Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW9398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
200.090.252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling termijn, ouderschapsonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.252

(zaaknummer rechtbank 211382 / JE RK 11-15175)

beschikking van de familiekamer van 21 juni 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: aanvankelijk mr. J.J.J.M. van Ruth te Eindhoven,

thans mr. H.H.R. Bruggeman te Lisse,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Nijmegen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”,

advocaat: mr. N.R. Kasteel,

en

[verweerder],

en

[verweerster],

beiden wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de vader en de stiefmoeder”,

advocaat: mr. J.W.C. Giebels te Nijmegen.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 4 oktober 2012 een tussenbeschikking gegeven. Ingevolge die tussenbeschikking heeft een deskundigenonderzoek plaatsgehad.

1.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 14 maart 2012 het deskundigenbericht van drs. L. Dooms opgemaakt op 27 februari 2012 (verder: het deskundigenbericht);

- op 16 maart 2012 een brief van drs. L. Dooms van dezelfde datum met een aanvulling bij het deskundigenbericht;

- op 21 mei 2012 een brief van mr. Bruggeman van dezelfde datum met bijlagen.

1.3 De mondelinge behandeling heeft op 31 mei 2012 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting zijn verschenen haar advocaat en [...], gezinsvoogd. Tevens is de vader verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stiefmoeder is haar advocaat verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.

2. De motivering van de beslissing

2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 4 oktober 2011, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2 De periode waarvoor de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] is verlengd, is op 8 april 2012 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode 8 april 2011 tot 8 april 2012 te laten toetsen, en behoort haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

2.3 In de hiervoor genoemde tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat is gebleken dat partijen onvoldoende met elkaar kunnen communiceren. Deze communicatieproblemen hebben een negatieve weerslag op [kind 1] en [kind 2] en vormden voor de stichting de aanleiding om een verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling in te dienen. Het hof heeft voorts overwogen dat het in het belang van partijen is dat zij inzicht krijgen in hun voortdurende communicatieproblemen, zodat zij door dit inzicht hun gedrag zodanig kunnen aanpassen dat zij weer als ouders kunnen communiceren en afspraken kunnen maken over en in het belang van [kind 1] en [kind 2]. Het hof heeft daarom een onderzoek gelast en daarin de volgende onderzoeksvragen gesteld:

1. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

2. Hoe is de relatie van [kind 1] en [kind 2] met enerzijds de moeder respectievelijk de vader individueel en anderzijds beide ouders tezamen?

3. Hoe is de relatie van [kind 1] en [kind 2] met de vader en de stiefmoeder tezamen?

4. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de moeder en de vader?

5. Zal zonder een ondertoezichtstelling sprake zijn van een situatie dat [kind 1] en [kind 2] zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd?

6. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met [kind 1] en [kind 2]?

7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]?

2.4 Dooms heeft deze vragen in het deskundigenbericht als volgt beantwoord .

Ten aanzien van vraag 1:

De relatie tussen de ouders is verstoord en gecompliceerd en dat beïnvloedt de wijze waarop zij met elkaar omgaan en de communicatie tussen hen. De gebeurtenissen in de scheidingstijd (2003-2004) en de beleving ervan hebben naar het schijnt een grote indruk op de moeder gemaakt en het lijkt of haar houding naar en denkbeeld van de vader tot op heden hierdoor wordt beïnvloed. Het lijkt de moeder te belemmeren in een constructief contact met de vader. De moeder kan de vraag of zij de vader als vader accepteert, niet concreet beantwoorden. De moeder heeft veel tijd gevraagd in de gezamenlijke gesprekken en heeft desalniettemin verklaard dat zij zich niet gehoord voelt. Zij vindt dat er tot nu toe op verkeerde gronden beslissingen zijn genomen door onder ander de rechterlijke macht, de stichting en de raad. Het is voor de ouders lastig om overeenstemming te vinden wanneer zij een beslissing moeten nemen die de kinderen betreft. Het waarschijnlijke onvermogen van de moeder om de vader te accepteren als mede-ouder maakt het moeilijk zo niet onmogelijk voor de ouders om tot een goede afstemming te komen. Er is geen verbetering opgetreden in de communicatie tussen de ouders.

Ten aanzien van vraag 2:

De wisselmomenten ervaren beide kinderen als negatief. Het zijn de momenten waarop ze getuige zijn van spanningen en onenigheid tussen de ouders. Het is wel eens hoog opgelopen en zij hopen dat het niet weer zal gebeuren, het maakt ze angstig. [kind 1] wil dat de ondertoezichtstelling stopt. Beide kinderen willen minder ruzie/gedoe tussen de ouders. De kinderen zijn niet negatief over één van de ouders. Zij formuleren weloverwogen, soms voorzichtig. Opvallend is dat beiden verklaren dat ze rust willen en dat zij vinden dat hun ouders moeten ophouden met ruziemaken. Er is geen aanwijzing dat de kinderen het niet goed hebben bij één van de ouders.

Ten aanzien van vraag 3:

De vader en de stiefmoeder worden samen gezien als verzorger/opvoeder.

Ten aanzien van vraag 4:

De vader en de stiefmoeder tonen zich zorgzaam wanneer zij over de kinderen spreken. Zij zijn bezorgd over de situatie waarin de kinderen verkeren en de spanningen die zij ervaren en zij hopen op een verbetering voor de kinderen. De moeder is zorgzaam in de wijze waarop zij over de kinderen spreekt. Zij is beschermend voor de kinderen. De moeder denkt dat de kinderen bij de vader niet veilig zijn, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit zo is. De kinderen voelen het als een ouder de omgang niet van harte ondersteunt. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij bewust of onbewust de twijfels bij de moeder aanvoelen. Kinderen in deze situaties neigen ertoe om uit loyaliteit voor de moeder te kiezen of durven niet te laten merken dat het bij de vader ook fijn is uit angst om de moeder te kwetsen. [kind 2] verklaart dat hij zijn moeder mist als hij bij de vader is. [kind 2] is een gevoelig kind en maakt zich zorgen. Als de ouders in staat zouden zijn om afspraken te maken over onderwerpen die de kinderen aangaan, zou het voor de kinderen gemakkelijker zijn. Zij voelen de spanningen rondom de wisselmomenten en geven aan dat zij het beu zijn. Voor de moeder lijkt het ondoenlijk te zijn om het ouderschap als een gezamenlijke verantwoordelijkheid te zien.

Ten aanzien van vraag 5:

Tijdens het onderzoek is het niet gelukt om de relatie van de ouders zodanig te herstellen dat zij op een goede manier met elkaar kunnen communiceren. Dit leidt ertoe dat de kinderen ernstig in de knel zitten en er is geen zicht op verbetering. Welke verdeling van de zorg ook wordt gekozen, de kinderen blijven tussen de ouders in zitten. In het onderzoek is op geen enkele wijze gebleken dat de kinderen bij de vader niet veilig zijn of dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreigende situatie wat betreft het zedelijke of geestelijke belang van de kinderen of dat hun gezondheid ernstig worden bedreigd. Evenmin is gebleken dat de kinderen bij de moeder in een bedreigende situatie opgroeien.

Ten aanzien van vraag 6.:

De moeder betwijfelt of de vader een band heeft met de kinderen. Hij heeft naar haar mening een psychiatrisch verleden en een autoriteitsprobleem. Zij zegt dat er bij hem autisme is geconstateerd. De vader verwerpt de beschuldigingen en aantijgingen van de moeder . De moeder zegt dat zij de vader niet vertrouwt. Zij twijfelt aan de veiligheid van de kinderen bij de vader, maar kan geen voorbeelden geven van deze onveiligheid en vindt het ook moeilijk dit in het bijzijn van de vader te bespreken. In het ouderschapsonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat de kinderen bij de vader niet veilig zouden zijn. De moeder heeft in alle gesprekken moeite om kort en concreet weer te geven waar volgens haar een knelpunt zit. De frustratie van de moeder over de inmenging van derden is groot, het contact tussen de moeder en de instanties is slecht. De vader heeft een goed contact met de instanties en staat open voor overleg en advies over de opvoeding en begeleiding van de kinderen. De moeder zegt herhaaldelijk dat zij echt contact wil met de vader en niet via de instanties. De instanties blokkeren voor haar het contact. Het is echter onzeker of, als er in de zin van de moeder echt contact is met de vader, de ouders ook in staat zijn om samen het ouderschap in te vullen. Het lijkt voor de moeder onmogelijk om de zorg te delen met de vader. Zij heeft geen vertrouwen in hem en ziet het contact van de kinderen met de vader en de stiefmoeder eerder als een bedreiging dan als een verrijking voor de kinderen. De vader wil de zorg delen met de moeder en de kinderen op basis van gelijkwaardigheid opvoeden. De vader en de stiefmoeder maken zich zorgen om de kinderen. Zij willen met de moeder overleggen over simpele zaken die de kinderen betreffen zonder tussenkomst van derden.

Ten aanzien van vraag 7:

Het is de vraag of de moeder de kinderen niet teveel voor zichzelf claimt en de kinderen daardoor worden beperkt in hun individualiteit en ontwikkeling. De bevindingen in het onderzoek wijzen op een loyaliteitsconflict bij de kinderen dat door de slechte relatie en communicatie tussen de ouders wordt gevoed. De wijze waarop de moeder naar de gebeurtenissen kijkt en haar idee dat alle instanties tegen haar werken en haar onvermogen om met de instanties en de vader een goed overleg aan te gaan zijn verontrustend voor de moeder en voor alle betrokkenen. Het geeft druk op het hele gezinssysteem.

2.5 Het hof neemt de bevindingen van de deskundige Dooms over en maakt die tot de zijne. Het hof zal thans mede op grond van die bevindingen op grond van artikel 1:254 lid 1 BW (zie rechtsoverweging 4.1 van de tussenbeschikking) de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode 8 april 2011 tot en met 8 april 2012 beoordelen.

2.6 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de (voortzetting van de) mondelinge behandeling naar voren is gekomen oordeelt het hof dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor de ondertoezichtstelling, in ieder geval in de hier ter beoordeling staande periode van 8 april 2011 tot 8 april 2012, aanwezig waren. Bij beschikking van 6 april 2010 heeft de kinderrechter aannemelijk geoordeeld dat de kinderen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig wordt bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Voor zover de moeder stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden acht het hof dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. De moeder stelt dat uit het deskundigenbericht blijkt dat geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging die een ondertoezichtstelling noodzakelijk maakt. Het hof volgt deze stelling van de moeder niet. De deskundige stelt weliswaar vast dat de kinderen noch bij de moeder noch bij de vader in een bedreigende situatie opgroeien, maar concludeert ook dat [kind 1] en [kind 2], als gevolg van de slechte communicatie tussen de ouders, klem zitten tussen de ouders en dat zij veel last hebben van hun moeizame verstandhouding. Het hof verwijst naar het hiervoor samengevat weergegeven antwoord van de deskundige op vraag 2. De bevindingen uit het onderzoek wijzen op een ernstig loyaliteitsconflict bij de kinderen. Uit het deskundigenbericht blijkt voorts dat er geen zich is op een zodanig herstel van de communicatie dat de ouders in staat zijn enige verbetering te brengen in de benarde situatie van de kinderen. Uit het deskundigenbericht komt verder naar voren dat de moeder zich niet gehoord voelt. Het hof is van oordeel dat de stichting en de vader en de stiefmoeder terdege 'horen' wat de moeder inbrengt en zoveel als mogelijk rekening houden met haar visie en daarover met haar op een constructieve manier in gesprek zijn gegaan, maar dat het voor de moeder niet mogelijk is gebleken vertrouwen in de vader te krijgen en met hem samen de zorg voor [kind 1] en [kind 2] te delen.

2.7 De moeder heeft bij de brief van haar advocaat van 21 mei 2012 verzocht, in het licht van artikel 810a lid 2 en 3 Rv, een instituut als bijvoorbeeld FORA te benoemen om een onafhankelijk en gedegen onderzoek te doen naar de door het hof in de tussen beschikking van 4 oktober 2011 geformuleerde onderzoeksvragen. Het hof is van oordeel dat het onderzoek van drs. Dooms onafhankelijk en gedegen is uitgevoerd en dat met het deskundigenbericht de door het hof gestelde onderzoeksvragen duidelijk zijn beantwoord. De moeder heeft onvoldoende toegelicht welke informatie een nieuw onderzoek nog aan de reeds voorhanden informatie uit het deskundigenbericht zou kunnen toevoegen. Het hof acht een extra onderzoek zoals door de moeder verzocht daarom onnodig en bovendien te belastend voor de kinderen. Het hof wijst het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen af, nu een - nieuw - onderzoek door een andere deskundige niet mede tot de beslissing in deze zaak kan leiden en overigens het belang van de kinderen zich daartegen verzet.

2.8 Bij beschikking van 28 februari 2012 is de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd tot 8 april 2013. Het hof stelt vast dat de stichting op de mondelinge behandeling van 31 mei 2012 heeft verklaard dat zij, als gevolg van de zeer moeizame samenwerking met de moeder, thans twijfelt aan het nut van de ondertoezichtstelling op dit moment. Naar het oordeel van het hof is deze verklaring van belang voor de vraag of de thans lopende ondertoezichtstelling in stand moet blijven, maar heeft zij geen gevolgen voor de hier aan de orde zijnde beoordeling van de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling over de periode tot 8 april 2012.

2.9 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

3. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en H.L. van der Beek, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 21 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.