiddeld en gemiddeld niveau functioneert. Tevens zijn er, aldus het onderzoek van 7 juli 2011, aanwijzingen voor een leerstoornis, zijn er problemen in de primaire steungroep en op school. Wegens probleemgedrag van [het kind] in het speciaal onderwijs is [het kind] op aandringen van de moeder in het najaar van 2011 een kans gegeven in het reguliere onderwijs. Dit bleek echter niet de juiste oplossing: [het kind] is per 27 november 2011 geschorst van school omdat hij betrokken was bij diverse incidenten. [het kind] is, aldus de directeur van het [X] College te [plaatsnaam], niet op zijn plaats in het reguliere onderwijs.

4.7 De moeder heeft [het kind] in januari 2012, zonder daarvoor toestemming van de mede gezaghebbende vader te hebben verkregen, naar de grootouders in Rusland gebracht. Naar zij ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft verklaard, was zij namelijk bang dat [het kind] uit huis geplaatst zou worden. Een andere reden was dat [het kind] sinds zijn schorsing van school in november 2011 geen onderwijs heeft genoten. Het hof acht het niet in het belang van [het kind] dat hij, naast de problemen die hij bijvoorbeeld op sociaal-emotioneel gebied al ondervindt, nu de moeder als zijn dagelijkse opvoeder, de vader en zijn vertrouwde omgeving moet missen. Met de raad acht het hof het bovendien zeer zorgelijk dat [het kind] aldus door de moeder aan de gezinsvoogdij is onttrokken. Ondanks het feit zowel de vader op basis van zijn ervaringen met [het kind] uit het verleden als de stichting mede op basis van recent advies van een onderwijskundig adviseur ervan overtuigd zijn dat [het kind] is gebaat bij speciaal onderwijs in kleine groepen, waarbij [het kind] in intellectueel opzicht voldoende moet worden uitgedaagd, volhardt de moeder in haar standpunt dat speciaal onderwijs voor [het kind] ongeschikt is en zij heeft hem zelfs mede om die reden naar Rusland gebracht. Reeds hierom acht het hof aannemelijk dat [het kind] bij het uitblijven van de verzochte verlenging zodanig zal opgroeien dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig zullen worden bedreigd en andere middelen ter afwending van die bedreiging, naar is te voorzien, zullen falen. De moeder geeft blijk van onvoldoende inzicht in de problematiek van [het kind] en is onvoldoende bereid mee te werken aan hetgeen in zijn belang is. Het hof acht professionele en deskundige hulp voor [het kind] dringend geboden. Dat hulpverlening in een vrijwillig kader effect zal hebben is niet aannemelijk.

4.8 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 6 december 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, H. van Loo en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 7 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.