Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8290

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
200.103.646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Geen geldig indicatiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.103.646

(zaaknummer rechtbank 120886 / JE RK 11-715)

beschikking van de familiekamer van 7 juni 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. R. Kaya te Enschede,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Hengelo,

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting".

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. G.B. Meijer te Enschede,

en

de pleegouders van [kind 1],

wonende op een geheim adres,

niet verschenen,

en

de pleegouders van [kind 2],

wonende op een geheim adres,

niet verschenen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 21 juni 2011 en 6 december 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 maart 2012, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 6 december 2011. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de na te noemen [kind 1] en [kind 2] zullen worden teruggeplaatst bij een van de ouders.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 april 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De stichting verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen en het beroep van de vader te verwerpen.

2.3 Ter griffie van het hof is op 10 mei 2012 binnengekomen een brief met bijlagen van de stichting van diezelfde datum.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2012 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stichting zijn verschenen [...], gezinsvoogd, en [...], praktijkleider. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is met kennisgeving vooraf niemand verschenen. Tevens is de moeder in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de vader en de moeder zijn geboren [kind 1], op [geboortedatum] 2002 en [kind 2], verder te noemen "[kind 2]", op [geboortedatum] 2004, verder ook gezamenlijk te noemen "de kinderen". De vader heeft de kinderen erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.2 Bij beschikking van 23 juni 2005 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting. Bij beschikking van 5 juli 2005 zijn de kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht van de stichting gesteld, welke termijn laatstelijk voor de duur van een jaar is verlengd bij beschikking van 21 juni 2011, ingaande op 5 juli 2011.

3.3 De stichting heeft op 26 mei 2009 ten aanzien van [kind 2] een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen "WJZ") met een geldigheidstermijn van twee jaar na aanvang zorg. Op 28 april 2010 heeft de stichting ten aanzien van [kind 1] een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ met een geldigheidstermijn van één jaar na aanvang zorg.

3.4 Bij beschikking van 20 juni 2007 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd de kinderen met ingang van 5 juli 2007 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de termijn van een jaar, welke plaatsing laatstelijk is verlengd bij beschikking van 29 juni 2010, ingaande op 5 juli 2010 voor de duur van een jaar, ten aanzien van [kind 1] in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling en ten aanzien van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 27 mei 2011, heeft de stichting verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling en, ter effectuering van de indicatiebesluiten, de machtiging uithuisplaatsing met betrekking tot beide kinderen te verlengen.

3.6 Bij beschikking van 21 juni 2011 heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 1] in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling met ingang van 5 juli 2011 voor de duur van een half jaar verlengd en de termijn van de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 juli 2011 voor de duur van een half jaar verlengd.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 1] in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling met ingang van 5 januari 2012 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 5 juli 2012, indien en voor zover het indicatiebesluit daartoe strekt. Eveneens bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 januari 2012 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 5 juli 2012, indien en voor zover het indicatiebesluit daartoe strekt.

3.8 [kind 1] verblijft sinds haar uithuisplaatsing op 2 oktober 2008 in een gezinshuis op een voor de stichting bekend adres. [kind 2] verblijft sinds haar uithuisplaatsing op 2 oktober 2008 in een perspectiefbiedend pleeggezin op een voor de stichting bekend adres.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2 Een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing (artikelen 1:261 en 1:262 BW) is, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ, gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 WJZ, waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. Het indicatiebesluit is de grondslag waarop de kinderrechter de beschikking neemt. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd. Bij het inleidend verzoekschrift heeft de stichting de kinderrechter verzocht ter effectuering van de bijgevoegde indicatiebesluiten de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] gedurende dag en nacht in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.3 Vast staat dat de plaatsing van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ. Het door de stichting bij het verzoekschrift overgelegde indicatiebesluit dateert van 26 mei 2009 en heeft een geldigheidsduur van twee jaar na de aanvang van de zorg, te weten 5 juli 2009 (ingangsdatum verlenging machtiging tot uithuisplaatsing). Het bij het verzoekschrift overgelegde indicatiebesluit was daarmee niet meer geldig bij de ingangsdatum van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een half jaar (vanaf 5 juli 2011) bij beschikking van 21 juni 2011, en dus ook niet meer bij de bestreden beschikking, die immers van 6 december 2011 dateert.

4.4 Vast staat dat de plaatsing van [kind 1] in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ. Het door de stichting bij het verzoekschrift overgelegde indicatiebesluit dateert van 28 april 2010 en heeft een geldigheidsduur van een jaar na de aanvang van de zorg, te weten 5 juli 2010 (ingangsdatum verlenging machtiging tot uithuisplaatsing). Het bij het verzoekschrift overgelegde indicatiebesluit was daarmee niet meer geldig ten tijde van de ingangsdatum van de opvolgende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een half jaar (vanaf 5 juli 2011) bij beschikking van 21 juni 2011, en dus ook niet meer bij de bestreden beschikking, die immers van 6 december 2011 dateert.

4.5 De stichting heeft ter mondelinge behandeling naar aanleiding van de vraag waarom zij geen geldig indicatiebesluit heeft overgelegd, verklaard dat in verband met afspraken met de provincie Overijssel, zorgaanbieders en rechtbanken in het ressort de aanspraak op zorg automatisch wordt verlengd en dat er geen nieuw indicatiebesluit behoeft te worden genomen na het verstrijken van de geldigheidsdatum van het aanvankelijke indicatiebesluit. Het hof is van oordeel dat, nog daargelaten dat hieromtrent geen stukken zijn overgelegd, deze handelwijze niet op de wet gebaseerd en daarom onaanvaardbaar is. Nu een maatregel van kinderbescherming als die tot uithuisplaatsing van een minderjarige een inmenging van het openbaar gezag betekent in de uitoefening van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven van ouder en kind (artikel 8 lid 1 EVRM), is deze inmenging niet toegestaan, tenzij zij bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde gevallen. Indien, zoals hier, niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor de hiervoor bedoelde inmenging, is sprake van schending van artikel 8 EVRM.

4.6 Hier komt bij dat de wetgever (de beperkte geldigheidsduur van) het indicatiebesluit van groot belang acht, zoals blijkt uit de volgende passage uit de memorie van toelichting bij artikel 5 WJZ (Tweede Kamer 2001-2002, 28 168, nr 3, p. 55):

“Aanspraken voor onbepaalde duur zijn niet gewenst. Immers regelmatig moet worden beoordeeld, of de cliënt nog behoefte heeft aan de geïndiceerde zorg. Het doel hiervan is zoveel mogelijk te voorkomen dat onnodige of minder effectieve zorg wordt verleend. In verband hiermee zal het indicatiebesluit de termijn noemen gedurende welke de aanspraak geldt”.

(Ook) de wetgever is derhalve van oordeel dat het indicatiebesluit niet een puur formeel, "bureaucratisch" vereiste voor financiering van zorg is.

4.7 Voor zover het hof kan nagaan, zijn door de stichting in de onderhavige procedure geen recentere indicatiebesluiten overgelegd dan die van 26 mei 2009 ([kind 2]) en 28 april 2010 ([kind 1]). De geldigheidstermijn van die indicatiebesluiten is reeds verstreken en deze besluiten kunnen daarom, gelet op het voorgaande, niet ten grondslag liggen aan een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 januari 2012 en aan een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een residentiële jeugdhulpverleningsinstelling met ingang van 5 januari 2012. Het hof zal de stichting echter, in het belang van [kind 1] en [kind 2] en bij wijze van uitzondering, in de gelegenheid stellen alsnog een geldig indicatiebesluit over te leggen, nu gelet op na te noemen factoren in onderlinge samenhang sprake is van een noodsituatie die ertoe leidt dat het onverantwoord is dat de aanspraak op de beoogde zorg wordt doorbroken. Op 23 juni 2005 zijn [kind 1] en [kind 2] voor de eerste keer uit huis geplaatst in hetzelfde gezin, destijds als crisispleeggezin. Op 6 juli 2005 zijn zij weer thuis geplaatst. Op 19 oktober 2006 zijn beide kinderen wederom uit huis geplaatst, in verschillende crisispleeggezinnen. Op 5 juli 2007 zijn de kinderen weer thuis geplaatst. Op 2 oktober 2008 zijn de kinderen voor de derde maal uit huis geplaatst, [kind 2] in een perspectiefbiedend pleeggezin en [kind 1] in een perspectiefbiedend gezinshuis. Het hof is van oordeel dat plaatsing van de kinderen bij de vader of de moeder, met het risico op – of zelfs maar de dreiging van – een vierde uithuisplaatsing, voor de kinderen te belastend zou zijn.

In dit verband is van belang dat de vader geen hulp accepteert van de gezinsvoogd en elk contact weigert. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de vader de oorzaak van alles wat volgens hem misgaat geheel buiten zichzelf legt. Hij stelt zich agressief op jegens hulpverleners wanneer hij weerstand ondervindt. Zo heeft hij zich verbaal agressief uitgelaten jegens een vorige gezinsvoogd en heeft hij de huidige gezinsvoogd onlangs op de locatie van de stichting bedreigd en fysiek mishandeld, terwijl de kinderen in een aangrenzend vertrek verbleven. De vader handelt bovendien in strijd met de belangen van de kinderen door te weigeren toestemming te verlenen voor noodzakelijke onderzoeken, zoals een persoonlijkheidsonderzoek voor [kind 2]. Ook is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat hij geen enkel plan heeft voor het geval de kinderen bij hem zouden gaan wonen. De moeder heeft ter mondelinge behandeling verzocht dat de kinderen teruggeplaatst worden bij de vader of bij haarzelf. Ten aanzien van de moeder is gebleken dat ook zij geen concreet plan heeft voor het geval de kinderen bij haar zouden gaan wonen en dat zij geen reëel beeld heeft van haar eigen problematiek, nu zij ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij van mening is geen hulp nodig te hebben bij de opvoeding van [kind 1] en [kind 2].

4.8 Het hof zal de vader en de moeder in de gelegenheid stellen op de inhoud van het door de stichting over te leggen indicatiebesluit te reageren. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

stelt de stichting in de gelegenheid om op uiterlijk 21 juni 2012 een geldig indicatiebesluit over te leggen;

stelt de vader respectievelijk de moeder in de gelegenheid om op uiterlijk 28 juni 2012 op de inhoud van het door de stichting overgelegde indicatiebesluit te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, H.L. van der Beek en R. Krijger, bijgestaan door mr. F.C. Alink als griffier, en is op 7 juni 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.