Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX0149

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
200.080.535
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uitleg testament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.080.535

(zaaknummer rechtbank 198704/HA ZA 10-641)

arrest van de vierde kamer van 26 juni 2012

in de zaak van

[appellant],

verblijvende te [plaatsnaam], wonende te Suriname,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.V.H. Jonker,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1]

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.G. Knoppers.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 juni 2010 en 17 november 2010 die de rechtbank Arnhem tussen geïntimeerden als eisers en [appellant] als gedaagde heeft gewezen. Van het vonnis van 17 november 2010 is een kopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 december 2010,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis van 17 november 2010, voor zover daartegen geen grief is gericht.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In deze procedure in hoger beroep staat centraal de vraag wie erfgenaam is van [de erflaatster], die is overleden op 8 september 2009 en hierna zal worden aangeduid als: de erflaatster. Grief 1 van [appellant] inhoudend dat de erflaatster op 8 december 2009 is overleden faalt. Uit de stukken blijkt overduidelijk dat zij, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is overleden op 8 september 2009.

4.2 De erflaatster is op 15 november 1993 zonder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd met de vader van geïntimeerden, [A.], in voor hem derde en voor haar eerste echt. [A.] zal hierna worden aangeduid als [A.]. Zowel [A.] als de erflaatster heeft bij testament, op 6 december 1999 verleden ten overstaan van notaris mr. B.H. Moulijn, beschikt over zijn respectievelijk haar nalatenschap. [A.] heeft daarin, kort samengevat, zijn echtgenote, de erflaatster, en zijn kinderen tot zijn enige erfgenamen benoemd en een ouderlijke boedelverdeling gemaakt, waarbij hij alle goederen van de nalatenschap heeft toegedeeld aan de erflaatster onder de verplichting alle schulden van zijn nalatenschap over te nemen en om aan ieder van zijn kinderen het erfdeel in zijn nalatenschap uit te keren. De erflaatster heeft in haar testament, voor zover hier van belang, beschikt:

"Erfstelling:

Ik benoem tot mijn enige erfgenaam van mijn nalatenschap mijn echtgenoot, met toepassing van de regels van plaatsvervulling, waarbij plaatsvervulling zal gaan voor aanwas."

4.3 Het huwelijk van [A.] en de erflaatster is door zijn overlijden op 8 januari 2004 ontbonden. De erflaatster is op 5 april 2008 zonder het maken van huwelijkse voorwaarden hertrouwd met [appellant]. Haar huwelijk met [appellant] is ontbonden door haar overlijden op 8 september 2009.

4.4 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis voor recht verklaard dat geïntimeerden bij plaatsvervulling de testamentaire erfgenamen van de erflaatster zijn en al hun overige vorderingen afgewezen. [appellant] richt het merendeel van zijn grieven tegen deze verklaring voor recht en stelt, kort samengevat, dat de erflaatster hem heeft benoemd tot haar enige erfgenaam, althans hem als haar enige erfgenaam heeft achtergelaten.

4.5 [appellant] en geïntimeerden geven ieder een andere uitleg aan de erfstelling in het testament van de erflaatster. Het hof overweegt dat met het begrip "echtgenoot" naar de letter zowel [A.] als [appellant] kunnen zijn bedoeld en zal aan de hand van uitlegging van de uiterste wilsbeschikking de grieven van [appellant] beoordelen.

4.6 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 4:46 BW bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Vaststaat dat de erflaatster op het moment van het maken van het testament ongeveer zes jaar was gehuwd met [A.] en stiefmoeder was van de twee kinderen van [A.], geïntimeerden. In de aanhef ('comparitie') van het testament staat na de personalia van de erflaatster vermeld; "gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden in voor haar eerste echt en voor hem derde echt met [A.]". Van de verhoudingen die de erflaatster kennelijk wilde regelen blijkt uit de brief die notaris Moulijn op 19 november 1999 samen met de ontwerpen voor de testamenten aan [A.] en de erflaatster heeft gezonden. Moulijn schrijft, nadat hij een uitgebreide toelichting heeft gegeven op de ouderlijke boedelverdeling in het testament van [A.]: "In het testament van mevrouw [de erflaatster] is deze Ouderlijke Boedelverdeling niet opgenomen. U benoemt uw echtgenoot tot uw enige erfgenaam. Door de regels van plaatsvervulling van toepassing te verklaren, zullen de kinderen van de heer [A.] in zijn plaatstreden indien hij eerder komt te overlijden dan u." Daaruit volgt zonneklaar dat de erflaatster met echtgenoot in haar testament [A.] heeft bedoeld en hem tot haar enige erfgenaam heeft benoemd en voor het geval hij vóór haar zou zijn overleden zijn kinderen (haar stiefkinderen) in zijn plaats tot enige erfgenamen van haar nalatenschap heeft benoemd. Het is juist deze laatste situatie die zich heeft voorgedaan. [A.] is aan haar vooroverleden en zijn kinderen treden in zijn plaats als erfgenamen in de nalatenschap van de erflaatster op.

4.7 Anders dan [appellant] stelt, kan aan de ratio van artikel 4:52 BW niet worden ontleend dat een beschikking getroffen ten voordele van degene met wie de erflaatster op het tijdstip van het maken van de uiterste wil was gehuwd, niet alleen bij echtscheiding vervalt , maar ook door de ontbinding van het huwelijk door het overlijden van de echtgenoot van de erflaatster. Het moge duidelijk zijn dat die echtgenoot aan die beschikking geen rechten meer kan ontlenen, omdat hij niet meer in leven is op het ogenblik dat de nalatenschap van de erflaatster openvalt, daarmee blijft wel gelden wat de erflaatster juist voor dit geval heeft geregeld, te weten de plaatsvervulling door de kinderen van die echtgenoot.

4.8 Dat de erflaatster na het overlijden van [A.] is hertrouwd met [appellant] doet niets af aan de regeling die de erflaatster in haar testament ten behoeve van [A.] en zijn kinderen heeft getroffen. Met 'echtgenoot' in haar testament is, zoals hiervoor in 4.5 is overwogen, [A.] en niet [appellant] bedoeld.

4.9 [appellant] stelt nog dat de erflaatster in de veronderstelling verkeerde dat haar testament betekende dat [appellant] haar erfgenaam zou zijn, dat zij in onmin leefde met geïntimeerden en dat zij, zodra [appellant] in Nederland zou zijn, met hem de positie nog eens goed zou doorspreken en zich zou laten adviseren. Geïntimeerden betwisten deze stellingen gemotiveerd. Het hof oordeelt dat, zelfs als zou komen vast te staan wat [appellant] stelt, geen van deze omstandigheden kan afdoen aan de duidelijke regeling die de erflaatster op 6 december 1999 in haar testament heeft getroffen. Deze omstandigheden rechtvaardigen evenmin dat deze regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daardoor buiten toepassing moet blijven .

4.10 Dat betekent dat de grieven die [appellant] heeft gericht tegen de verklaring van recht die de rechtbank in het bestreden vonnis heeft gegeven falen. De overige grieven van [appellant] zijn niet gericht op vernietiging van enige beslissing van de rechtbank in haar bestreden vonnis en behoeven, wat daarvan verder ook zij, geen nadere beoordeling.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden worden begroot op € 1.475,- aan verschotten (griffierecht) en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief II).

5.3 Geïntimeerden hebben de veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg gevorderd. Daarmee wensen zij deels een andere beslissing dan de rechtbank heeft gegeven. Om dat te bewerkstelligen hadden zij incidenteel hoger beroep moeten instellen. Zij hebben niet expliciet incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof leest in de conclusie van de memorie van antwoord van geïntimeerden ook niet een verkapt incidenteel hoger beroep, nu zij in die conclusie niet de vernietiging van het bestreden vonnis op dat punt hebben gevorderd. Zonder vernietiging van dat vonnis - waarin de rechtbank heeft beslist dat de kosten van het geding in eerste aanleg tussen de partijen worden gecompenseerd -, komt de vordering van geïntimeerden tot veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg niet voor toewijzing in aanmerking, zodat de vordering van geïntimeerden op dat onderdeel moet worden afgewezen. Geïntimeerden vorderen in hoger beroep anders dan in eerste aanleg thans ook vergoeding door [appellant] van buitengerechtelijke kosten en nakosten. Het hof zal die vordering afwijzen bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van deze kosten.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 november 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.475,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en W. D. Kolkman en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2012.