Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8578

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
200.090.637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het petitum van het beroepschrift gesteld (en in het dictum van de bestreden beschikking opgenomen) voorwaarde van overname van de woning door de man is onzekere toekomstige gebeurtenis; opleggen van alimentatieplicht onder een voorwaarde als de onderhavige niet mogelijk; grievenstelsel brengt evenwel mee dat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen omdat de man tegen de voorwaardelijke alimentatieplicht geen (voldoende kenbare) grief heeft gericht; voorwaarde in het dictum van de bestreden beschikking ook niet verder uitbreiden, zoals de vrouw verzoekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.637

(zaaknummer rechtbank 288258 / FA RK 10-3358)

beschikking van de familiekamer van 24 mei 2012

inzake

[appellant],

wonende te [W[Woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. Th.A.H. van Blokland te Amersfoort,

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder te Amersfoort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 6 april 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juli 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor wat betreft de zorgregeling met betrekking tot der partijen jongste twee minderjarige kinderen en de vaststelling van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de jongste twee minderjarige kinderen van partijen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

1. met betrekking tot de jongste twee kinderen van partijen een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden waarbij deze twee kinderen steeds één week aaneengesloten bij de man en de tweede week bij de vrouw verblijven en zo steeds om en om per week verder althans een zodanige regeling waarbij de man een grotere zorg- en opvoedingsbijdrage levert dan door de rechtbank is bepaald;

2. de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald zal worden op nihil althans op een zodanig lager bedrag van € 300,- per maand als het hof juist acht;

3. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de jongste twee minderjarige kinderen van partijen zal worden bepaald op nihil althans op een zodanig lager bedrag dan

€ 350,- per kind per maand als het hof juist acht, alles met ingang van de datum waarop de man de voormalige echtelijke woning zal hebben overgenomen in eigendom.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 augustus 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te handhaven en onder de punten 4.2 en 4.6 aan te vullen met: “indien de woning op dat moment reeds is overgenomen door de man of overgedragen aan een derde, dan wel vanaf de dag dat de man de woning heeft overgenomen dan wel is overgedragen aan een derde,…”.

2.3 De man heeft in het incidenteel hoger beroep geen verweerschrift ingediend.

2.4 Ter griffie van het hof is op 24 februari 2012 een brief van mr. Van Blokland van

23 februari 2012 met bijlagen binnengekomen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 6 maart 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Van ’t Westende Meeder heeft haar standpunt mede toegelicht aan de hand van een door haar aan het hof overhandigde pleitnota.

2.6 Na de mondelinge behandeling is binnengekomen een brief van mr. Van ’t Westende Meeder met bijlage. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog brieven met stukken na te zenden, slaat het hof geen acht op deze brief en heeft het hof deze retour gezonden.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op [trouwdatum] 1990 met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 7 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren

[Kind 1] (verder te noemen “[kind 1]”), op [geboortedatum] 1994;

- [kind 2] (verder te noemen “[kind 2]”), op [geboortedatum] 1998

- [kind 3] (verder te noemen “[kind 3]”), op [geboortedatum] 2003,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3 Bij verzoekschrift van 2 juni 2010 heeft de man de rechtbank Utrecht verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een zorgregeling met betrekking tot de minderjarige kinderen van partijen vast te stellen (co-ouderschap).

3.4 Bij “verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken” van 19 augustus 2010, heeft de vrouw, voor zover thans van belang, verzocht echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar is, een omgangsregeling vast te leggen zoals door haar omschreven, en te bepalen dat de man kinderalimentatie van € 250,- per kind per maand en partneralimentatie van € 1.000,- bruto per maand betaalt.

3.5 Bij verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken heeft de man, voor zover thans van belang, verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen met bepaling van een zorgregeling voor de kinderen als door hem omschreven.

3.6 Ter mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de vrouw haar zelfstandige verzoek gewijzigd. Zij verzoekt de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van zaterdag 18.30 uur tot dinsdag 19.00 uur bij de man verblijven en de vakanties en feestdagen bij helfte. Ten aanzien van de kinderalimentatie verzoekt zij een bijdrage van € 350,- per kind per maand vanaf het moment dat zij met de kinderen de echtelijke woning heeft verlaten.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud zal verstrekken van € 300,- per maand en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] van € 350,- per kind per maand telkens met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand indien de woning op dat moment reeds is overgenomen, dan wel vanaf de dag dat de man de woning heeft overgenomen, bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [kind 2] en [kind 3] hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw en dat [kind 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man. De rechtbank heeft voorts een regeling vastgesteld van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [kind 2] en [kind 3] eenmaal per veertien dagen van zaterdag 18.30 uur tot dinsdag 19.00 uur en in de tussenliggende week van maandag 8.30 uur tot dinsdag 19.00 uur bij de man zullen verblijven. Indien de vrouw werkt vangt deze regeling tijdens de vakanties aan op zondag om 19.00 uur. Voorts verblijven de kinderen gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de man, waarvan tijdens de dubbele feestdagen, zoals Kerst, Pasen en Pinksteren, de tweede feestdag.

Ten aanzien van de man

3.8 De man, geboren op [geboortedatum] 1965, heeft een nieuwe partner, die in haar eigen levensonderhoud voorziet. De man en zijn nieuwe partner hebben samen twee kinderen. De man voert een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma, genaamd [Naam Vennootschap].

Ten aanzien van de vrouw

3.9 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1964, vormt met [kind 2] en [kind 3] een gezin.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen zijn in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [kind 2] en [kind 3] en de door de rechtbank met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de woning op dat moment reeds is overgenomen dan wel vanaf de dag dat de man de woning zal hebben overgenomen, vastgestelde bijdrage van € 350,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 300,- per maand.

4.2 Met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken voor [kind 2] en [kind 3] oordeelt het hof als volgt. De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede, en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

4.3 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat co-ouderschap niet in het belang van de kinderen is. De huidige regeling verloopt in de praktijk goed en die regeling sluit aan bij het werk van de man en zijn feitelijke woonsituatie. De huidige huisvesting van de man, te weten een klein appartement met één slaapkamer, is niet geschikt voor een ruimere regeling dan de regeling die thans wordt gevolgd, hetgeen de man ter zitting heeft bevestigd. Onduidelijk is nu of de man de echtelijke woning kan overnemen, en zo ja, op welke termijn dat mogelijk is. Aangezien het hof bij de huidige stand van zaken een oordeel dient te geven en niet vooruit kan lopen op mogelijke wijzigingen in de toekomst ten aanzien van de woonruimte van de man en diens partner, zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bekrachtigen. Gelet op het voorgaande faalt grief I in het principaal hoger beroep.

4.4 Ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding

van [kind 2] en [kind 3] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en ter mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de man thans, gelet op het feit dat hij de woonlast van de voormalige echtelijke woning waarin de vrouw woont voldoet en gelet op zijn overige lasten, geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man stelt dat hij ook na overname van de echtelijke woning geen draagkracht heeft. Hij verzoekt daarom in hoger beroep om nihilstelling van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw, alles met ingang van de datum waarop hij de voormalige echtelijke woning zal hebben overgenomen in eigendom. Ter mondelinge behandeling is de mogelijkheid van het overnemen van de voormalige echtelijke woning door de man genoemd, maar niet is komen vast te staan dat het voor de man financieel mogelijk is die woning in eigendom te verkrijgen. De in het petitum van het beroepschrift gestelde (en in het dictum van de bestreden beschikking opgenomen) voorwaarde van overname van de woning door de man is derhalve een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daar komt bij dat de man geen hypotheekofferte en ook geen andere financiële bescheiden heeft overgelegd waaruit zijn financiële situatie bij overname van de woning blijkt. Een beoordeling van zijn toekomstige draagkracht is daardoor niet mogelijk. Het hof acht daarom het opleggen van een alimentatieplicht onder een voorwaarde als de onderhavige dan ook niet mogelijk. Het grievenstelsel brengt evenwel mee dat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen omdat de man tegen de voorwaardelijke alimentatieplicht geen (voldoende kenbare) grief heeft gericht. Gelet op het voorgaande behoeven de grieven II tot en met X in het principaal hoger beroep geen (verdere) bespreking.

4.5 Ten aanzien van het verzoek van de vrouw in het incidenteel hoger beroep overweegt het hof als volgt. De vrouw verzoekt aanvulling van het voorwaardelijk dictum van de rechtbank. Onder 4.4 heeft het hof overwogen dat het hof het opleggen van een alimentatieplicht onder een voorwaarde niet mogelijk acht. Het hof zal daarom die voorwaarde in het dictum van de bestreden beschikking ook niet verder uitbreiden, zoals de vrouw verzoekt. De grief van de vrouw faalt, zodat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen.

4.6 Ten overvloede overweegt het hof dat indien er een wijziging van omstandigheden plaatsvindt partijen in onderling overleg dan wel door de rechtbank een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw kunnen (laten) vaststellen. Alsdan kan bij bepaling van de behoefte en draagkracht rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden op dat moment.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 6 april 2011 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, H.L. van der Beek en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 24 mei 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.