Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8053

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
104.002.018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfpacht. Waardering van blote eigendom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.002.018

(zaaknummer rechtbank 122233)

arrest van de zesde civiele kamer van 5 juni 2012

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de gemeente Arnhem,

zetelende te Arnhem,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. B.S. ten Kate,

tegen:

1. de vereniging Vereniging Erfpachters Paasberg,

gevestigd te Arnhem,

2. de vereniging Vereniging Erfpachters Alteveer,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.R.H. Kuiper.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 11 augustus 2009 (gepubliceerd onder LJN BK9385) wordt verwezen naar dat arrest (hierna ook: het derde tussenarrest). Daarin heeft het hof voor zover hier van belang drie deskundigen benoemd (hierna ook: de deskundigen), bepaald dat zij een onderzoek zullen instellen met betrekking tot de onder 2.16 van het derde tussenarrest geformuleerde vragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.2 Vervolgens heeft het hof ambtshalve tussenarrest bepaald op het griffiedossier.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Bij brief van 14 oktober 2010 hebben de deskundigen (met afschrift aan het hof) een concept-deskundigenbericht, vergezeld van vijf bijlagen (hierna: het concept-deskundigenbericht), toegezonden aan partijen met verzoek om daarop binnen een maand nadien te reageren. Bij brief van 4 april 2011 aan de deskundigen hebben Paasberg c.s. op het concept-deskundigenbericht gereageerd. Bij brieven van 7 en 18 april 2011 aan de deskundigen en Paasberg c.s. heeft de gemeente (met afschrift aan het hof) op het concept-deskundigenbericht gereageerd. Bij brief van 2 mei 2011 aan het hof (met afschrift aan partijen) hebben de deskundigen om een aanvullend voorschot op hun honorarium verzocht. Mr. Kuiper heeft het hof met afschrift aan de deskundigen en de wederpartij bij brief van 24 juni 2011 bericht dat partijen met elkaar in overleg zijn getreden. Bij brief van 21 juli 2011 aan het hof heeft mr. Kuiper mede namens mr. Ten Kate gereageerd op de brief van de deskundigen van 2 mei 2011. Bij brieven van 2 respectievelijk 8 december 2011 hebben partijen het hof bericht dat de schikkingsonderhandelingen niet tot minnelijke overeenstemming hebben geleid en dat zij dan ook wensen voort te procederen.

2.2 In het concept-deskundigenbericht worden de vragen van het hof aan de deskundigen voorlopig samenvattend als volgt beantwoord.

1. Dient naar uw gemotiveerde oordeel in geval van verkoop van de (aan een gemeente toekomende) blote eigendom van met niet-eeuwigdurende erfpacht belaste grond, waarop een woning is gebouwd, aan de zittende erfpachter bij of kort na het verstrijken van de duur waarvoor het erfpachtrecht is gevestigd op de verkoopprijs een aftrek te worden toegepast wegens de bebouwde staat van de grond?

“Deskundigen beantwoorden deze vraag bevestigend. In zijn algemeenheid en ook in het onderhavig geval is de waarde van een bebouwde kavel in de regel lager dan de waarde van een vergelijkbare onbebouwde kavel. Dit wordt veroorzaakt door de ruimere aanwendingsmogelijkheden van een onbebouwde kavel. Niet alleen kan daarmee de bebouwing worden gerepliceerd doch dit kan in de meeste gevallen ook gunstiger en in ieder geval overeenkomstig de wensen van koper van een dergelijke kavel.”

2. Zo ja, kunt u deze aftrek uitdrukken in een percentage van de waarde van de volle eigendom van grond en opstal?

“De aftrek wegens de bebouwde staat van de grond kan worden uitgedrukt in een percentage van 7% van de waarde van het gehele object. Dit is opgebouwd uit een grondwaarde van 30% en een aftrek van 23,5% van die grondwaarde.”

3. Kunt u gemotiveerd aangeven naar welke objectieve maatstaven dan wel volgens welke taxatiemethode u de vragen 1 en 2 heeft beantwoord?

“Deskundigen zijn bij de bepaling van de grondwaarde in onbebouwde staat uitgegaan van de toepassing van een grondquote. De hoogte van de aftrek is gebaseerd op een aan ervaring ontleend bedrag aan sloopkosten per m³ bebouwing en een opslag vanwege bijkomende kosten en risico’s zoals een sloopvergunning en mogelijke aanwezige kostenverhogende omstandigheden zoals de aanwezigheid van asbest, bodemverontreiniging, aanpassing nutsvoorzieningen en tijd- en renteverlies. Eén en ander is doorgerekend voor alle in de onderhavige wijken aanwezige woningen waarna een gemiddeld bedrag is berekend. Dit gemiddeld bedrag is vervolgens uitgedrukt in een percentage van de grondwaarde in onbebouwde staat.”

4. Tot welke verschillen qua uitkomst leiden de door de gemeente gehanteerde taxatiemethode en de door u gehanteerde taxatiemethode? Kunt u uw antwoord op deze vraag illustreren met een aantal representatieve concrete voorbeelden, op basis van zo nodig door Paasberg c.s. en/of de gemeente aan te leveren gegevens?

“Aan dit advies is als bijlage 4 een overzicht gehecht met een berekening ten aanzien van tien representatieve objecten waaruit de verschillen tussen de door de gemeente getaxeerde kavelprijzen in onbebouwde staat en de door deskundigen berekende kavelprijzen in bebouwde staat blijken. Ter vergelijking zijn in dit overzicht tevens de door de gemeente in het kader van het “generaal pardon” tijdelijk verlaagde kavelprijzen opgenomen.”

5. Is het juist dat de prijs die de bij Paasberg c.s. aangesloten erfpachters voor hun huizen en erfpachtrecht hebben betaald, nagenoeg evenveel bedraagt als de prijs die eigenaren in dezelfde periode voor vergelijkbare huizen in dezelfde wijk met (eigen) ondergrond hebben betaald?

“Op grond van de door deskundigen uitgevoerde prijsvergelijking tussen eigendom en erfpacht kan niet bevestigd worden dat erfpachters nagenoeg evenveel voor hun huis zouden hebben betaald als eigenaren in dezelfde wijk en periode voor hun huis met eigendomsgrond. De erfpachters hebben gemiddeld 7,5% minder betaald dan de kopers van een huis met eigen grond. Wordt rekening gehouden met correcties voor de marktontwikkeling tussen de transactietijdstippen van beide eenheden van elk match pair, voor het gegeven of sprake is van een hoekwoning en voor de eventuele aanwezigheid van een dakkapel, dan neemt het prijsverschil nog iets toe naar 9%. Per geval kan er overigens sprake zijn van afwijking ten opzichte van dit beeld.”

6. Welke andere opmerkingen of informatie heeft u die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak?

“Naar aanleiding van het door het hof geformuleerde uitgangspunt dat de gemeente aan de erfpachter de marktwaarde van de grond mag vragen hebben deskundigen zich zelf de vraag gesteld of bij een verkoop door de erfverpachter aan de zittende erfpachter sprake is van omstandigheden die in de weg zouden staan aan de totstandkoming van een marktconforme prijs voor de grond. Gelet op de keuzevrijheid die de erfpachters in het onderhavige geval hebben zijn deskundigen van oordeel dat er geen sprake is van een dwangpositie en er geen aanleiding is te veronderstellen dat partijen elkaar niet in een marktconforme prijs zouden vinden.”

2.3 In hun brief van 4 april 2011 reageren Paasberg c.s. samengevat als volgt op de voorlopige beantwoording door de deskundigen van de vragen van het hof (hierna wordt tussen rechte haken vermeld op welk gedeelte van het concept-deskundigenbericht de reactie betrekking heeft).

De door de gemeente vastgestelde waarden (kavelprijzen) zijn in deze procedure een gegeven [algemeen]; de onderhavige procedure gaat enkel over de vraag of op die waarden een korting wegens de bebouwde staat van de grond dient te worden toegepast [vraag 1].

In plaats van het bepalen van de waarde van de grond door toepassing van een grondquote geven Paasberg c.s. de voorkeur aan het bepalen van die waarde door het uitgaan van waarden van onbebouwde kavels en het vervolgens toepassen van een korting wegens de bebouwde staat van de grond. Paasberg c.s. wijzen met nadruk op het feit dat grote erfpachtgemeenten als Amsterdam en Den Haag rekenen met een korting wegens de bebouwde staat van de grond. In dat licht, en in het licht van het antwoord van de deskundigen op vraag 1, is de stelling van de deskundigen dat de toepassing van een grondquote de grondwaarde het best zou bepalen volgens Paasberg c.s. onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd [vragen 2 en 3].

De rekenmethode van de deskundigen (toepassing van een grondquote van 30 % voor het bepalen van de waarde van de grond in onbebouwde staat met een aftrek van 23,5% van die waarde wegens de bebouwde staat van de grond) leidt tot een scheefgroei tussen grote en kleine kavels die in strijd met de redelijkheid en billijkheid en het gelijkheidsbeginsel is [vragen 3 en 4].

Vanaf 2000 hebben de erfpacht en de halsstarrige houding van de gemeente een fors waardedrukkend effect gehad op de gerealiseerde verkoopprijzen van woningen op erfpachtgrond (het hof begrijpt: in Paasberg en Alteveer). Tot 2000 was er echter in deze wijken in feite geen verschil tussen de prijs van huizen op eigen grond en van huizen op erfpachtgrond. Gelet op dit een en ander dienen de deskundigen bij de beantwoording van vraag 5 slechts transactiegegevens uit de periode 1993-2000 dan wel (in geval van een te onderzoeken periode van 16 jaar) 1984-2000 te betrekken. Voorts hebben Paasberg c.s. geen kennis van de (bouwkundige) staat van de onderzochte woningen en de effecten daarvan op de uiteindelijk gerealiseerde verkoopprijzen [vraag 5].

Paasberg c.s. betwisten dat, zoals de deskundigen menen, de zittende erfpachter keuzevrijheid heeft omdat hij kan kiezen tussen voortzetting van de erfpacht, aankoop van de grond of na ontvangst van de waarde van de opstal verhuizen naar een andere woning; zij menen dat dit een schijnkeuzevrijheid is: “Men moet verplicht kiezen uit een menu dat slechts bestaat uit drie gerechten die allen worden bereid in de keuken van de gemeente Arnhem” [vraag 6].

2.4 De gemeente reageert in haar brieven van 7 en 18 april 2011 samengevat als volgt op de voorlopige beantwoording door de deskundigen van de vragen van het hof. Alleen indien grond suboptimaal is ingericht èn de koper de mogelijkheid heeft een optimale inrichting te realiseren, zal de desbetreffende grond in onbebouwde staat een hogere waarde hebben dan in bebouwde staat; deze situatie doet zich echter niet voor in Paasberg en Alteveer [vragen 1 en 3].

Door na bepaling van de grondquote een aftrek wegens bebouwde staat toe te passen wordt niet meer voldaan aan de eis dat de waarde van de delen (grond en opstal) gelijk is aan de waarde van het totaal. De aftrek wegens bebouwde staat is al in de grondquote verdisconteerd. Anders dan de door de deskundigen gehanteerde grondquotemethode houdt de door de gemeente gekozen methode van een prijs per m² wel rekening met de kaveloppervlakte. De gemeente betwist dat het in de rede ligt de waarde van de grond uitsluitend te relateren aan de (mede door inspanningen van de erfpachters dan wel het achterwege blijven daarvan bepaalde) waarde van de daarop gerealiseerde woningen, zoals gebeurt bij de grondquotemethode. Koppeling van de aftrek wegens onbebouwde staat aan de sloopkosten van de opstal is ongerijmd, omdat een groot bouwvolume eerst leidt tot een hogere waarde van de grond maar vervolgens wordt beschouwd als een depreciërende factor. Daarmee is de door de deskundigen gebruikte methode innerlijk tegenstrijdig [vragen 2 en 3].

Voor zover het als een gebrek zou moeten worden beschouwd dat in de taxatiemethode van de gemeente de waarde van de opstal per m² geen constante is, kleeft dat gebrek ook aan de door de deskundigen voorgestane taxatiemethode, die ook leidt tot – niet objectief te verklaren – verschillen binnen gebieden waarvoor volgens de door de gemeente ingeschakelde externe taxateurs dezelfde grondwaarden zouden moeten gelden. Indien aan de tien bij de beantwoording van vraag 4 door de deskundigen nader onderzochte objecten een vaste waarde per m³ wordt toegekend, varieert de grondquote in die tien gevallen van ten minste 10,7 tot maximaal 30,6 % [vraag 4].

De gemeente is het met de deskundigen eens dat het antwoord op vraag 5 niet van belang is voor de bepaling van de waarde van de bebouwde grond na beëindiging van het recht van erfpacht [vraag 5].

De gemeente leidt uit het standpunt van de deskundigen, dat geen sprake was van een dwangpositie van de erfpachters wat betreft hun keuzevrijheid bij het expireren van hun erfpachtsrecht en er geen aanleiding is te veronderstellen dat partijen elkaar niet in een marktconforme prijs voor de grond zouden vinden, af dat de uit haar prijsbeleid volgende en met de diverse erfpachters overeengekomen prijzen als marktprijzen kunnen gelden, zodat er geen aanleiding is die prijzen achteraf te corrigeren [vraag 6].

2.5 De deskundigen hebben het hof in hun brief van 2 mei 2011 laten weten dat hun tijdsbesteding tot en met het uitbrengen van het concept-deskundigenbericht zodanig is dat het gestorte voorschot van € 34.000,-- is overschreden met € 18.839,-- (honorarium en kantoorkosten). Het opstellen van het definitieve deskundigenbericht zal inclusief het verwerken van de reacties van partijen op het concept-deskundigenbericht nog een totaalbedrag van maximaal € 17.951,-- kosten, aldus de deskundigen. Zij verzoeken het hof te bewerkstelligen dat partijen een aanvullend depot storten van (€ 18.839,-- + € 17.951,-- =) € 36.790,--. De belangrijkste reden voor de overschrijding is volgens de deskundigen geweest dat zij op voorhand de hoeveelheid benodigd feitenonderzoek niet goed hebben kunnen inschatten.

2.6 In zijn mede namens mr. Ten Kate aan het hof gezonden brief van 21 juli 2011 schrijft mr. Kuiper dat beide partijen zich ernstig zorgen maken over de forse kosten die gepaard lijken te gaan met het deskundigenbericht. Partijen achten een totale begroting van (het hof begrijpt:) € 70.790,-- niet in verhouding staan tot de vragen die het hof aan de deskundigen heeft voorgelegd. Dit bedrag is voor een vereniging van 200 particuliere huishoudens nagenoeg niet op te brengen, aldus mr. Kuiper. Partijen zien als oplossing storting van een aanvullend depot maar met maximering van de totale kosten (dus inclusief het reeds gestorte depot) tot een bedrag dat wat betreft Paasberg c.s. € 40.000,-- en wat betreft de gemeente

€ 55.000,-- zou mogen bedragen. Zoals onder 2.1 is vermeld, hebben partijen getracht minnelijke overeenstemming te bereiken maar is dit niet gelukt.

2.7 Bij de huidige stand van zaken acht het hof het opportuun reeds thans (derhalve vóórdat een eventueel definitief deskundigenbericht door de deskundigen wordt uitgebracht) een comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor (hierna ook: comparitie) voor deze kamer te gelasten. Deze comparitie zal worden benut voor de volgende doeleinden:

(a) bespreking van het concept-deskundigenbericht met één van de deskundigen;

(b) bespreking van de overschrijding van de vooraf door de deskundigen begrote kosten van hun onderzoek van € 34.000,-- met een bedrag van in totaal € 36.790,--;

(c) onderzoek of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden;

(d) indien geen schikking wordt bereikt: bespreking van het verdere verloop van de procedure, waaronder mede begrepen de vraag welk bedrag geïndiceerd is voor honorering van het uitbrengen van het definitieve deskundigenbericht door de deskundigen.

Het hof overweegt omtrent dit een en ander nader als volgt.

2.8 Sinds het op 11 augustus 2009 gewezen derde tussenarrest, in welk arrest het deskundigenonderzoek werd gelast, is inmiddels een periode van ongeveer twee jaar en tien maanden verstreken. Gedurende deze periode heeft onder meer onderzoek door de deskundigen plaatsgevonden, hebben zij een (concept-)deskundigenbericht uitgebracht en hebben partijen (vergeefs) getracht minnelijke overeenstemming te bereiken. De zaak is aangebracht op 4 april 2006, derhalve ongeveer zes jaar geleden. Ingevolge artikel 20 Rv waakt de rechter tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft hij, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen. Paasberg c.s. hebben in de brief van

2 december 2011 te kennen gegeven dat zij de procedure zeer lang vinden duren. Een comparitie van partijen met de onder 2.7 genoemde doeleinden draagt ertoe bij de duur van de procedure waar mogelijk te bekorten door bespreking van het

(concept-)deskundigenbericht te combineren met bespreking van de overschrijding van de kosten van het deskundigenonderzoek en, zo mogelijk, de procedure te doen eindigen door het tot stand brengen van een schikking.

2.9 Een andere overweging is in dit verband de mogelijkheid de overschrijding van de vooraf begrote kosten van het deskundigenonderzoek te beperken. Denkbaar is dat het hof na de gedachtewisseling ter zitting met één van de deskundigen eindarrest wijst aan de hand van het concept-deskundigenbericht, de opmerkingen van partijen daarover en de gedachtewisseling daarover ter zitting met één van de deskundigen (alsmede de overige gedingstukken), in welk geval het uitbrengen van een definitief deskundigenbericht met de daaraan verbonden kosten niet meer noodzakelijk is. Hier komt bij dat het hof voornemens is één van de drie deskundigen (namelijk ing. De Lorijn) ter zitting te horen, hetgeen een verdere kostenbesparing met zich brengt.

2.10 Bij de (hiervoor onder 2.7 sub (a) aangekondigde) bespreking van het concept-deskundigenbericht met ing. De Lorijn zal laatstgenoemde de gelegenheid worden geboden een nadere mondelinge toelichting te geven op het concept-deskundigenbericht en in te gaan op de (hiervoor onder 2.3 en 2.4 samengevatte) reacties daarop van partijen.

Het hof roept in herinnering het in het eerste tussenarrest onder 4.9 gegeven oordeel

dat uitgangspunt dient te zijn dat de gemeente in beginsel de actuele waarde van de grond als koopprijs mag vragen, maar dat de bevoegdheden van de gemeente als grondeigenaar, en daarmee ook de prijs die de gemeente voor de erfpachtgrond mag vragen, hun grenzen vinden in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of de redelijkheid en de billijkheid (zoals uitgewerkt in dat tussenarrest onder 4.10-4.23), alsmede dat de kern van deze zaak wordt gevormd door de vraag of de wijze waarop de gemeente de prijs voor haar grond berekent, in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Het hof wenst tegen deze achtergrond ter comparitie vooral stil te staan bij de vraag

(i) waarom de deskundigen, mede tegen de achtergrond van elders in vergelijkbare gevallen gebruikte waarderingsmethoden, hebben gekozen (uitgaande van de door de gemeente vastgestelde kavelprijzen) voor de methode van waardering van de grond door een grondquote te bepalen en vervolgens een aftrek wegens de bebouwde staat van de grond toe te passen, en niet voor de methode waarbij wordt uitgegaan van de waarde van onbebouwde kavels met toepassing van een korting wegens de bebouwde staat van de grond [vragen 1, 2 en 3].

Daarnaast wenst het hof, voor zover na de behandeling van vraag (i) nog nodig, aandacht te besteden aan:

(ii) (a) de mogelijke “scheefgroei” tussen grote en kleine kavels bij toepassing van de door de deskundigen gehanteerde methode (kavelprijs gemeente, toepassing grondquote en aftrek wegens bebouwde staat grond);

(ii) (b) de (motivering van de) door de deskundigen gemaakte koppeling van de aftrek wegens bebouwde staat aan de sloopkosten (dat wil zeggen de kosten die veronderstellenderwijs zouden moeten worden gemaakt om van de bebouwde kavel een onbebouwde te maken);

(ii) (c) de (motivering van de) verwerping door de deskundigen van de gecorrigeerde vervangingswaarde in het kader van de methode van de residuele grondwaardeberekening (p. 8 concept-deskundigenbericht) [vragen 3 en 4];

(iii) het betrekken van transacties uit de jaren 2000-2009 door de deskundigen bij de beantwoording van vraag 5 [vraag 5];

(iv) de vraag of het antwoord op vraag 5 niet van belang is voor de bepaling van de waarde van de bebouwde grond na beëindiging van het recht van erfpacht [vraag 5].

2.11 Wat het honorarium van de - door het hof benoemde - deskundigen betreft stelt het hof het uitgangspunt voorop dat dit honorarium wordt uitbetaald nadat zij het definitieve deskundigenbericht bij het hof hebben ingeleverd, hetgeen nog niet is geschied, en dat er onvoldoende reden is om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. Ten aanzien van de (hiervoor onder 2.7 sub (b) genoemde) overschrijding van de vooraf door de deskundigen begrote kosten van hun onderzoek van € 34.000,-- met een bedrag van in totaal € 36.790,-- wil het hof van de zijde van de deskundigen vernemen waarom zij, toen hen duidelijk werd dat het door henzelf voorafgaand aan het onderzoek bepaalde voorschot op hun honorarium dreigde te worden overschreden, hun onderzoek niet tijdelijk hebben onderbroken en het hof en partijen hieromtrent niet hebben ingelicht, maar hun werkzaamheden hebben voortgezet waardoor genoemd bedrag van € 34.000,-- werd overschreden met ongeveer 55 %

(€ 18.839,--) tot en met het uitbrengen van het concept-deskundigenbericht (het hof verwijst naar de bij brief van 13 augustus 2009 door het hof aan de deskundigen gezonden Leidraad deskundigen in civiele zaken, p. 39). Indien de deskundigen het hof tijdig hierover zouden hebben ingelicht, in plaats van bij het uitbrengen van het concept-deskundigenbericht op 14 oktober 2010, toen de overschrijding al een feit was, zou immers gelegenheid hebben bestaan onder ogen te zien of bij voorbeeld beperking dan wel vereenvoudiging van het deskundigenonderzoek mogelijk of wenselijk was. Niet gebleken is dat partijen akkoord waren met een overschrijding van het begrote bedrag als thans heeft plaatsgevonden. Het hof zal bij eindarrest beslissen omtrent de vraag of, en zo ja, in hoeverre, het bovengenoemde bedrag van € 18.839,-- voor uitbetaling aan de deskundigen in aanmerking komt.

2.12 Zoals hiervoor onder 2.7 sub (c) is vermeld, zal ter comparitie voorts worden bezien of, en zo ja, in hoeverre, minnelijke overeenstemming tussen partijen kan worden bereikt.

2.13 Voor het geval dat geen minnelijke overeenstemming tot stand komt, zal tot slot, zoals hiervoor onder 2.7 sub (d) is vermeld, ter comparitie de verdere gang van de procedure moeten worden besproken. Denkbaar is bij voorbeeld, zoals onder 2.9 reeds is vermeld, dat het deskundigenbericht niet wordt voltooid, maar dat het hof eindarrest wijst op basis van het concept-deskundigenbericht, de opmerkingen van partijen daarover en de gedachtewisseling daarover ter zitting met één van de deskundigen (alsmede de overige gedingstukken), dan wel dat het deskundigenbericht wel wordt voltooid en dat het hof daarna, al dan niet met de tussenstap van een reactie van partijen op het definitieve deskundigenbericht, eindarrest wijst. In laatstgenoemde variant dient de vraag te worden beantwoord welk bedrag geïndiceerd is voor honorering van het uitbrengen van het definitieve deskundigenbericht door de deskundigen. Wat betreft dit aspect bevat de hiervoor onder 2.6 weergegeven brief van 21 juli 2011 van mr. Kuiper mede namens mr. Ten Kate aan het hof enkele mogelijke opties.

2.14 Ter dekking van de kosten van de deskundige ing. De Lorijn ter zake van diens voorbereiding van en deelname aan de comparitie zal door Paasberg c.s. een voorschot (omtrent de hoogte waarvan genoemde deskundige zal worden verzocht zich uit te laten) moeten worden gestort. Omtrent de hoogte van dit voorschot zal worden beslist bij het arrest waarbij de comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor zal worden gelast.

Slotsom

Het hof zal een comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor gelasten voor de onder 2.7 omschreven (en onder 2.8 en volgende nader uitgewerkte) doeleinden. De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde partijen en de deskundige in de gelegenheid te stellen hun verhinderdagen op te geven. De deskundige zal worden verzocht bij het opgeven van zijn verhinderdagen tevens de kosten, verband houdende met de door hem bij gelegenheid van de comparitie te verstrekken nadere toelichting, te begroten. Beide partijen zullen na deze opgave van de deskundige in de gelegenheid worden gesteld zich hieromtrent uit te laten, waarna het hof de hoogte van het voorschot zal vaststellen en tevens de termijn, waarbinnen het voorschot door Paasberg c.s. moet zijn voldaan, zal bepalen. De comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor zal pas plaatsvinden nadat het voorschot door Paasberg c.s. is voldaan. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest zal toezenden aan de deskundige ing. L.L.M. de Lorijn, Postbus 145, 6650 AC Druten;

bepaalt dat Paasberg c.s. uiterlijk 19 juni 2012 een afschrift van de brieven van mr. Kuiper van 21 juli 2011 en 2 december 2011 en van de brief van mr. Ten Kate van 8 december 2011 aan de deskundige op bovengenoemd adres zullen toezenden;

bepaalt dat partijen (beide vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun raadslieden, zulks tot het geven van inlichtingen zoals onder 2.7 en volgende omschreven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, alsmede de deskundige voor het geven van een nadere toelichting zoals onder 2.7 en volgende omschreven, zullen verschij¬nen voor deze kamer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader te bepalen dag en tijdstip;

bepaalt dat bij deze comparitie geen gelegenheid zal bestaan om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advoca¬ten in de maanden september tot en met november 2012 zullen opgeven op de rolzitting van 19 juni 2012, ambtshalve peremptoir;

bepaalt dat de deskundige ing. L.L.M. de Lorijn uiterlijk op 3 juli 2012 de kosten, verbonden aan het geven van een nadere toelichting op het door de deskundigen uitgebrachte concept-deskundigenbericht zal opgeven alsmede zijn verhinderdata in de maanden september tot en met november 2012;

bepaalt dat beide partijen na de opgave door de deskundige van diens kosten in de gelegenheid zullen worden gesteld zich hieromtrent uit te laten, waarna het hof bij arrest de datum waarop de comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor zal plaatsvinden, zal vaststellen, de hoogte van het voorschot zal vaststellen en tevens de termijn, waarbinnen het voorschot door Paasberg c.s. moet zijn voldaan, zal bepalen;

bepaalt dat voor de comparitie van partijen tevens deskundigenverhoor in beginsel twee dagdelen (van maximaal 2,5 uur per dagdeel) beschikbaar zijn;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, H.C. Frankena en H.L. van der Beek en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2012.