Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW7532

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
200.074.093/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg samenlevingsovereenkomst. Haviltex. Vergoeding investeringen in woningen, (verrekening) kosten der huishouding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Burgerlijk Wetboek Boek 7 901
Burgerlijk Wetboek Boek 7 902
Burgerlijk Wetboek Boek 7 903
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Burgerlijk Wetboek Boek 7 905
Burgerlijk Wetboek Boek 7 906
Burgerlijk Wetboek Boek 7 907
Burgerlijk Wetboek Boek 7 908
Burgerlijk Wetboek Boek 7 909
Burgerlijk Wetboek Boek 7 910
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 5 juni 2012

Zaaknummer 200.074.093/01

(zaaknummer rechtbank: 164905 / HA ZA 09-1745)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonp[woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. G. Raap, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.P. de Vries, kantoorhoudende te Almere.

De inhoud van het tussenarrest van 12 oktober 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

In voormeld tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast.

Vooruitlopend op de mondelinge behandeling hebben beide partijen bij akte producties in het geding gebracht.

Doordat partijen vervolgens van de comparitie hebben afgezien, is deze niet gehouden.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven;

- het incidenteel appel, tevens memorie van antwoord, voorzien van twee

producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] in principaal appel als volgt geconcludeerd:

“te beslissen overeenkomstig de vordering in de conclusie van antwoord, door het vonnis van de rechtbank Lelystad d.d. 16 juni 2010 te vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.”

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van een productie, verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

“Dat [appellant] aan [geïntimeerde] niet een bedrag van € 6817 (verhoogd met de wettelijke rente) dient te betalen maar een bedrag van € 10.000 (verhoogd met de wettelijke rente)

Dat [appellant] in zijn appel niet ontvankelijk wordt verklaard althans dat dit wordt afgewezen, met veroordeling in de proceskosten waaronder begrepen het salaris van de advocaat.”

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

“[geïntimeerde] in haar incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant], waaronder begrepen het salaris van de advocaat.”

Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel drie grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen.

De verdere beoordeling

De feiten

1. In dit hoger beroep zijn de volgende feiten niet in geschil.

1.1 [appellant] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad. Per 1 januari 2005 zijn zij samen in de aan [appellant] in eigendom toebehorende woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) gaan wonen.

1.2 Op kosten van [geïntimeerde] is een aantal veranderingen in/aan de woning aangebracht, onder meer bestaande uit een nieuwe vloer in de woonkamer en een opnieuw aangelegde tuin.

1.3 Op 19 september 2007 hebben [appellant] (als comparant sub 1) en [geïntimeerde] (als comparante sub 2) ten overstaan van mr. M.J. Prinsze, notaris te Almere, een samenlevingsovereenkomst gesloten.

1.4 De tekst van deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 3.

(…)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

(…)

Artikel 4.

1.Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.

(…)

3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

(…)

Gemeenschappelijk bewoonde woning

Artikel 6.

(…)

3. Indien partijen gezamenlijk wonen in een woning welke eigendom is van één van hen, heeft deze geen recht op vergoeding door de andere partij behoudens het in artikel 4 lid 3 bepaalde.

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij beëindiging van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen.

Deze vordering bedraagt thans TIENDUIZEND EURO (€ 10.000,00) ten gunste van de comparante sub 2 en ten laste van de comparant sub 1.

(…)

Artikel 7.

Deze overeenkomst eindigt:

a. door opzegging door één van de partijen op het tijdstip tegen welke de opzegging is gedaan. (…)

Artikel 9

(…)

6. Partijen zijn overeengekomen dat indien deze samenlevingsovereenkomst eindigt door een van de oorzaken in artikel 7 vermeld, de overwaarde van het aan de comparant sub 1 genoemd in eigendom toebehorende woonhuis te [woonplaats], [adres], hierna te noemen “het registergoed”, aan partijen elk voor de helft zal toekomen, alsof het registergoed gemeenschappelijk eigendom was waartoe iedere partij tot de helft gerechtigd was.

(…).”

1.5 Voorafgaand aan het opmaken van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen de mogelijkheid onderzocht om de woning gezamenlijk in eigendom te verkrijgen. Gelet op de daaraan verbonden kosten hebben zij daar evenwel van afgezien.

1.6 In een (aangetekende) brief van 7 november 2008 aan [appellant] is de samenlevings¬overeenkomst namens [geïntimeerde] opgezegd per 8 december 2008.

1.7 Bij brieven van haar advocaat van 8 december 2008 en 2 april 2009 heeft

[geïntimeerde] [appellant] gesommeerd (onder meer) een bedrag van € 10.000,- aan haar te betalen. [appellant] heeft aan die sommatie niet voldaan.

1.8 Bij het einde van de samenlevingsovereenkomst was er geen sprake van overwaarde van de woning.

De vordering in eerste aanleg en de beoordeling daarvan

2.1 [geïntimeerde] heeft op de grondslag van artikel 6 lid 4 van de samenlevings¬overeenkomst de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 10.000,- gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2009 (i.e. de datum van de inleidende dagvaarding) tot de dag van betaling en met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.2 Bij het bestreden vonnis van 16 juni 2010 heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 6.817,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 mei 2009 en onder compensatie van de proceskosten.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het de kennelijke bedoeling van partijen is geweest dat [geïntimeerde] haar in de woning van [appellant] geïnvesteerde bedrag terug zou ontvangen indien de affectieve relatie zou eindigen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het dan wel gaan om uitgaven waardoor de waarde van de woning toeneemt, en niet om uitgaven als incidentele beplanting van de tuin. Tegen die achtergrond bezien acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] in totaal € 6.817,- voor aanleg van de achtertuin en een parketvloer heeft geïnvesteerd, welk één en ander ook door [appellant] is behouden. Het door [appellant] gedane beroep op verrekening wordt afgewezen, onder de overweging dat de gegrondheid van [appellant]s verweer dat [geïntimeerde] niet op evenredige wijze heeft bijgedragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

Bespreking van de grieven

3.1 Alle grieven - zowel in principaal als in het incidenteel appel - stellen de vraag aan de orde of [geïntimeerde] op de grondslag van artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst aanspraak kan maken op betaling van € 10.000,- aan haar door [appellant] en betreffen - in het verlengde daarvan - de uitleg van die bepaling van de overeenkomst. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2 [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de laatste zinsnede van artikel 6 lid 4 toepassing mist, aangezien de daaraan verbonden voorwaarde, te weten: dat [geïntimeerde] mede-eigenaar van de woning is geworden, niet is vervuld. De tekst van de overeenkomst is duidelijk, aldus [appellant]: in geval van mede-eigendom wordt een eventuele scheefgroei in de investeringen in de woning rechtgetrokken, ingeval mede-eigendom uitblijft bestaat er aanspraak op de helft van de overwaarde.

3.3 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat partijen met artikel 6 onder 4 bedoeld hebben om haar investeringen in de woning, onder meer bestaande in het laten leggen van een nieuwe vloer en het opnieuw laten inrichten van de tuin, veilig te stellen. De wederzijdse aanspraken op een eventueel te realiseren overwaarde staan daar volgens haar los van. Het hof oordeelt als volgt.

3.4 De tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst dient te worden uitgelegd met inachtneming van het zogeheten Haviltexcriterium. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. De vraag hoe in een dergelijk schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dit geschrift als geheel in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer hebben, vaak wel van groot belang (HR 23 september 2006,

LJN AX 1571).

3.5 De verwijzing naar 'deze' vordering in de slotzin van artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst (hierna kortweg de slotzin te noemen) verwijst taalkundig naar de situatie dat een door partijen gezamenlijk te bewonen en/of te gebruiken woning in mede-eigendom wordt verkregen. Daarmee lijkt ook in die slotzin van mede-eigendom te worden uitgegaan. Deze zin heeft echter betrekking op een al bestaande vordering van € 10.000,-, zonder dat op dat moment van mede-eigendom sprake was. Daarmee is de taalkundige betekenis van de zin niet eenduidig. Bij de uitleg die er aan moet worden gegeven, kent het hof groot gewicht toe aan de zich bij de stukken bevindende brief van notaris Prinszen, ten overstaan van welke onpartijdige persoon de overeenkomst is aangegaan. Over de bedoeling die partijen met artikel 6 hebben gehad, schrijft hij:

“De in voormeld artikel opgenomen tekst met betrekking tot de € 10.000,-- is ongelukkig geredigeerd, maar de bedoeling van partijen staat mij bij als zijnde dat partij [geïntimeerde] een bedrag zou investeren in de door hen tezamen bewoonde woning en dat zij met de heer [appellant] overeenkwam dat zij bij verbreking van de samenleving dit bedrag van hem terug zou ontvangen.

Dit kan mijns inziens niet anders zijn nu het huis alleen op naam van de heer [appellant] staat. In dit geval is de heer [appellant] als enig eigenaar verrijkt door de investering van voormeld bedrag in de te zijnen name staande woning.”

3.6 Verder is van belang dat de redelijkheid van de door [appellant] verdedigde uitleg niet valt in te zien. De slotzin heeft immers betrekking op door [geïntimeerde] gedane investeringen in een huis dat niet haar, maar [appellant] in eigendom toebehoorde. Juist in een dergelijk geval ligt het in de rede dat [geïntimeerde] daarvoor een vergoeding ontvangt als [appellant] zijn woning vervreemdt of als partijen uiteen gaan.

3.7 Aan de formulering en betekenis van artikel 9 van de overeenkomst kan [appellant] geen argument ontlenen voor zijn lezing van de slotzin, omdat in dat artikel zijn eigendom wordt behandeld alsof het gemeenschappelijk is. In zoverre sluit het juist aan bij de lezing van [geïntimeerde], die erop neerkomt dat zij op basis van de slotzin van artikel 6 lid 4 recht heeft op vergoeding van kosten die zij uit eigen middelen heeft gedaan, ook als niet van gemeenschappelijk eigendom sprake is.

3.8 Uit niets blijkt dat moet worden aangenomen dat de regelingen van artikel 6 lid 4 en die van artikel 9 elkaar uitsluiten, in die zin dat partijen hebben bedoeld om [geïntimeerde] ófwel (bij uitblijven van mede-eigendom) aanspraak te geven op de helft van de overwaarde, ófwel (bij mede-eigendom) op terugbetaling van haar investeringen. Het tegendeel is eerder aannemelijk. Immers: ingeval van mede-eigendom komt een waardevermeerdering van de zaak in beginsel óók aan beide deelgenoten toe. Voorts moet worden bedacht dat waar de omvang van de investeringen zich in de regel redelijk precies laat bepalen, het al dan niet realiseren van overwaarde bepaald onzeker is (zoals in casu ook is gebleken). Het hof volgt [geïntimeerde] dan ook in haar standpunt dat het bepaalde in artikel 6 lid 4 op zichzelf staat, en los van artikel 9 moet worden bezien.

3.9 Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat partijen met de bewuste slotzin hebben bedoeld een vorderingsrecht voor [geïntimeerde] in het leven te roepen dat opeisbaar zal zijn bij verkoop van de woning of bij het uiteengaan van partijen.

3.10 Gelet op de keuze voor een concreet bedrag van € 10.000,- hebben partijen klaarblijkelijk elke discussie willen uitsluiten over de hoogte van de door

[geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst gedane investeringen. In zoverre heeft de bepaling het karakter van een vaststellingsovereenkomst. Dat brengt mee dat partijen aan de bepaling gebonden zijn op de wijze als voorzien in artikel 7:900 e.v. BW. Dit betekent onder meer dat tegenwerpingen die hun grondslag vinden in de rechtstoestand zoals die voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst bestond, of strijden met daarin gemaakte afspraken, niet voor honorering in aanmerking komen. [geïntimeerde] kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij van haar betalingen niet meer alle bewijsstukken bezit en dat haar investeringen de waarde van de woning niet of nauwelijks in opwaartse zin hebben beïnvloed.

3.11 Het voorgaande brengt mee dat grief I en II in principaal appel vergeefs zijn voorgesteld en dat de incidentele grief van [geïntimeerde] - die ertoe strekt dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag van € 10.000,- slaagt.

3.12 Met grief III komt [appellant] op tegen de afwijzing van zijn beroep op verrekening in verband met de door hem voldane bijdragen aan de kosten der huishouding.

Getuige zijn berekening gaat [appellant] er vanuit dat er geen andere kosten van de huishouding zijn geweest dan die welke hij voor zijn rekening nam (bestaande uit woonlasten, gemeentelijke belastingen, ziektekosten, telefoonkosten en dergelijke). [geïntimeerde] heeft van haar kant daar tegen aangevoerd dat zij haar volledige inkomen aan de dagelijkse gezamenlijke boodschappen en gezamenlijke vakanties besteedde. In de bankafschriften die zij ter onderbouwing van haar bestedingspatroon bij akte overlegging producties van 18 november 2010 in het geding heeft gebracht wordt dit beeld (grotendeels) bevestigd. De juistheid van deze stukken is door [appellant] niet bestreden bij memorie van grieven en evenmin is door hem met kracht van argumenten betoogd dat deze posten niet tot de kosten der huishouding moeten worden gerekend. Dat betekent dat het er voor moet worden gehouden dat de stelling van [appellant] dat er géén andere kosten van de huishouding zijn geweest dan die welke hij voor zijn rekening nam onjuist is, en voorts dat de gegrondheid van zijn bij wijze van verweer gedane beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze - zonder nadere bewijslevering - is vast te stellen (artikel 6:136 BW), zodat dit verweer faalt.

Dat betekent dat ook zijn derde grief niet slaagt.

3.13 De wettelijke rente is verschuldigd per 20 mei 2009, nu tegen de toewijzing daarvan vanaf 20 mei 2009 niet afzonderlijk is gegriefd.

De slotsom

4.1 De grieven in principaal appel missen doel, terwijl de grief in incidenteel appel slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd doch uitsluitend voor zover daarbij de vordering van [geïntimeerde] voor een bedrag van méér dan € 6.817,- is afgewezen en het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] toewijzen als hierna in het dictum vermeld. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd omdat geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen.

4.2 In het feit dat partijen gewezen levenspartners zijn en dit geschil de financiële afwikkeling van hun uiteengaan betreft ziet het hof aanleiding om ook in hoger beroep de proceskosten te compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 16 juni 2010 voor zover daarbij de vordering van [geïntimeerde] boven een bedrag van € 6.817,- is afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen € 3.183,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2009 tot de dag van betaling;

verklaart deze veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, R.A. van der Pol en A.M. Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 juni 2012 in bijzijn van de griffier.