Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8604

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
200.092.697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door wegvallen van subsidies aan de Stichting Mentorschap Midden Nederland zijn de kosten voor instandhouding van het mentorschap aanzienlijk gestegen. Niet weersproken dat het bij de gedeclareerde bedragen gaat om daadwerkelijk ten behoeve van het mentorschap gemaakte kosten, dat -ook door de overheid- aan de uitvoering van het mentorschap steeds hogere eisen worden gesteld en dat SMMN bijdraagt aan kwaliteit van het mentorschap door het bieden van scholing, hulp en (administratieve) ondersteuningl gedeclareerde kosten sluiten aan bij wat het LOVCK in redelijkheid heeft vastgesteld. Van strijdigheid met bepalingen van het EVRM of de Grondwet dan wel daaraan ten grondslag liggende beginselen geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.697

(zaaknummer rechtbank 749337 UF VERZ 11-3552 RvE)

beschikking van de familiekamer van 24 mei 2012

inzake

[appel[appellant],

wonende te [woonplaats],

vertegenwoordigd door haar bewindvoerder

de Stichting Bewindvoering Clienten Bartiméus,

gevestigd te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “[appellant]”,

advocaat: mr. J. Van Ravenhorst te Utrecht,

en

[geïntimeer[geïntimeerde],

wonende te Huizen,

in haar hoedanigheid van mentor van [appellant],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “[geïntimeerde]”,

advocaat: mr. M.W. Dieleman te Middelburg.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht, van 13 mei 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 augustus 2011, is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [appellant] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen teneinde de rechtbank opnieuw te laten beslissen met inachtneming van de beslissing van het hof, dan wel de vergoeding ten behoeve van [geïntimeerde] vast te stellen op € 277,- voor 2011, zulks te voldoen aan [geïntimeerde].

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 november 2011, heeft [geïntimeerde] het verzoek in hoger beroep van [appellant] bestreden. [geïntimeerde] verzoekt het hof de bestreden beschikking te bevestigen, waar nodig met verbetering van gronden, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 24 januari 2012 plaatsgevonden. Namens [appellant] is verschenen de stichting Stichting Bewindvoering Cliënten Bartiméus vertegenwoordigd door B.C. van Asbeck, J. van den Brink en J. de Wit (het dagelijks bestuur), bijgestaan door haar advocaat. Namens [geïntimeerde] is haar advocaat verschenen. Verder is aan de zijde van [geïntimeerde] de stichting Stichting Mentorschap Midden Nederland verschenen, vertegenwoordigd door

A. Slingeland (coördinator) en mr. J.P.H. Brandt (bestuurslid).

3. De vaststaande feiten

3.1 Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1988.

3.2 Bij beschikking van 27 april 2011 heeft de rechtbank Utrecht, sector Kanton, locatie Utrecht een mentorschap ingesteld ten behoeve van [appellant] en [geïntimeerde] tot mentor benoemd.

3.3 Bij verzoekschrift van 2 maart 2011 heeft [geïntimeerde] verzocht machtiging te verlenen tot een eenmalige vergoeding van € 330,50 aan intakekosten en een beloning voor 2011.

3.4 Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kantonrechter de beloning voor het jaar 2011 vanaf 27 april 2011 vastgesteld op € 563,15 exclusief BTW en € 330,50 exclusief BTW aan eenmalige intakekosten.

3.5 Bij beschikking van 28 september 2011 heeft de kantonrechter de Stichting Bewindvoering Clienten Bartiméus machtiging verleent tot het namens [appellant] instellen van appel tegen de bestreden beschikking onder de voorwaarde dat de stichting de kosten die voortkomen en samenhangen met het instellen van appel voor haar rekening neemt.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Het gaat in dit geding verder om de vraag of de kantonrechter machtiging heeft kunnen verlenen tot het declareren door de mentor van een mentorschapsbeloning over 2011 van € 536,15 exclusief BTW en € 330,50 exclusief BTW aan eenmalige intakekosten, conform de richtlijnen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (verder te noemen: LOVCK) van 26 mei 2011.

4.2 [appellant] stelt in de eerste plaats dat de vergoeding voor intakekosten dient te worden afgewezen. Verder stelt zij dat het bedrag van € 563,50 in strijd is met de eisen van artikel 1:460 BW en dat de mentorschapsvergoeding over 2011 dient te worden vastgesteld op

€ 277,-. Ten slotte stelt zij dat de richtlijn van het LOVCK van 26 mei 2011 niet mag worden toegepast wegens strijd met artikel 1:460 BW, het EVRM en de artikelen 14 en 22 lid 1 van de Grondwet.

4.3 [geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd en stelt dat de vastgestelde vergoeding geen beloning is als bedoeld in artikel 1:460 lid 2 BW, maar een hogere onkostenvergoeding als bedoeld in artikel 1:460 lid 1 BW. Door het wegvallen van subsidies aan de Stichting Mentorschap Midden Nederland, waarbij [geïntimeerde] is aangesloten, zijn de kosten voor de instandhouding van het mentorschap aanzienlijk gestegen. De eisen die gesteld worden aan het mentorschap worden steeds strenger. [geïntimeerde] draagt van de vergoeding van € 828,50 op jaarbasis € 553,50 af aan de stichting Stichting Mentorschap Midden Nederland (verder te noemen: SMMN), de kosten voor de intake worden geheel aan die stichting afgedragen.

Verder stelt [geïntimeerde] dat de draagkracht van [appellant] geen rol speelt bij de vaststelling van de hoogte van de onkostenvergoeding als bedoeld in artikel 1:460 lid 1 BW. Bovendien kan [appellant] ter zake van de mentorvergoeding in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Ten slotte is volgens [geïntimeerde] een forfaitaire berekening van de noodzakelijke kosten niet in strijd met het EVRM of de Grondwet.

4.4 Artikel 1:460 lid 1 BW bepaalt dat de mentor bij de vervulling van zijn taak

noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening mag brengen. Lid 2 van artikel 1:460 BW bepaalt dat de rechter aan de mentor ten laste van de betrokkene een beloning kan toekennen indien hij zulks redelijk acht, de financiële draagkracht van de betrokkene in aanmerking genomen.

4.5 Ter mondelinge behandeling is niet weersproken dat het bij de gedeclareerde bedragen

gaat om daadwerkelijk ten behoeve van het mentorschap gemaakte kosten. Ook is niet weersproken dat – ook door de overheid – aan de uitvoering van het mentorschap steeds hogere eisen worden gesteld en dat SMMN bijdraagt aan de kwaliteit van het mentorschap door het bieden van scholing, hulp en (administratieve) ondersteuning. Het hof neemt dit derhalve tot uitgangspunt.

4.6 De gedeclareerde kosten sluiten aan bij wat het LOVCK – een afvaardiging van terzake deskundige kantonrechters – in redelijkheid heeft vastgesteld; het gaat niet om excessieve bedragen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de aanbevelingen van het LOVCK en de daarin vastgestelde bedragen onjuist of onredelijk zouden zijn of dat in dit individuele geval daarvan zou moeten worden afgeweken.

4.7 Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het hier gaat om bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1:460 BW.

4.8 De draagkracht van de betrokkene speelt bij de vergoeding van gemaakte

kosten geen rol. Hetzelfde geldt voor het wel of niet ontvangen van bijzondere bijstand door de betrokkene. Desgewenst kan de betrokkene om ontslag van de mentor vragen.

4.9 Tenslotte is het hof van oordeel dat bij het voorgaande van strijdigheid met bepalingen van het EVRM of de Grondwet dan wel daaraan ten grondslag liggende beginselen geen sprake is.

4.10 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking

te bekrachtigen, met dien verstande dat na “mentorschapsbeloning” dient te worden gelezen: “inclusief onkostenvergoeding”.

4.11 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 13 mei 2011, met dien verstande dat na “mentorschapsbeloning” dient te worden gelezen: “inclusief onkostenvergoeding”;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, M.L. van der Bel en J.W.P. Verheugt en is op 24 mei 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.