Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8233

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
21-002660-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Seksueel binnendringen en ontucht met minderjarig kind van verdachte. Drie jaar gevangenisstraf.

Namens verdachte is een aantal verweren gevoerd die in de kern neerkomen op de bruikbaarheid of onbetrouwbaarheid van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De gevoerde bewijs(middel)verweren worden verworpen.

Ten aanzien van het betrekken, dan wel niet voorkomen dat het slachtoffer aanwezig was bij de seksuele handelingen van verdachte met twee prostituees ontbreekt de relevante interactie tussen verdachte en het slachtoffer waardoor er geen sprake is van ontucht, wel van het niet tenlastegelegde schennis van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002660-11

Uitspraak d.d.: 13 juni 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

27 juli 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in Maastricht PPC te Maastricht.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 januari 2012 en 30 mei 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J.H.S. Vogel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 te Duiven, (opzettelijk)

met [slachtoffer] (zijnde verdachtes stiefkind), geboren op [geboortedatum slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam, te weten het zijn, verdachtes, penis brengen in de mond van die

[slachtoffer].

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2011 te Duiven,

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer],

geboren op [geboortedatum slachtoffer], bestaande die ontucht hierin dat hij

die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten en/of

die [slachtoffer] in haar schaamstreek heeft betast en/of

die [slachtoffer] heeft betrokken, dan wel niet heeft voorkomen dat die [slachtoffer]

aanwezig was, bij seksuele handelingen die hij, verdachte, toen en daar

onderging met een/enkele prostituee(s).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ter zitting ten aanzien van feit 1 en 2 betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet bruikbaar voor het bewijs nu de door hen afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting van de rechtbank dan wel bij de rechter-commissaris niet consistent, en daarmee onbetrouwbaar zijn. Ook de medische informatie in het dossier kan geen bijdrage leveren aan het bewijs, nu de conclusie in de brief van 23 maart 2012 een geheel andere is dan die in de brief van 30 januari 2011. In de brief van 2012 wordt vermeld dat bij dit onderzoek seksueel misbruik zeer wel mogelijk is. Dat is een conclusie die zo veel open laat dat het resultaat niet voor het bewijs bruikbaar is.

Ten aanzien van feit 2, voor wat betreft het onderdeel “betrekken, dan wel niet voorkomen dat [slachtoffer] aanwezig was bij de seksuele handelingen van verdachte met de twee prostituees”, heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is van enige voor het plegen of dulden van ontucht relevante interactie tussen verdachte en aangeefster.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar en de medische informatie bruikbaar en is van oordeel dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Oordeel hof

- Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

De getuige [getuige 1] heeft zowel bij de politie als ter zitting van de rechtbank van

13 juli 2011 een verklaring afgelegd. De getuige [getuige 2] is bij de politie tweemaal verhoord. Zij heeft voorts bij de rechter-commissaris op 6 juli 2011 een verklaring afgelegd.

De getuigen hebben uitvoerige verklaringen afgelegd. Van de verhoren zijn opnames gemaakt. Gedeelten daarvan, waaronder de door de raadsman opgegeven passages, zijn door het hof beluisterd.

Het hof heeft niet het beeld gekregen dat de verklaringen van de getuigen onbetrouwbaar zouden zijn. Zij hebben op hoofdlijnen consistent verklaard en hun verklaringen worden ondersteund door elkaar en door meer objectieve onderzoeksresultaten zoals de medische informatie van kinderarts [deskundige 1].

Het hof heeft wel geconstateerd dat de eigen verklaringen van zowel [getuige 1] als [getuige 2] zoals afgelegd bij de politie en ter zitting van de rechtbank dan wel bij de rechter-commissaris niet altijd geheel met elkaar overeenkomen. Het hof is bij het gebruik van de verklaringen daarom behoedzaam te werk gegaan. De eventuele discrepanties betekenen naar het oordeel van het hof echter niet dat de betrouwbaarheid als zodanig ter discussie komt te staan.

Het een en ander betekent dat het hof de verklaringen van de getuigen bruikbaar acht als bewijsmiddel.

- Medische informatie

Op 30 januari 2011 is door [deskundige 2], kinderarts, in haar schrijven een korte beschrijving gegeven van het lichamelijk onderzoek van [slachtoffer]. De conclusie houdt in: “seksueel misbruik. Nu nieuwe huidlaesie, waarvoor graag beoordeling.”

[Deskundige 1], kinderarts, heeft 1 februari 2011 geschreven dat [slachtoffer] lichamelijk is onderzocht. Zij heeft de volgende bevindingen beschreven:

Tevens een rode plek linker binnenzijde bovenbeen en een rode verkleuring op de buikhuid. Rondom de mond meerdere rode papabeltjes met op de kin een wat vlekkerige rode verkleuring. Bij de neus twee kleine verkleuringsplekjes op de ala bdz. Op de linkervoorhoofd blauwe plek met een wat grotere rode kring er om heen. Beiderzijds labia majora iets gerimpeld. Evenals perineum overgang anus naar vagina. Een kleine donkerrode plek linksonder in vagina.

In de brief van 23 maart 2012 van [deskundige 2] en [deskundige 1] hebben zij geschreven dat de conclusie uit de brief van [deskundige 2] van 30 januari 2011 niet is gebaseerd op eigen onderzoek (het hof begrijpt: door [deskundige 2]). [Slachtoffer] is onderzocht door [deskundige 1] en de dienstdoende gynaecoloog. Zij is na dit onderzoek op 29 januari 2011 ontslagen. Op 30 januari 2011 is [slachtoffer] echter op verzoek van haar moeder wederom onderzocht aangezien zij huidlaesies had ontwikkeld. [Deskundige 2] was toen de dienstdoende arts. Haar conclusie in de brief van 30 januari 2011 was gebaseerd op de aantekeningen van [deskundige 1]. Deze laatste onderstreept dat bij het lichamelijk onderzoek seksueel misbruik zeer wel mogelijk is.

In de brief van 15 mei 2012 van [deskundige 1] is nogmaals bevestigd dat de conclusie dat seksueel misbruik zeer wel mogelijk is, is gebaseerd op de gegevens van haar brief van

1 februari 2011. Zij vermeldt voorts dat het moeilijk is de beschreven letsels te verklaren uit een ander mechanisme (vallen, stoten etc. op deze kinderleeftijd) gezien de locaties. Omdat dit in de brief van 1 februari 2011 mogelijk niet duidelijk genoeg is geconcludeerd, heeft ze dit in haar brief van 23 maart 2012 wel benoemd.

Gelet op hetgeen hierboven is opgenomen is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat de medische informatie wel kan worden gebruikt voor het bewijs. Het lichamelijk onderzoek is verricht door [deskundige 1] en haar conclusie is onveranderd gebleven. Het hof acht deze conclusie voldoende concreet. De eventuele onduidelijkheid in de brief van 30 januari 2011 van [deskundige 2] is opgehelderd in haar brief van 23 maart 2012 die mede is geschreven namens [deskundige 1].

- Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder ten aanzien van feit 1 dat:

o Beide getuigen, [getuige 1] en [getuige 2], zowel bij de politie als ter terechtzitting dan wel bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat zij, toen zij samen in bad zaten, een stikkend dan wel kokhalzend geluid hoorden op het moment dat verdachte met [slachtoffer] op de slaapkamer was.

o De getuige [getuige 1] zowel in haar verklaring bij de politie als in haar verklaring ter zitting bij de rechtbank van 13 juli 2011 heeft verklaard dat zij, toen zij in bad zat, heeft gezien dat de penis van verdachte in de mond van [slachtoffer] zat. Bij de rechter-commissaris heeft ze verklaard dat het kokhalzende geluid daarmee te maken had.

o Kinderarts [deskundige 1] [slachtoffer] lichamelijk heeft onderzocht en op basis van dat onderzoek tot de conclusie is gekomen dat seksueel misbruik zeer wel mogelijk is en dat de beschreven letsels moeilijk te verklaren zijn uit een ander mechanisme (stoten, vallen etc. op deze kinderleeftijd) gezien de locaties.

Het hof overweegt in het bijzonder ten aanzien van feit 2 dat:

o De getuige [getuige 2] zowel in haar verhoor bij de politie als in haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat verdachte zijn penis door [slachtoffer] heeft laten betasten en dat verdachte met zijn vingers bij de vagina van [slachtoffer] zat.

o Kinderarts [deskundige 1] [slachtoffer] lichamelijk heeft onderzocht en op basis van dat onderzoek tot de conclusie is gekomen dat seksueel misbruik zeer wel mogelijk is en dat de beschreven letsels moeilijk te verklaren zijn uit een ander mechanisme (stoten, vallen etc. op deze kinderleeftijd) gezien de locaties.

o De getuige [getuige 1] bij de politie heeft verklaard dat [slachtoffer] met haar handjes aan de penis van verdachte zat.

Ten aanzien van het betrekken bij, dan wel niet voorkomen dat [slachtoffer] aanwezig was bij de seksuele handelingen van verdachte met de twee prostituees is het hof van oordeel dat, zoals is betoogd door de raadsman, voor dit specifieke onderdeel van de tenlastelegging de relevante interactie tussen verdachte en [slachtoffer] ontbreekt en dat er aldus geen sprake is van ontucht. Voor dit onderdeel in het onder 2 tenlastegelegde zal verdachte daarom worden vrijgesproken. Wel is sprake van overtreding van artikel 239 Wetboek van Strafrecht, schennis van de eerbaarheid, echter dit artikel is hier niet tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 28 januari 2011 te Duiven, opzettelijk

met [slachtoffer] (zijnde verdachtes kind), geboren op [geboortedatum slachtoffer], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam, te weten het zijn, verdachtes, penis brengen in de mond van die

[slachtoffer].

2.

hij op 28 januari 2011 te Duiven,

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, [slachtoffer],

geboren op [geboortedatum slachtoffer], bestaande die ontucht hierin dat hij

die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis heeft laten betasten en

die [slachtoffer] in haar schaamstreek heeft betast.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, vader van het slachtoffer, heeft bij zijn dochter van anderhalf jaar oud, handelingen gepleegd die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Dit alles vond plaats op een hotelkamer waar verdachte zich bevond met twee prostituees met wie hij seksuele handelingen verrichtte. Op de hotelkamer werd door verdachte alcohol genuttigd en cocaïne gebruikt.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als vader. Het vertrouwen dat een volledig afhankelijk persoon als het slachtoffer, in haar vader mocht stellen, heeft verdachte ernstig geschonden. Dat geldt evenzeer met betrekking tot het vertrouwen van de moeder van het slachtoffer, die haar aan zijn zorg overliet en in de veronderstelling was dat zij haar in een veilige en beschermde omgeving achterliet.

Verdachte heeft aldus op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven, hoe jong ook, nog lange tijd als gevolg daarvan psychische problemen kunnen ondervinden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen die zijn handelen voor het slachtoffer heeft gehad en nog kan hebben.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 mei 2012 betreffende verdachte blijkt dat hij eerder voor verschillende strafbare feiten, echter niet zijnde soortgelijke feiten, is veroordeeld.

Uit het rapport van de reclassering van 18 april 2011 blijkt dat verdachte geen begeleiding dan wel hulpverlening via de reclassering wenst.

Ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat de moeder van [slachtoffer] de scheiding in gang heeft gezet, dat hij nog een flinke schuld heeft en dat hij tot voor kort anti-psychose medicatie heeft gebruikt. Hij heeft voorts aangegeven dat hij zijn cocaïnegebruik niet als problematisch ervaart.

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft een straf voor de duur van 3 jaar gevorderd. Hij heeft gekozen voor deze straf omdat de tijd die verdachte daadwerkelijk vast zit dezelfde is, maar deze straf de mogelijkheid biedt voor het openbaar ministerie om na de invrijheidstelling van verdachte een bijzondere voorwaarde op te leggen. De advocaat-generaal denkt daarbij in het geval van verdachte aan een verbod op het gebruik van drugs.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit zo ernstig en voor de direct betrokkene en de samenleving zo verontrustend is, dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt. Het hof komt tot eenzelfde straf als de advocaat-generaal en neemt de motivering daarvoor over.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. In eerste aanleg is ook de wettelijke rente gevorderd. De oorspronkelijke vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade, die overigens niet is betwist, gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 244, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] terzake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 4.000,00 (vierduizend euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 101,00 (honderdéén euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 4.000,00 (vierduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr M. Barels en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 13 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.