Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8742

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
200.097.696
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gemeenschappelijke nationaliteit ingevolge art. 6 lid 3 WCA; nu zowel de man als de moeder zijn respectievelijk haar gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is Nederlands recht van toepassing.

Gelet op processuele houding van de man en zijn verklaring bij de bijzonder curator voldoende aanknopingspunten om voorshands ervan te kunnen uitgaan dat hij de vader is van het kind. Man biedt geen tegenbewijs aan; verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap moet worden toegewezen. DNA onderzoek is verankerd in het Nederlandse recht en dergelijk onderzoek kan zonder enige nadere onderbouwing, die evenwel ontbreekt, niet als te ingrijpend worden beschouwd. Belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is, weegt zwaarden dan belang van de man om geen DNA onderzoek te gelasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.097.969

(zaaknummers rechtbank 258098 / FA RK 08-6846 en 259007 / FA RK 08-7221)

beschikking van de familiekamer van 31 mei 2012

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. J.R.A. Röschlau te Utrecht,

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. C.A.Th. Philipsen te Utrecht.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Mr. E. van Asbeck-Plemp van Duiveland,

kantoorhoudende te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verder te noemen “de bijzonder curator”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 29 april 2009,

1 december 2010 en 17 augustus 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, op 16 november 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 17 augustus 2011. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat hij niet de vader is van na te noemen [kind], hij geen verplichting heeft tot het betalen van alimentatie en dat hij niet de kosten van het DNA-onderzoek hoeft te betalen, kosten rechtens. Voorts heeft de man verzocht gedurende de behandeling van het verzoek in hoger beroep de betaling van alimentatie en van de kosten van het DNA-onderzoek te schorsen.

2.2 Bij beschikking van 6 december 2011 heeft het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, zich onbevoegd verklaard te oordelen over de beschikking van 17 augustus 2011 en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen naar het gerechtshof Arnhem.

2.3 Bij beschikking van 9 februari 2012 heeft dit hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de beschikking van 17 augustus 2011, voor zover deze de betaling van de alimentatie en van de kosten van het DNA-onderzoek betreft, afgewezen.

2.4 De moeder heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 10 mei 2012 plaatsgevonden. Namens de man en de moeder zijn hun advocaten verschenen. De bijzonder curator is eveneens verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen “de raad”) is R. van Weegen verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Op [geboortedatum] 2007 is te [Woonplaats] uit de moeder de zoon [kind 1] (verder te noemen “[kind]”) geboren. De moeder oefent alleen het ouderlijke gezag uit over [kind].

3.2 De man en de moeder hebben naast de Marokkaanse nationaliteit eveneens de Nederlandse nationaliteit. [kind] heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.3 Bij verzoekschrift, gedateerd 12 november 2008, heeft de moeder de rechtbank Utrecht verzocht een bijzonder curator voor [kind] te benoemen, het gerechtelijke vaderschap van de man vast te stellen over [kind] en te bepalen dat de man € 135,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], bij vooruitbetaling te voldoen.

3.4 Bij beschikking van 10 december 2008 heeft de rechtbank mr. E. van Asbeck-

Plemp van Duiveland benoemd tot bijzonder curator over [kind].

3.5 Bij beschikking van 29 april 2009 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek bevolen naar de vraag of de man de biologische vader van [kind] is, een deskundige benoemd, de deskundige verzocht een schriftelijk en met redenen omkleed bericht met een duidelijke conclusie in te leveren ter griffie van de rechtbank, bepaald dat de moeder het voorschot dient te betalen en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.6 Bij beschikking van 1 juni 2010 heeft het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep om de beschikking van 29 april 2010 te vernietigen en te bepalen dat hij niet mag worden onderworpen aan een DNA-onderzoek en het bevel tot DNA-onderzoek te schorsen.

3.7 Bij beschikking van 1 december 2010 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden.

3.8 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat de man de vader van [kind] is, hem uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling van de kosten van het DNA-onderzoek van € 100,-, te voldoen aan de griffier van de rechtbank, bepaald dat de man met ingang van 17 augustus 2011 € 135,- per maand aan de moeder dient te verstrekken als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind], telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man betwist allereerst dat Nederlands recht van toepassing is op het onderhavige verzoek.

4.2 In artikel 6 lid 1 Wet Conflictenrecht Afstamming is het volgende te lezen:

“Of en onder welke voorwaarden het vaderschap van een man gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder of, indien dit ontbreekt door het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.”

Ingevolge lid 2 van deze wet is voor de toepassing van het eerste lid het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend.

Blijkens lid 3 van deze wet worden de man en de vrouw niet geacht een gemeenschappelijke nationaliteit te hebben indien zij meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit hebben.

4.3 Het hof overweegt dat de man en de moeder naast de Nederlandse nationaliteit de Marokkaanse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit hebben, zodat zij ingevolge artikel 6 lid 3 van de Wet Conflictenrecht Afstamming geacht worden geen gemeenschappelijke nationaliteit te hebben. Nu zowel de man als de moeder zijn respectievelijk haar gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is op het onderhavige verzoek Nederlands recht van toepassing.

4.4 De man betwist dat hij de vader van [kind] is. Hij stelt dat de moeder niet heeft bewezen dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vader van [kind] is. Daarnaast is volgens de man een DNA-onderzoek te ingrijpend en maakt een dergelijk onderzoek ernstig inbreuk op zijn levenswijze, religie en lichamelijke integriteit.

4.5 Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de man ook in hoger beroep weigert zijn medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek.

Bij brief van 15 september 2010 heeft de bijzonder curator de rechtbank onder meer het volgende bericht:

”(…) bericht ik u, dat ik heden bij mij op kantoor een gesprek had met [appellant].

[Appellant] deelde mij mede, dat hij [geïntimeerde] kent vanuit Marokko. Zij was daar zijn buurmeisje. Dat hij bij haar een kind verwekt zou hebben is volgens hem uit de lucht gegrepen. Hij kan zich niet herinneren met haar intiem contact te hebben gehad: “zou kunnen, zou niet kunnen” Hij beweert, dat hij in een dronken bui vaak contacten heeft met vrouwen, die hij zich de volgende dag niet meer herinnert. Dat het in dit geval om zijn buurmeisje ging maakt volgens hem geen verschil.”

4.6 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de processuele houding van de man (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de vorm van het niet verschijnen ter mondelinge behandeling en het weigeren mee te werken aan een DNA-onderzoek) en zijn onder 4.5 vermelde verklaring bij de bijzonder curator, voldoende aanknopingspunten bieden om voorshands ervan te kunnen uitgaan dat hij de vader is van [kind]. Nu de man geen tegenbewijs aanbiedt, ziet het hof voldoende aanleiding om evenals de rechtbank te oordelen dat het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap moet worden toegewezen. Voor zover de man stelt dat een DNA-onderzoek te ingrijpend is en een ernstige inbreuk maakt op zijn levenswijze, religie en lichamelijke integriteit, overweegt het hof dat de mogelijkheid van een DNA-onderzoek is verankerd in het Nederlandse recht en dat een dergelijk onderzoek zonder enige nadere onderbouwing, die evenwel ontbreekt, niet als te ingrijpend kan worden beschouwd. Hierbij is van belang dat in dit geval het belang van [kind] om te weten wie zijn biologische vader is, zwaarder weegt dan het belang van de man om geen DNA-onderzoek te gelasten. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2 Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 17 augustus 2011;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, C.J. Laurentius-Kooter en J.G. Luiten, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2012.