Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW8046

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
200.095.252
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6489, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen bestrijden de over en weer genomen beslissingen met betrekking tot het beëindigen van het bestuurslidmaatschap van een stichting.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 298
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2012/1368
JOR 2012/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.095.252

(zaaknummer rechtbank 211102)

arrest van de derde kamer van 12 juni 2012

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: “[appellant]”,

advocaat: mr. J.A.M.P. Keijser,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna respectievelijk: “[geïntimeerde sub 1]” en “[geïntimeerde sub 2]”,

advocaat: mr. R. Vleugel.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

23 februari 2011 en 18 mei 2011 die de rechtbank Arnhem tussen appellant als eiser enerzijds en geïntimeerden als gedaagden anderzijds heeft gegeven en gewezen. Van het vonnis van 18 mei 2011 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 16 augustus 2011 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aangezegd van het vonnis van 18 mei 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis heeft [appellant] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het bestreden vonnis zal vernietigen, zowel in conventie als in reconventie, en alsnog

voor recht zal verklaren dat het bestuurslidmaatschap van de Stichting Fontane

(hierna: “de stichting”) van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is geëindigd per 1 september 2009,

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen om alles wat tot de stichting behoort in de

meest ruime zin van het woord aan [appellant] ter hand te stellen, de adresseringen

aan te passen en zich te onthouden van rechtshandelingen voor de stichting, en voor

recht zal verklaren dat het besluit tot het ontslag van [appellant] dat genomen zou

zijn op 15 oktober 2009 niet rechtsgeldig dan wel nietig is, dan wel dit besluit zal

vernietigen en alsnog de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij reconventie ingestelde

vorderingen zal afwijzen, althans hen daarin niet-ontvankelijk zal verklaren;

II. ter zake van de vermeerdering van eis: dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal verklaren dat, overeenkomstig de daartoe gemaakte afspraak, dan

wel toezegging, althans verklaringen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], het

bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is geëindigd per 1 september

2009, dan wel [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen tot nakoming van die

afspraak en hen zal veroordelen zich deswege te onthouden van rechtshandelingen

als bestuurder van de stichting op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag,

alsmede hen zal veroordelen aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel

op te geven dat zij met terugwerkende kracht per 1 september 2009 zijn afgetreden,

en alles wat tot de stichting behoort af te dragen aan [appellant], dan wel

mr. A.L. Pieper en zich te onthouden van het verrichten van rechtshandelingen als

bestuurder van de stichting, alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per

dag, te verbeuren aan [appellant];

b. voor zover het hof niet reeds op andere gronden zal oordelen dat het lidmaatschap

van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van het bestuur van de stichting is geëindigd, voor recht

zal verklaren dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op grond van

de statutaire bepalingen inzake het rooster van aftreden, de termijn van drie jaar

voor het lidmaatschap van het bestuur en de bepaling dat een nieuw benoemd

bestuurslid ter zake van de termijn van zijn bestuurslidmaatschap in de plaats treedt

van zijn voorganger, dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is

geëindigd per 31 december 2009, dan wel per 31 december 2010, althans op een

andere door het hof te bepalen datum;

c. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen, voor het geval zij nog bestuurder zouden

zijn, na betekening, van het in deze te wijzen arrest binnen tien dagen aan Van der

Waal volledige décharge en kwijting te verlenen ter zake van zijn functioneren als

bestuurder/voorzitter van de stichting, op straffe van een hoofdelijk verschuldigde

dwangsom € 1.000,- voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke zullen zijn en

d. voor recht zal verklaren dat [appellant] gerechtigd was zijn opvolger te

benoemen en dat rechtsgeldig heeft gedaan door mr. Pieper voornoemd als zodanig

te benoemen met dien verstande dat deze rechtsgeldig bestuurder is geworden;

III. met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van deze procedure in beide

instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] verweer gevoerd en hebben zij een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest [appellant] in zijn vorderingen inclusief de wijzigingen daarvan niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van [appellant] zal afwijzen als rechtens ongegrond, zo nodig met verbetering van de gronden, en met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

2.4 Bij dezelfde memorie hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] incidenteel hoger beroep ingesteld van het vonnis van 18 mei 2011. Zij hebben gevorderd dat het hof dat vonnis

zal vernietigen, voor zover daarbij de kosten van de procedure tussen partijen zijn gecompenseerd, en, opnieuw rechtdoende, [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant] verweer gevoerd en vijf nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de vordering in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal afwijzen.

2.6 Ter zitting van 8 mei 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J.A.M.P. Keijser, advocaat te Nijmegen, en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] door mr. R. Vleugel, advocaat te Utrecht. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Keijser voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 19 april 2012 aan

mr. Vleugel voornoemd en het hof vier nieuwe producties gezonden.

2.7 In punt 6 van de van de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in het geding gebrachte pleitnotitie heeft mr. Vleugel naar voren gebracht dat de vijf hiervoor in rechtsoverweging 2.5 vermelde door [appellant] bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep in het geding gebrachte producties buiten beschouwing dienen te worden gelaten, aangezien hij daarop niet heeft kunnen reageren. Het hof is, rekening houdend met de aard en omvang van die producties en het tijdstip waarop deze zijn overgelegd (10 weken voorafgaand aan het pleidooi), van oordeel dat mr. Vleugel in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die producties en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Dat mr. Vleugel die mogelijkheid voldoende heeft gehad, leidt het hof ook af uit het feit dat hij zich op de zitting inhoudelijk tegen die producties heeft verweerd. Het hof verleent daarom aan mr. Keijser akte van het in het geding brengen van die producties.

2.8 Ten aanzien van de vier in rechtsoverweging 2.6 vermelde producties, die mr. Keijser bij brief van 19 april 2012 in het geding heeft gebracht, heeft mr. Vleugel ter zitting verklaard dat hij die brief met die producties heeft ontvangen en dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Het hof verleent daarom aan mr. Keijser akte voor het in het geding brengen van de brief van 19 april 2012 met de vier producties.

2.9 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

In het principaal hoger beroep

3.1 [appellant] heeft in het principaal hoger beroep de volgende grieven aangevoerd.

Grief 1

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontslag van [appellant] geldig tot stand is gekomen.

Grief 2

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet op 1 september 2009 is geëindigd.

Grief 3

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat het ontslagbesluit niet in strijd was met de jegens [appellant] in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid.

In het incidenteel hoger beroep

3.2 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben in het incidenteel hoger beroep de volgende grief aangevoerd.

Grief

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd worden.

4. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen

2.1 tot en met 2.6 van voormelde beschikking van de rechtbank Arnhem van 20 december 2010.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

In het principaal hoger beroep

5.1 In deze zaken gaat het – kort weergegeven – om het volgende. Op 10 april 2001 heeft [X] (hierna: “[X]”) de stichting opgericht. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van 7 juni 2010 luidt de statutaire doelomschrijving van de stichting als volgt:

“Het sponsoren van doctorandi uit de derde wereld, die in Nederland een doctorsgraad willen behalen en daartoe de middelen missen, onder voorwaarde, dat zij nadien terugkeren naar het land van herkomst ten einde in eigen land hun kennis uit te dragen;

Het beheer, het onderhoud en de exploitatie van “La Tournesole, Cerçay, Ligueil, als studie- en rusthuis voor kortstondig gebruik door predikanten van het kerkgenootschap de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, gevestigd te Amsterdam.”.”

Op enig moment is [X] afgetreden als bestuurster van de stichting. [appellant] is toen tot bestuurder benoemd. Op 25 juli 2007 zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als respectievelijk ad interim penningmeester en ad interim secretaris tot het bestuur van de stichting toegetreden. In 2009 is onenigheid ontstaan tussen [appellant] enerzijds en

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds. Per 1 september 2009 zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], op verzoek van [appellant], als bestuurders van de stichting uit het handelsregister uitgeschreven. In een als productie 8 bij het inleidende verzoekschrift overgelegd document genaamd “Bestuursbesluit”, dat op 15 oktober 2009 te Zaltbommel door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is ondertekend, staat, voor zover hier van belang, vermeld: “Het Bestuur van de Stichting Fontane (de Stichting), rechtsgeldig bijeen ten kantore van mr. G.C.H. Vos te Zaltbommel,

overwegende dat de heer [appellant], in zijn hoedanigheid van Voorzitter van het Bestuur van de Stichting Fontane, sinds het aantreden van de twee andere bestuursleden, [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1], medio 2007, niets heeft bijgedragen aan het besturen van de Stichting c.q. het goed functioneren van de Stichting, in de geest van haar oprichtster mw. [X], en op cruciale wijze heeft gehinderd in het uitvoeren van de doelstelling(en) van de Stichting,

besluit met meerderheid van stemmen dat de heer [appellant], voornoemd, met onmiddelijke ingang, conform artikel 9 lid e van de Statuten van de Stichting, is ontslagen als bestuurslid, en derhalve als voorzitter, van de Stichting Fontane. (…).”

5.2 Partijen hebben door middel van een bij de rechtbank ingediend verzoek respectievelijk tegenverzoek de over en weer genomen beslissingen met betrekking tot het bestuurslidmaatschap van de wederpartij bestreden.

5.3 Bij beschikking van 20 januari 2011 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”) de procedure in de stand waarin deze zich bevindt gedeeltelijk naar de dagvaardingsprocedure verwezen.

5.4 Bij beschikking van 28 maart 2011 heeft de rechtbank afgewezen de verzoeken van [appellant] om:

1. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ontslag te verlenen met onmiddellijke ingang, dan wel met ingang

van een door de rechtbank te bepalen datum;

2. een onderzoek te doen instellen naar de gang van zaken binnen de stichting en daartoe

een deskundige aan te wijzen teneinde deze met het onderzoek te belasten;

3. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hangende het onderzoek als bestuurders te schorsen;

4. een tijdelijke bestuurder te benoemen met de opdracht het bestuur van de stichting

tijdelijk waar te nemen totdat definitief in de opvolging van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal

zijn voorzien;

5. in plaats van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] nieuwe bestuurders te benoemen, dan wel te bepalen

dat het [appellant] vrij staat zelf tot benoeming van nieuwe bestuurders over te gaan.

5.5 [appellant] is van voormelde beschikking van 28 maart 2011 in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van heden, gegeven onder de zaaknummers 200.083.982 en 200.089.668, heeft het hof op dit beroep beslist.

5.6 Bij het vonnis van 18 mei 2011 heeft de rechtbank:

in conventie

afgewezen de vorderingen van [appellant] om:

1. voor recht te verklaren dat het bestuurslidmaatschap van de stichting van [geïntimeerde sub 1] en

[geïntimeerde sub 2] per 1 september 2009 is geëindigd;

2. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te veroordelen om alles wat tot de stichting behoort in de meest

ruime zin van het woord aan [appellant] ter hand te stellen, de adresseringen

aan te passen en zich te onthouden van rechtshandelingen voor de stichting;

3. voor recht te verklaren dat het ontslagbesluit van [appellant] dat genomen zou zijn op

15 oktober 2009 niet rechtsgeldig, dan wel nietig is, dan wel dit besluit te vernietigen;

in reconventie

op vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]:

4. voor recht verklaard dat [appellant] op 15 oktober 2009 als bestuurder (voorzitter) van

de stichting is ontslagen;

5. [appellant] bevolen zich te onthouden van het verrichten van rechtshandelingen als

voorzitter van de stichting en alles wat tot de stichting behoort, af te dragen aan [geïntimeerde sub 1]

en [geïntimeerde sub 2];

6. [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en de stichting gezamenlijk een

dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling

voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;

7. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en

8. het meer of anders gevorderde afgewezen;

in conventie en reconventie

de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.7 In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering vermeerderd, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder II is vermeld. Ingevolge artikel 353 lid 1 Rv in verbinding met artikel 130 Rv is de (oorspronkelijk) eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te vermeerderen, tenzij niet aan de eisen van een goede procesorde is voldaan. Anders dan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de van hun zijde in hoger beroep overgelegde pleitnotitie ten aanzien van sub b en d van de vermeerderde vordering stellen, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval geen strijd bestaat met de eisen van de goede procesorde.

[appellant] heeft zijn vermeerderde vordering in overeenstemming met de in de jurisprudentie ontwikkelde twee-conclusie-regel bij memorie van grieven naar voren gebracht. Zowel de oorspronkelijke vordering, als de vordering, zoals deze luidt na vermeerdering van eis, heeft de strekking een voorziening voor de binnen de stichting ontstane bestuurscrisis te treffen, zodat voldoende samenhang bestaat. Bij memorie van antwoord en bij het pleidooi zijn [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de gelegenheid geweest zich tegen de vermeerderde vordering te verweren, van welke gelegenheid zij ook gebruik hebben gemaakt. Het hof ziet daarom geen aanleiding om [appellant] te volgen in zijn stelling dat de vermeerderde vordering op formele gronden moet worden afgewezen en zal op die vermeerderde vordering beslissen.

5.8 [appellant] heeft tegen het bestreden vonnis de hiervoor in rechtsoverweging 3.1 vermelde grieven gericht. Het hof zal die grieven afzonderlijk behandelen. Daarbij ziet het hof aanleiding de tweede grief van [appellant] ter zake van het eindigen van het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te behandelen alvorens de eerste en de derde grief ter zake van het ontslag van [appellant] te beoordelen. Na beoordeling van de grieven in het principaal hoger beroep zal het hof de in het incidenteel hoger beroep door

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aangevoerde grief beoordelen.

Eindigen ad interim bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]

5.9 De tweede grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet op 1 september 2009 is geëindigd.

5.10 [appellant] stelt in de toelichting op de grief dat uit de stukken blijkt dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zelf in notulen en afspraken het einde van hun bestuurslidmaatschap hebben vastgelegd, zodat daarmee is voldaan aan de in artikel 9 aanhef sub d van de statuten neergelegde eis van schriftelijke ontslagneming. Voor het geval het hof anders zou oordelen, vordert [appellant] nakoming van de uit de stukken blijkende afspraak tussen [appellant] en de stichting enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uiterlijk per 1 september 2009 als bestuurder zouden aftreden, dan wel een verklaring voor recht dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op grond van de statutaire bepalingen inzake het rooster van aftreden, alsmede de termijn van drie jaar, per 31 december 2009, dan wel per 31 december 2010, althans per een andere door het hof te bepalen datum, is geëindigd.

5.11 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] betwisten de stelling van [appellant]. Volgens hen verzetten de statuten zich tegen de lezing, zoals door [appellant] wordt voorgestaan. De door [appellant] genoemde notulen bevatten volgens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] noch een (impliciete) opzegging van het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], noch een concrete datum. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ontkennen met klem dat sprake is van een afspraak zoals door [appellant] is gesteld. Een rooster van aftreden is nimmer gemaakt, aldus [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2].

5.12 Het hof leidt uit het hiervoor in rechtsoverweging 5.10 vermelde standpunt van [appellant] af dat hij zich primair beroept op artikel 9 aanhef sub d van de statuten. Ingevolge dat artikel eindigt het bestuurslidmaatschap van een bestuurslid door schriftelijke ontslagneming (bedanken).

5.13 Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant] naar zeven stukken, waaruit de ontslagneming zou blijken, te weten:

- het door [geïntimeerde sub 2] opgestelde verslag van de bestuursvergadering van de stichting van

25 juli 2007 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding);

- het door [geïntimeerde sub 2] opgestelde verslag van de Fontane-dagen van de stichting van 22 en

23 oktober 2007 (productie 3 bij de inleidende dagvaarding);

- de door [geïntimeerde sub 2] geschreven brief van 3 januari 2008 aan [appellant] en [geïntimeerde sub 1]

(productie b bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep);

- de door [geïntimeerde sub 2] geschreven brief van 11 januari 2008 aan mevrouw [A] productie c bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep);

- het verslag van de bestuursvergadering van de stichting van 27 maart 2008 (productie a bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep);

- een schriftelijke weergave van het op 7 mei 2009 tussen [Y] (hierna: “[Y]”), [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevoerde gesprek en

- het door [geïntimeerde sub 1] opgestelde verslag van de bestuursvergadering van de stichting van

28 mei 2009 (productie 4 bij de inleidende dagvaarding).

Het hof zal het beroep aan de hand van deze stukken beoordelen.

5.14 Wat betreft het verslag van de bestuursvergadering van 25 juli 2007 verwijst [appellant] naar de volgende passage: “1. Opening. Vrz opent om 14.15 uur de vergadering en heet iedereeen van harte welkom en spreekt zijn vreugde uit over de spontane toezegging van de HH Penn.ai.[geïntimeerde sub 1] (kennelijk is bedoeld: [geïntimeerde sub 1]) en Secr.ai.[geïntimeerde sub 2] (kennelijk is bedoeld: [geïntimeerde sub 2]) om interim de functies van resp. penningmeester en secretaris op zich te nemen.”

Uit de passage volgt dat het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van de aanvang af een ad interim karakter heeft gehad. De ontslagneming, noch de datum daarvan, staat in het verslag vermeld.

5.15 In het verslag van De Fontane-dagen van 22 en 23 oktober 2007 staat, voor zover hier van belang vermeld:

“7. Toekomstverwachting;

7.1 Zittingsduur huidige bestuur van Fondation Fontane Stichting (rooster van aftreden):

7.1.1 Voorzitter, [appellant], is door mevrouw van Maarsseveen voor het leven

gevraagd en benoemd (…)

7.1.2 Penningmeester, [geïntimeerde sub 1], heeft bij zijn aantreden op 25 juli 2007 te

kennen gegeven ad interim te willen deelnemen aan het stichtingsbestuur. Het

bestuur streeft er naar medio 2008 aan de opvolging vaste invulling te geven;

7.1.3. Secretaris, [geïntimeerde sub 2], heeft bij zijn aantreden op 25 juli 2007 te

kennen gegeven ad interim te willen deelnemen aan het stichtingsbestuur. Het

bestuur streeft ernaar medio 2008 aan de opvolging vaste invulling te geven; (…).”

De terminologie “streven”, die in het verslag wordt gebezigd, duidt op een inspanningsverplichting van het bestuur om [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] medio 2008 te vervangen. Een ondubbelzinnige ontslagneming is daaruit niet af te leiden. De formulering sluit niet uit dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hun bestuurslidmaatschap na medio 2008 continueren.

5.16 Uit de brief van 3 januari 2008 citeert [appellant] de volgende passage: “(…) Samengevat: mijn leven moet ik noodgedwongen wat saaier gaan inrichten. Of zoals een oud gezegde luidt: “Als het niet meer gaat zoals het moet dan moet het maar zoals het gaat”. Wat betekent dit nu voor mijn relatie met Fontane? Met de beperkte energie waarover ik nog beschik zal ik mijn werk voor Fontane tot de jaarvergadering van 2008 zoveel als mogelijk afronden, inzichtelijke en overdraagbaar maken. Vanaf 1 juni 2008 beschouw ik mijzelf niet meer de secretaris-a.i. van stichting Fontane.(…)” en “(…) Wij hebben afgesproken dat e.e.a. inzichtelijk en overdraagbaar zal zijn als wij in juni 2008 onze rol beëindigen. Dat betekent dus ook een analyse van de risico’s die Hans (kennelijk is bedoeld: [appellant]) en Fontane eventueel bedreigen om er vervolgens adequate maatregelen tegen te treffen.(…).” Het antwoord op de vraag of deze passage als schriftelijke ontslagneming kan worden gekwalificeerd daargelaten, komt de in de brief genoemde datum van 1 juni 2008 niet overeen met de door [appellant] genoemde ontslagdatum van 1 september 2009. Gelet op de in de memorie van grieven op pagina 4 opgenomen stelling van [appellant] dat “het moment van aftreden enige malen is verschoven” zijn partijen het kennelijk erover eens dat zij op de in de brief genoemde ontslagdatum van 1 juni 2008 zijn teruggekomen.

5.17 Hetgeen in rechtsoverweging 5.16 is overwogen, geldt eveneens ter zake van de in de brief van 11 januari 2008 opgenomen zinsnede, waarnaar [appellant] verwijst, te weten: “(…) Wij hebben afgesproken dat e.e.a. inzichtelijk en overdraagbaar zal zijn als wij in juni 2008 onze rol beëindigen.(…)” Daarbij komt dat de brief niet aan het bestuur van de stichting, maar aan een derde is gericht, alsmede dat een taalkundige uitleg van die brief wijst op een voornemen om in juni af te treden (“als”) en niet op een schriftelijke ondubbelzinnige aankondiging om af te treden.

5.18 Ten aanzien van de door [appellant] aangehaalde zinsnede in het verslag van de bestuursvergadering van 27 maart 2008, te weten “(…) 7.2 Aftreden van de secretaris i.a. Deze besluit zijn a.i.-termijn te verlengen tot 1 november 2008. (…) ”, is het in rechtsoverweging 5.16 gegeven oordeel van toepassing, met dien verstande dat daar waar in die overweging “1 juni 2008” staat vermeld “1 november 2008” dient te worden gelezen.

5.19 In het gesprek dat op 7 mei 2009 tussen [Y], die sinds 18 november 2008 als onbezoldigd bestuursadviseur van de stichting optreedt, enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds heeft plaatsgevonden, lijkt wederom slechts te zijn gesproken over een streefdatum waarop het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zou eindigen. Dit volgt uit de als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegde en op 13 oktober 2009 notarieel gedeponeerde verklaring van [Y]. [Y] schrijft in die verklaring, voor zover hier van belang:

“(…) Op 7 mei was er een gesprek tussen [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en ik. (…) In dat gesprek bleek mij, dat er geen eind-datum was voorzien m.b.t. de ad-interium periode. Daarop heb ik aangegeven, dat zonder datum er onduidelijkheid is en de situatie kan “versloffen”. En een datum mijns inziens duidelijk maakt WAT er op de agenda moet komen en WANNEER om tot een definitieve situatie te komen. Dit zag ik als een bijdrage om met elkaar helderheid te hebben wat er gebeuren moet.

Dat werd erkend en is de streefdatum (onderstreping hof) van 1 september 2009 genoemd. M.b.t. de verdere uitwerking ervan heb ik geen bijdrage kunnen leveren, omdat ik onvoldoende kennis heb van de procedures. (…).”

5.20 Uit het bestuursverslag van 28 mei 2009 citeert [appellant] de volgende passage: “TM heeft positief gereageerd op de vraag om adviseur van de Stichting te worden omdat hij, naast HvdW als voorzitter, twee bestuursleden (a.i.) aantrof, die uiterst zorgvuldig bezig waren (zijn) om de Stichting ‘op poten’ te zetten. Van deze bestuursleden was dit hun antwoord op de hulpvraag van HvdW, toen die (begin 2007) door twee vorige bestuursleden van de ene dag op de andere in de steek was gelaten. Daarom zijn HHdV (kennelijk is bedoeld: [geïntimeerde sub 1]) en JuSc (kennelijk is bedoeld: [geïntimeerde sub 2]) als ‘a.i.’ aangetreden. En dus komt er aan die hoedanigheid een einde: uiterlijk per 01-09-2009.” Op basis waarvan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] per 1 september 2009 de hoedanigheid van bestuurslid verliezen, is in het verslag niet opgenomen. In het verslag staat noch vermeld dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voornemens zijn schriftelijk ontslag te nemen, noch dat en, zo ja, per wanneer dit ontslag is geëffectueerd. De term “a.i.”, oftewel ad interim, duidt slechts op een tijdelijke aard van het lidmaatschap. Daarin ligt niet per definitie besloten dat het lidmaatschap op 1 september 2009 eindigt.

5.21 Gelet op het voorgaande acht het hof de stelling van [appellant] dat ter zake van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is voldaan aan de in artikel 9 aanhef sub d van de statuten neergelegde eis van schriftelijke ontslagneming – deels tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] – onvoldoende onderbouwd.

5.22 Ten aanzien van de in rechtsoverweging 5.10 vermelde subsidiaire vordering van [appellant] dat tussen hem en de stichting enerzijds en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] anderzijds is overeengekomen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uiterlijk per 1 september 2009 als bestuurder zouden aftreden, overweegt het hof dat uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.13 tot en met 5.21 is overwogen, volgt dat in de daar besproken stukken, die [appellant] eveneens aan de subsidiaire stelling ten grondslag heeft gelegd, geen definitieve einddatum voor het eindigen van het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] staat vermeld. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uiterlijk per 1 september 2009 zouden aftreden, hetgeen aldus onvoldoende is gestaafd, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende toegelicht op welke wijze het bestaan van die overeenkomst tot een beëindiging van het bestuurslidmaatschap van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft geleid. In artikel 9 van de statuten staan de mogelijkheden, waarop het bestuurslidmaatschap kan eindigen, limitatief opgesomd. De mogelijkheid om het bestuurslidmaatschap op basis van een tussen de bestuursleden gesloten overeenkomst voor bepaalde tijd te laten eindigen, is in dat artikel niet opgenomen. De gesloten overeenkomst moet daarom door middel van een in artikel 9 van de statuten vermelde handelswijze worden geëffectueerd. Dat in het onderhavige geval een zodanige effectuering heeft plaatsgevonden, is gesteld noch gebleken. Het hof passeert op die grond de subsidiaire stelling van [appellant].

5.23 De in rechtsoverweging 5.10 vermelde meer subsidiaire vordering van [appellant] is gebaseerd op artikel 9 aanhef sub a, alsmede artikel 4 lid 4 van de statuten. In artikel

9 aanhef sub a is bepaald dat het bestuurslidmaatschap van een bestuurslid eindigt in het jaar waarin het lid volgens het rooster van aftreden moet aftreden, op het ogenblik waarop zijn opvolger is benoemd, doch uiterlijk op 31 december van dat jaar. Ingevolge artikel 4 lid 4 van de statuten treden de leden van het bestuur af volgens een door het bestuur op te maken rooster met inachtneming van een zittingsduur van drie jaren, waarbij elk jaar een bestuurslid zal aftreden.

5.24 Het hof overweegt dat uit voornoemde artikelen volgt dat de meer subsidiaire stelling van [appellant], ook ten aanzien van de termijn van drie jaar, slechts toewijsbaar zou kunnen zijn, indien een rooster van aftreden is gemaakt. [appellant] heeft echter niet gesteld dat het rooster tot stand is gekomen. Integendeel, op pagina 2 van de memorie van grieven stelt hij dat van een schriftelijk rooster van aftreden geen sprake is. Met de eveneens op die pagina ingenomen stelling dat geïntimeerden het rooster van aftreden zo nodig over moeten leggen, neemt [appellant] kennelijk wel aan dat het rooster moet zijn gemaakt, maar waarop hij deze aanname baseert, is niet toegelicht. Het hof is daarom van oordeel dat [appellant] de meer subsidiaire stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

5.25 Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.9 tot en met 5.24 is overwogen, faalt de tweede grief van [appellant]. De hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder II sub a en b vermelde vordering van [appellant] is daarom niet toewijsbaar.

Ontslag van [appellant]

5.26 De eerste grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontslag van [appellant] geldig tot stand is gekomen.

5.27 [appellant] stelt in de toelichting op de grief dat het voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet mogelijk was om hem op grond van artikel 9 aanhef sub e van de statuten rechtsgeldig te ontslaan, omdat niet was voldaan aan de eisen van convocatie en agendering, alsmede omdat in strijd met artikel 5 lid 6 van de statuten niet alle bestuursleden bij het nemen van dat besluit aanwezig waren. De formulering van het op de agenda voor de bestuursvergadering van 15 oktober 2009 van de stichting vermelde punt “Het besluit om van HvdW als bestuurslid, en mitsdien als bestuursvoorzitter, afscheid te nemen” wijst eerder op een overlegvoering over het functioneren van de voorzitter, dan op een duidelijk voorgenomen besluit hem te ontslaan, aldus [appellant]. Tevens stelt hij dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] informeel een toelichting op het punt hebben gegeven inhoudende dat men beoogde om hem als erevoorzitter te handhaven, doch de verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden zelf op zich te nemen.

5.2 8 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] betwisten de stellingen van [appellant]. Volgens hen is het de vraag of [appellant] belang heeft bij zijn hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder I vermelde verklaring voor recht, nu als productie 1 bij de memorie van grieven een verklaring van [appellant] is overgelegd, waaruit naar voren komt dat hij zijn bestuurslidmaatschap heeft beëindigd en mr. Pieper als opvolger heeft aangewezen. Voorts stellen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dat het stadium van discussiëren over het functioneren van de voorzitter duidelijk voorbij was en dat het om die reden voldoende duidelijk was dat gesproken zou worden over het ontslag van [appellant]. [appellant] heeft door te menen dat hij de behandeling van het agendapunt niet behoefde af te wachten en zelf te vertrekken het vonnis over zichzelf uitgesproken, aldus [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2].

5.29 Naar het oordeel van het hof is uit de als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegde door [appellant] en mr. Pieper ondertekende verklaring van 25 oktober 2011 niet af te leiden dat [appellant] zijn bestuurslidmaatschap zonder enig voorbehoud zelf heeft beëindigd. In de verklaring is weliswaar vermeld dat [appellant] naar aanleiding van het bestreden vonnis, waarin voor recht is verklaard dat hij op 15 oktober 2009 als bestuurder van de stichting is ontslagen, gebruik wenst te maken van zijn in de statuten opgenomen bevoegdheid een opvolger te benoemen, maar daaraan is toegevoegd dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld. Het verweer van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dat [appellant] gelet op de inhoud van de verklaring geen belang meer heeft bij zijn aan de eerste grief verbonden vordering, treft aldus geen doel.

5.30 Ten aanzien van hetgeen [appellant] aan de eerste grief ten grondslag heeft gelegd, stelt het hof voorop dat ingevolge artikel 9 aanhef sub e van de statuten het bestuurslidmaatschap van een bestuurslid eindigt door ontslag hem verleend door de gezamenlijke overige bestuursleden.

5.31 Het ontslagbesluit van 15 oktober 2009 is, zo staat onweersproken vast, op de navolgende wijze tot stand gekomen. Uit het als productie 2 bij het in eerste aanleg ingediende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek overgelegde e-mailbericht van

3 oktober 2009 van [geïntimeerde sub 1] aan onder andere [appellant] blijkt dat [appellant] op die datum voor de bestuursvergadering van 15 oktober 2009 is opgeroepen. In het e-mailbericht staan de plaats en het tijdstip van de voorgenomen vergadering vermeld. Tevens is daarin een agenda voor de vergadering opgenomen. Op die agenda staat als punt 6 vermeld:

“6. De bestuurssituatie.

- Het functioneren van de voorzitter, HvdW.

- Het besluit om van HvdW als bestuurslid, en mitsdien als bestuursvoorzitter, afscheid te

nemen;

- Bespreking van de wijze waarop dit afscheid vorm krijgt;

- Bespreking opvolging Voorzittersfunctie.”

Op 15 oktober 2009 zijn [appellant], [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2], [Y] en notaris Vos op de bestuursvergadering verschenen. Tijdens die vergadering heeft [geïntimeerde sub 1] verklaard dat hij voornoemd agendapunt in een bestuursvergadering aan de orde wilde laten komen. In punt 1.25 van het inleidende verzoekschrift heeft [appellant] gesteld dat hijzelf, [Y] en Vos daarop de vergadering hebben verlaten, omdat zij daaraan geen medewerking hebben willen verlenen. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben na dit vertrek [appellant] als bestuurder van de stichting ontslagen. Dit besluit is neergelegd in het hiervoor in rechtsoverweging 5.1 vermelde document.

5.32 [appellant] stelt dat niet is voldaan aan de eisen van convocatie en agendering.

De vraag is hoe voormelde agenda onder punt 6, het tweede aandachtstreepje, dient te worden uitgelegd. Die vraag zal naar analogie van het in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde Haviltex-criterium niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van het agendapunt, maar ook aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het agendapunt is gesteld, gelezen in de context van de agenda als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg wel van groot belang.

5.33 Naar het oordeel van het hof duidt de formulering van het agendapunt, met name

het “afscheid nemen van”, anders dan [appellant] stelt, op een voornemen om het bestuurslidmaatschap van [appellant] definitief te beëindigen. De overige vermeldingen onder het agendapunt liggen in diezelfde lijn. Niet valt in te zien dat [appellant] ervan mocht uitgaan dat alleen over zijn functioneren als voorzitter zou worden gesproken. Ook indien de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voorafgaand van de vergadering tegenover hem hebben verklaard dat slechts werd beoogd diens verantwoordelijkheden als bestuurder over te nemen, doch diens status als “erevoorzitter” te handhaven juist is, hetgeen is betwist en aldus niet vaststaat, had [appellant] gelet op de formulering van de agendapunten, in samenhang bezien, redelijkerwijs moeten begrijpen dat een voorgenomen ontslag op de vergadering aan de orde zou komen. Van een situatie waarin [appellant] onverwacht met het ontslagvoornemen werd geconfronteerd, was geen sprake. Het hof is van oordeel dat daarmee is voldaan aan het in artikel 5 lid 3 van de statuten neergelegde vereiste dat de oproeping voor een bestuursvergadering “onder nauwkeurige opgave van de te behandelen punten” dient te geschieden.

5.34 Wat betreft de stelling van [appellant] dat in strijd met artikel 5 lid 6 van de statuten niet alle bestuursleden bij het nemen van het ontslagbesluit aanwezig waren, overweegt het hof het volgende.

5.35 Uit de tekst van artikel 5 lid 6 van de statuten is af te leiden dat voor het nemen van bestuursbesluiten niet, zoals [appellant] stelt, de in artikel 5 lid 6 van de statuten, maar de in artikel 6 van de statuten opgenomen voorschriften van toepassing zijn. Op grond van artikel 6 lid 1 van de statuten kan het bestuur ter vergadering geldige besluiten nemen, indien de meerderheid van de in functie zijnde bestuursleden ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd is. In artikel 6 lid 3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat alle bestuursbesluiten met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen worden genomen. Zoals [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben gesteld en [appellant] in punt 1.26 van het inleidende verzoekschrift, alsmede op pagina 4 van de memorie van grieven heeft erkend, hebben ter bestuursvergadering van 15 oktober 2009 twee ([geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]) van de in totaal drie bestuurders ([geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [appellant]) van de stichting voor het ontslag van [appellant] gestemd. Het hiervoor in rechtsoverweging 5.1 vermelde ontslagbesluit van 15 oktober 2009 is daarmee in overeenstemming met de statuten rechtsgeldig met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen genomen.

5.36 Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.26 tot en met 5.35 is overwogen, faalt de eerste grief van [appellant].

Ontslagbesluit 15 oktober 2009 in strijd met de redelijkheid en billijkheid

5.37 De derde grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontslagbesluit niet in strijd was met de jegens [appellant] in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid.

5.38 [appellant] stelt in de toelichting op de grief dat het ontslagbesluit is genomen in strijd met de jegens hem in acht te nemen redelijkheid en billijkheid, omdat:

- de statuten berusten op het onvoorwaardelijke vertrouwen dat [X], als

oprichtster van de stichting, in [appellant] had en heeft;

- [appellant] na het wijzen van het bestreden vonnis is gebleken dat [geïntimeerde sub 1] en

[geïntimeerde sub 2] de kosten van de door hen ingeschakelde advocaat van € 11.500,- (alsmede een

bedrag van € 1.050,- dat wellicht betrekking heeft op een vergoeding van kosten) ten

laste van het vermogen van de stichting hebben gebracht en aan zichzelf hebben doen

uitkeren.

5.39 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] betwisten de stellingen van [appellant]. Zij stellen dat het speelveld van de stichting wordt bepaald door de wet en de statuten en niet door mevrouw [X], dan wel haar bewindvoerder [appellant]. Nu [appellant] in geen enkele gerechtelijke procedure in het gelijk is gesteld, is het redelijk dat de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] daarvoor te maken kosten voor rekening van de stichting komen, aldus [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2].

5.40 Ingevolge 2:15 lid 1 aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Het hof begrijpt dat [appellant] zich met het in rechtsoverweging 5.38 opgenomen standpunt op dit artikel beroept. Ter zake van de argumenten, die hij aan dit beroep ten grondslag legt, overweegt het hof als volgt.

5.41 De stelling van [appellant] dat de statuten berusten op het door [X] in hem gestelde vertrouwen kan zijn standpunt dat het ontslagbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is niet dragen. Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.35 is overwogen, volgt immers dat het besluit in overeenstemming met die statuten is genomen. Een andersluidend beslissing valt bovendien niet te rijmen met het in hoger beroep onbestreden oordeel van de rechtbank dat de wet, noch de statuten de mogelijkheid kent een bestuurslid voor het leven te benoemen.

5.42 De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ter betaling van hun advocaat geld van de stichting hebben gebruikt kwalificeert, zo die juist is, het ontslagbesluit evenmin als in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. De beweerde handelwijze houdt verband met de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in het kader van de onderhavige procedure gemaakte kosten, zodat deze, zo al plaatsgevonden, moet dateren van een moment dat [appellant] op basis van het bestuursbesluit van 15 oktober 2009 reeds rechtsgeldig was ontslagen.

5.43 Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.37 tot en met 5.42 is overwogen, faalt ook de derde grief van [appellant].

5.44 De hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder I vermelde vordering van [appellant] is op grond van hetgeen ter zake van de drie grieven is overwogen niet toewijsbaar.

Décharge [appellant]

5.45 Het hof acht de hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder II sub c genoemde vordering van [appellant] om aan hem, op straffe van verbeurte van een dwangsom, ter zake van zijn functioneren als bestuurder/voorzitter van de stichting décharge te verlenen niet toewijsbaar. Omdat het verlenen van décharge binnen een stichting een interne aangelegenheid betreft, had [appellant] zich, overeenkomstig het betoog van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], met zijn déchargeverzoek tot het bestuur van de stichting moeten wenden alvorens dit verzoek in de vorm van een vordering aan het hof voor te leggen. Dat hij dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken.

Opvolging [appellant]

5.46 Ten aanzien van de hiervoor in rechtsoverweging 2.2 onder II sub d genoemde vordering van [appellant] om voor recht te verklaren dat [appellant] op rechtsgeldige wijze mr. Pieper tot zijn opvolger als bestuurder/voorzitter van de stichting heeft benoemd, overweegt het hof als volgt.

5.47 Ingevolge artikel 4 lid 3 van de statuten geeft het bestuur in geval van een vacature door het defungeren van een bestuurslid daarvan onverwijld bericht aan de tot voordracht bevoegde persoon. Indien deze persoon niet binnen drie maanden na ontvangt van dit bericht in de benoeming van een opvolger heeft voorzien, zijn de overige bestuursleden bevoegd tot de benoeming van het nieuwe bestuurslid.

5.48 Uit productie 3 bij het in eerste aanleg ingediende verweerschrift volgt dat het bestuur van de stichting overeenkomstig artikel 4 lid 3 van de statuten [appellant] bij brief van

19 november 2009 heeft verzocht om ter toetreding tot het stichtingsbestuur een opvolger voor te dragen. Op grond van het artikel had [appellant] vervolgens gedurende drie maanden, derhalve uiterlijk tot 19 februari 2010, gelegenheid voor die voordracht, waarna de overige bestuursleden tot de benoeming van het nieuwe bestuurslid bevoegd waren. Als onweersproken staat vast dat [appellant] van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

5.49 Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke, op de praktijk afgestemde uitleg van artikel 4 lid 3 van de statuten mee dat het recht van [appellant] om ter toetreding tot het stichtingsbestuur een opvolger voor te dragen op basis van voornoemde omstandigheden is komen te vervallen. In dit kader overweegt het hof het volgende.

5.50 De tekst van artikel 4 lid 3 van de statuten biedt geen steun voor de stelling van [appellant] dat zijn recht tot voordracht na ommekomst van de drie maanden termijn, naast het benoemingsrecht dat de overige bestuursleden hebben verkregen, is blijven bestaan zolang de overige bestuurders niet tot benoeming van een nieuwe bestuurder zijn overgegaan. Het volgen van de stelling van [appellant] zou bovendien ertoe leiden dat een voormalig bestuurslid van de stichting nog voor onbepaalde tijd invloed op de samenstelling van het stichtingsbestuur zou kunnen blijven uitoefenen. Bij gebrek aan enige toelichting is het hof van oordeel dat dit niet de bedoeling van het artikel lijkt te zijn. Het hof zal de vordering van [appellant] niet alsnog toewijzen.

5.51 [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

In het incidenteel hoger beroep

5.52 Nu [appellant] op alle voorliggende punten in het ongelijk is gesteld, ziet het hof, gelet op het bepaalde in artikel 237 lid 1 Rv geen aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren. De grief van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] slaagt.

6. Slotsom

In het principaal hoger beroep

6.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en met uitzondering van de proceskostenveroordeling, moet worden bekrachtigd. Het meer of anders gevorderde moet worden afgewezen.

6.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van dit beroep worden veroordeeld.

In het incidenteel hoger beroep

6.3 De grief slaagt, zodat het bestreden vonnis, voor zover dit de proceskostenveroordeling betreft, moet worden vernietigd.

7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 18 mei 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en behoudens voor zover daarbij de kosten van de procedure tussen partijen zijn gecompenseerd, vernietigt dit vonnis op dat punt en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] vastgesteld op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief 2) en op € 284,- voor griffierecht;

wijst het meer of anders gevorderde af.

in het incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 18 mei 2011, doch uitsluitend voor zover dit de proceskostenveroordeling betreft, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg aan de zijde van

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] worden begroot op € 2.034,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (4,5 punten x tarief 2) en € 526,- (2 x € 263,-) voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.P.M. van den Dungen, A.A. Rossum en H.M. Wattendorff

en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.