Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8570

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
200.085.597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenbeschikking vrouw toegelaten tot leveren van tegenbewijs door bewijsstukken en/of getuigen tegen vermoeden dat zij en partner samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW; vrouw daarin niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.085.597

(zaaknummer rechtbank 191289 / ES RK 09-667)

beschikking van de familiekamer van 10 mei 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. Hofstee-Heijbroek te Tiel,

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. G.H. Zijlstra te Amersfoort.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 2 februari 2012 een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Ter griffie van het hof is op 23 februari 2012 binnengekomen een brief van mr. Zijlstra van dezelfde datum met als bijlage een akte met bijlagen.

1.3 Bij brief van 1 maart 2012 heeft mr. Zijlstra het hof namens de vrouw laten weten af te zien van het horen van getuigen.

1.4 Ter griffie van het hof is op 20 maart 2012 binnengekomen een brief van mr. Hofstee-Heijbroek van 19 maart 2012 met als bijlage een antwoordakte.

2. De verdere motivering van de beslissing

2.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van

2 februari 2012, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2 Bij die tussenbeschikking heeft het hof de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs door bewijsstukken en/of getuigen tegen het vermoeden dat de vrouw en [A] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Tevens heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden.

2.3 Het hof stelt nogmaals voorop dat ingevolge artikel 1:160 BW een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

2.4 De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bewijs te leveren door getuigen. In de door haar ingediende akte voert de vrouw het volgende aan. In de eerste plaats is er volgens de vrouw, onder verwijzing naar HR 13 juli 2001 (NJ 2001, 586), geen sprake van een situatie als in 1:160 BW omdat [A] tot 23 maart 2011 gehuwd was. Onder verwijzing naar datzelfde arrest voert de vrouw verder aan dat er geen sprake was van een affectieve relatie van duurzame aard, omdat van meet af aan vaststond dat de samenwoning van tijdelijke aard zou zijn. In het geval één van beiden (de vrouw en [A]) eerder over geschikte woonruimte zou beschikken dan zou de samenwoning eerder worden verbroken. De vrouw heeft ter onderbouwing van deze stelling onder meer een (ongedateerde) verklaring van [A] alsmede een koopovereenkomst overgelegd. De vrouw voert ten slotte aan dat geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De vrouw huurde een woning en [A] huurde bij haar een kamer en daaruit kan niet een gemeenschappelijke huishouding worden afgeleid. Dit geldt ook voor hetgeen is verklaard omtrent het incidenteel samen gebruiken van het bed en het samen eten. Naast het enkele dagen per week samen eten deden partijen niets samen wat in een gemeenschappelijke huishouding normaal is. Het samen eten kwam slechts voort uit praktische overwegingen, aldus de vrouw. De man heeft het door de vrouw aangevoerde bij zijn antwoordakte betwist.

2.5 Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende tegenbewijs heeft aangedragen om het voorlopig oordeel dat zij met [A] samenwoonde als ware zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW, te ontzenuwen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

2.6 Het hof heeft als voorlopig oordeel gegeven dat voldaan is aan de vereisten voor samenwoning zoals bedoeld in artikel 1: 160 BW. Ter ontzenuwing van dat vermoeden beroept de vrouw zich er op dat er geen sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard omdat de samenwoning steeds tijdelijk was bedoeld, ten bewijze waarvan zij bij akte de producties 11 en 12 over legt. Het hof is van oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Uit de koopovereenkomst registergoed, productie 11, blijkt op geen enkele wijze dat de huur dan wel het gebruik van de woning tijdelijk was of dat de samenwoning slechts bedoeld was als tijdelijk. In tegendeel, het betreft hier een koopovereenkomst die naar haar aard juist een definitief karakter heeft. Daar komt bij dat de eventuele tijdelijkheid van de huur- dan wel gebruiksovereenkomst nog niet impliceert dat de vrouw en [A] hadden afgesproken bij het einde van de huur- dan wel gebruiksovereenkomst hun samenleving te beëindigen, hetgeen evenmin is komen vast te staan. De schriftelijke verklaring van [A], productie 12, omtrent de tijdelijkheid van de samenwoning acht het hof onvoldoende om te kunnen oordelen dat de intentie van de vrouw en [A] was dat de samenwoning slechts tijdelijk zou zijn. Ook het door de vrouw als productie 7 bij haar akte overgelegde stuk waaruit blijkt dat zij al diverse malen had gereageerd op huurwoningen en dat zij gelet op de datum van haar inschrijving niet voor het huren van die woningen in aanmerking kwam, biedt geen bewijs voor de stelling van de vrouw. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de samenwoning inmiddels is verbroken omdat de vrouw met ingang van 7 december 2011 andere woonruimte heeft gevonden, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat het hier gaat om een tijdelijke huurovereenkomst op grond van artikel 14 Leegstandswet. Dat de relatie tussen de vrouw en [A] duurzaam is blijkt overigens ook uit het feit dat deze relatie, blijkens de verklaring van vrouw ter mondelinge behandeling, nog steeds voortduurt.

2.7 Ter ontzenuwing van het vermoeden dat tussen de vrouw en [A] sprake was van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging heeft de vrouw slechts als bewijs overgelegd de eerder genoemde als productie 11 bij de akte overgelegde koopovereenkomst registergoed. De vrouw beoogt met dit stuk aan te tonen dat zij de woning huurde en dat [A] bij haar een kamer huurde. Voor zover dit al uit dit stuk zou blijken, kan daarmee, mede gelet op hetgeen hieromtrent is overwogen in de tussenbeschikking van 2 februari 2012, in het bijzonder de verdeling van de huurlasten, niet de conclusie worden getrokken dat tussen de vrouw en [A] geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.

2.8 De vrouw voert aan dat er, in elk geval vóór 24 maart 2011, geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW omdat [A] tot die datum nog was gehuwd en beroep zich daartoe op HR 13 juli 2001 (NJ 2001, 586). Het hof overweegt dat dit feit er in dit geval niet aan in de weg staat dat sprake is van samenwoning in de zin van

artikel 1:160 BW met een ander dan de toenmalige echtgenote, te weten de vrouw. In het genoemde arrest wordt overwogen dat de beperkte uitlegging van artikel 1:160 BW strookt met de ratio van deze bepaling, zoals deze blijkt uit de wetsgeschiedenis, waarbij in het bijzonder van belang is dat de zinsnede aan het slot van de bepaling is toegevoegd om ‘te voorkomen dat ter wille van rechtsgevolgen aan een concubinaat de voorkeur wordt gegeven boven een tweede huwelijk’. Een dergelijke keuze ontbreekt indien, en voor zolang als, een van de partners nog is gehuwd, aldus de Hoge Raad. Het hof overweegt dat weliswaar het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden uitgelegd, maar dat uit het genoemde arrest moet worden geconcludeerd dat slechts uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid of een situatie onder de reikwijdte van artikel 1:160 BW valt. Het hof neemt bij de beoordeling van die omstandigheden in aanmerking dat in dit geval vast staat dat [A] de samenleving met zijn toenmalige echtgenote had verbroken, zich in een echtscheidingssituatie bevond en voornemens was om te scheiden, terwijl in het door de vrouw aangehaalde arrest sprake was van een geval waarbij de partner gehuwd was en niet het voornemen had te gaan scheiden. Bovendien hebben de vrouw en [A] ook na de datum van de echtscheiding van [A] feitelijk samengewoond. Ten slotte overweegt het hof in dit verband dat artikel 1:83 BW, dat een samenwoningsplicht bevatte voor gehuwden, inmiddels is vervallen (Wet van 31 mei 2001, Stb. 275, in werking getreden op 22 juni 2001). Gelet daarop is het hof van oordeel dat de vrouw, ook voor de periode tot aan 23 maart 2011, geen tegenbewijs heeft geleverd dat het voorshands gegeven oordeel ontzenuwt.

2.9 Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de vrouw niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat zij en [A] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW en komt het hof tot de conclusie dat vanaf 1 september 2010 sprake was van samenleven als waren zij gehuwd als bedoeld in dat artikel, aangezien is voldaan aan alle hiervoor onder 2.3 genoemde criteria.

2.10 Op grond van het vorenstaande is de verplichting van de man om de vrouw uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen van rechtswege geëindigd met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 20 september 2010.

3. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 10 januari 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de verplichting van de man om de vrouw uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen van rechtswege is geëindigd met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 20 september 2010;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, R. Krijger en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 10 mei 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.