Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW9677

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
21.002532-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BR0791, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag op drugsdealer. Strafmaat tien jaar gevangenisstraf. Afwijzing vordering TBS

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Promis

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002532-11

Uitspraak d.d.: 28 juni 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 juli 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 april 2012 en 14 juni 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr S. Schuurman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2010 te Tiel opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat

verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort)

tevoren genomen besluit, die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst,

althans het lichaam, heeft gestoken en/of (bij) die [slachtoffer] met een autogordel

een autogordel een verwurging heeft aangelegd/heeft gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden,

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht evenals de advocaat-generaal en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van voorbedachte rade en zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Evenals de rechtbank overweegt het hof daartoe dat niet is uit te sluiten dat verdachte het mes, waarmee hij het slachtoffer heeft gestoken, bij zich droeg met een ander doel dan het doden van het slachtoffer en dat derhalve niet met voldoende zekerheid is vast te stellen dat aan het steken, dat als oorzaak van de dood van het slachtoffer moet worden gezien, enig beraad of enige tijd voor beraad vooraf is gegaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft gestoken, nadat hij woedend was geworden over de weigering van het slachtoffer hem een deel van de verdovende middelen ‘op de pof ‘ te leveren. Deze lezing is op zichzelf aannemelijk. Hoewel er, naast de verklaring van verdachte, geen bewijsmiddelen zijn die deze lezing bevestigen zal het hof verdachte volgen in zijn verhaal, nu er evenmin bewijsmiddelen zijn die die lezing ontkrachten.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het onderdeel in de tenlastelegging dat ziet op de verwurging door de autogordel. Deze vrijspraak volgt uit het uit de bewijsmiddelen blijkende gegeven dat de omstrengeling van de keel met de gordel als zodanig geen dodelijke gevolgen heeft gehad. De ter zitting van het hof afgelegde verklaring dat hij het inmiddels dodelijk gewonde slachtoffer met behulp van de autogordel enkel meer rechtop in auto wilde laten zitten, acht het hof volstrekt onaannemelijk. Het hof houdt verdachte wat dat aangaat aan zijn eerdere verklaringen die er op neer komen dat verdachte, nadat hij de naar later bleek dodelijke steekverwondingen had toegebracht, ook wilde dat het slachtoffer zou sterven. Deze gang van zaken zal nader worden betrokken bij de strafmaat.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 juli 2010 te Tiel opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat

verdachte opzettelijk

die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst

heeft gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is ter terechtzitting, zoals weergegeven in zijn pleitnotitie, betoogd - kort gezegd - dat verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging en daarbij verschoonbaar de grenzen van de noodzakelijk verdediging heeft overschreden. Verdachte zou derhalve ontslagen dienen te worden van alle rechtsvervolging.

Voor een beroep op noodweer moet het handelen van verdachte zijn geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Van noodweerexces is sprake indien de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en die overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.

Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij in zijn auto onderweg was naar een met het slachtoffer afgesproken plaats om daar drugs te kopen. Tijdens de rit naar die plaats zag hij in zijn auto een mes(je). Dit mesje stak verdachte in zijn broekzak. Op de plaats van de afspraak is verdachte naast het slachtoffer in diens auto gaan zitten. Verdachte wilde voor een bedrag van € 150,-- drugs kopen om het weekend door te komen, maar had slechts € 90,-- in contanten bij zich. De rest wilde hij op de pof kopen, hetgeen - volgens verdachte - wel vaker gebeurde. Het slachtoffer weigerde dat. Om toch zijn zin te krijgen heeft verdachte daarop het mes uit zijn zak gehaald en het slachtoffer daarmee bedreigd. Deze heeft zich verweerd en getracht het mes van verdachte af te pakken, wat ook lukte. In de daarop volgende worsteling pakte verdachte het mes weer af van het slachtoffer. Volgens verdachte ging de worsteling door en probeerde hij, met het mes in de hand, uit de auto van het slachtoffer te komen. Dit lukte niet en omdat het slachtoffer - volgens verdachte - hem nog steeds te lijf ging heeft verdachte het slachtoffer een aantal malen gestoken met het mes.

Uitgaande van de lezing van verdachte mocht, naar het oordeel van hof, het latere slachtoffer zich jegens verdachte verweren toen verdachte met het mes begon te dreigen. Die dreiging was immers zonder meer een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval op het slachtoffer, in een situatie, waaraan het slachtoffer zich bezwaarlijk kon onttrekken en die voor hem levensbedreigend was.

Om het beroep van verdachte op noodweer(exces) te kunnen honoreren, zouden feiten of omstandigheden aannemelijk moeten worden dat het slachtoffer van de weeromstuit de grenzen van de noodzakelijke verdediging zodanig zou hebben overschreden dat dit een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer zou zijn, waartegen verdachte zich op zijn beurt weer zou mogen verweren. Verdachte heeft geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld, noch zijn deze anderszins aannemelijk geworden.

Overigens merkt het hof ten overvloede op dat indien het slachtoffer verdachte op enig moment met een mes zou hebben bedreigd, dit niet zonder meer een zodanige omstandigheid oplevert, nu verdachte die confrontatie is begonnen en het zich verweren met een mes tegen een bedreiging met een mes, op zich zelf niet disproportioneel is. Omstandigheden die dit anders zouden doen zijn in de voorliggende casus zijn niet gesteld noch aannemelijk geworden. Om die reden is evenmin ruimte voor een beroep op noodweerexces.

Het verweer wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte, na een eis van de officier van justitie van 6 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging, veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat verdachte tot eenzelfde straf zal worden veroordeeld als hem in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan en op grond van de persoon van verdachte. Daarbij is het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in de aanloop naar een drugsdeal, waarvoor hij onvoldoende geld bij zich had, een mes bij zich gestoken. Toen de verkoper weigerde een deel ‘op de pof’ te leveren heeft verdachte het mes getrokken om de dealer te bedreigen met de bedoeling alsnog zijn zin te krijgen. Toen dat niet lukte heeft verdachte het slachtoffer meerdere malen in de borst gestoken. Niettemin wist het slachtoffer uit de auto te stappen en kort bij de auto weg te lopen. Toen het slachtoffer in elkaar zakte heeft verdachte het slachtoffer overeind geholpen en weer terug in de auto gezet en vastgezet door de autogordel om zijn nek te wikkelen. Op dit moment wilde verdachte ook dat het slachtoffer zou sterven. Na deze daad heeft verdachte zich dan ook niet verder bekommerd om het zwaar gewonde slachtoffer. Verdachte heeft eerst nog twee telefoons, drugs en geld van het slachtoffer weggenomen en er vervolgens voor gezorgd dat hij zelf zo snel mogelijk bij de plaats van het delict wegkwam. Hij heeft het slachtoffer laten creperen. Het hof rekent verdachte dit zeer zwaar aan.

Voor een ernstig feit als het onderhavige, dat voor de direct betrokkenen en de samenleving zeer schokkend is, kan alleen een langdurige vrijheidsbenemende straf in aanmerking komen.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof rekening gehouden met het rapport van [deskundige], opgemaakt op 16 juni 2011, omtrent het psychiatrisch onderzoek van verdachte. Uit het rapport blijkt dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van verschillende middelen (cocaïne, GHB/speed, psychofarmaca) en mogelijk ook alcohol. Daarnaast is er sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Door de deskundige wordt over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het delict als volgt geadviseerd.

De deskundige geeft aan dat de toerekeningsvatbaarheid van verdachte moeilijk te bepalen is. De deskundige schetst twee scenario’s.

1. Indien ervan wordt uitgegaan dat betrokkene met voorbedachten rade met een mes op zak naar het slachtoffer is gegaan om hem een aantal zaken waarin hij zich tekort gedaan voelde, betaald te zetten, ondanks zijn zucht naar cocaïne, als volledig toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

2. Indien er van uit moet worden gegaan dat verdachte zich heeft moeten verweren tegenover het slachtoffer, hij erg agressief was omdat hij niet kreeg wat hij wilde, erg zuchtig naar drugs was en ontwenningsverschijnselen had dan kan op grond van de aanwezige verslavingsproblematiek en de persoonlijkheidsstoornis worden gesteld dat betrokkene in deze situatie zijn impulsen maar matig onder controle kon houden en de gevolgen van zijn gedrag maar matig kon overzien. In dat geval zou betrokkene als licht tot verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd kunnen worden, aldus de deskundige.

Het hof is van oordeel dat verdachte in zoverre berekenend is geweest dat hij het mes met opzet heeft meegenomen omdat hij onvoldoende geld bij zich had om voldoende drugs te kopen om het weekend door te komen, zoals hij ter zitting verklaarde. Hij heeft het mes ook bewust ingezet door het slachtoffer te bedreigen. In zoverre is sprake geweest van welbewust handelen, waarvoor hij -in lijn met het eerste scenario van de deskundige- naar het oordeel van het hof toerekeningsvatbaar te achten is. Toen echter het handgemeen met het slachtoffer ontstond omdat deze zich verweerde tegen de bedreiging, heeft verdachte daadwerkelijk gestoken met het doel te doden. Omdat verdachte op dat moment, zoals hij zelf verklaart, zuchtig was naar drugs en ontwenningsverschijnselen had, lijkt in dit opzicht scenario 2 van toepassing. In dit opzicht stelt het hof vast dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is.

Tevens heeft het hof kennis genomen van de in het dossier aanwezige reclasserings-rapporten en het recente reclasseringsrapport van 12 juni 2012.

Daarnaast blijkt uit het overlegde uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte first-offender is.

Met betrekking tot de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde terbeschikkingstelling met verpleging is het hof van oordeel dat verdachte vooralsnog niet kan worden aangemerkt als een “weigerende observandus”.

Door de deskundige, [deskundige], is geadviseerd, nu verdachte geen enkele behandelmotivatie toont, op te leggen een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Uit de reclasseringsrapportages met de daarbij gevoegde bijlagen blijkt dat verdachte meerdere malen heeft gepoogd om af te kicken van zijn verslaving. Telkens is verdachte na deze pogingen teruggevallen in zijn middelengebruik. De reclassering concludeert dat buiten een behandeling in een dwangkader er mogelijkheden zijn voor behandeling van verdachte in een Forensische Psychiatrische Kliniek, echter hiervoor ontbreekt thans nog het justitiële kader waarbinnen deze behandeling zou moeten plaatsvinden.

Anders dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd acht het hof geen gronden aanwezig tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Verdachte is niet eerder gedetineerd geweest, laat staan voor langere tijd. Hij heeft geen strafblad. Zoals hiervoor is aangegeven, heeft verdachte in de aanloop van het delict doelbewust gehandeld. Het hof gaat er van uit dat na een langdurige gevangenisstraf en een dienovereenkomstig lange VI-periode er mogelijkheden zouden moeten zijn verdachte te begeleiden in de kern van zijn problematiek, die in het bijzonder bestaat uit een buitengewoon hardnekkige en met zijn hele bestaan verweven verslaving.

Nu het hof niet toekomt aan oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, zal het hof aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen, waarbij rekening is gehouden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.811,59. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Door de verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat voormelde schadevergoeding inmiddels geheel is voldaan. De nabestaanden van het slachtoffer hebben aangegeven voormeld bedrag te hebben ontvangen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel, nu de schade geheel is voldaan, dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door

mr P.R. Wery, voorzitter,

mr P.A.H. Lemaire en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 28 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.