Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW7248

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
11-00727
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Te late indiening beroep. Tijdstip terpostbezorging. Indiening vanuit Duitsland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1374
Belastingblad 2012/378
V-N 2012/40.19.5
FutD 2012-1482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00727

uitspraakdatum: 15 mei 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (BRD) (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 september 2011, nummer 11/718 WOZ,

in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Putten (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking ten name van X-Y op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q, per waardepeildatum 1 januari 2010, voor het jaar 2011, vastgesteld op € 360.000.

1.2 Op het bezwaarschrift van X-Y en van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is – als medebelanghebbende – tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. De Ambtenaar is, hoewel daartoe door het Hof uitgenodigd, zonder kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8 Belanghebbende heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting het Hof een brief met dagtekening 17 april 2012, ontvangen ter griffie van het Hof op 18 april 2012, toegezonden, waarin hij – in aanvulling op hetgeen hij reeds ter zitting heeft verklaard – stelt dat hij door de handelwijze van het Hof op het ‘verkeerde been is gezet’. Het Hof slaat op dit stuk, dat geen aanleiding vormt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen, geen acht.

2. De vaststaande feiten

2.1 De uitspraak op bezwaar van de Ambtenaar is gedagtekend op 5 april 2011.

2.2 De dagtekening van het bij de Rechtbank ingediende beroepschrift is 14 mei 2011. Het poststempel op de enveloppe waarin belanghebbendes beroepschrift is verzonden, vermeldt “Z, 21-05-11”.

2.3 Het beroepschrift van belanghebbende is op 24 mei 2011 ontvangen ter griffie van de Rechtbank.

2.4 De Rechtbank heeft het beroepschrift wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Rechtbank terecht het beroep van belanghebbende niet- ontvankelijk heeft verklaard.

3.2 Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij het beroepschrift tijdig – dat wil zeggen op 16 mei 2011 – in de brievenbus heeft gedeponeerd en dat het mogelijk aan de Duitse postdienst te wijten is dat het poststuk een aantal dagen in de brievenbus is achtergebleven. Voorts stelt belanghebbende dat hij, in de periode dat de Ambtenaar uitspraak op bezwaar deed, op vakantie was en de beroepstermijn bij terugkomst bijna was verstreken. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de Rechtbank hem op het ‘verkeerde been’ heeft gezet door hem uit te nodigen voor de mondelinge behandeling van de zaak, daarmee de indruk wekkend dat de zaak inhoudelijk behandeld zou worden.

3.3 De Ambtenaar conformeert zich aan de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

3.6 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 In zoverre belanghebbende erover klaagt dat hij in zijn procesbelang (verdedigingsbelang) is geschaad doordat zowel in de procedure bij de Rechtbank als in de procedure in hoger beroep niet is aangekondigd dat ter zitting de zaak niet inhoudelijk zou worden besproken doch slechts de kwestie van de ontvankelijkheid van het beroep, kan die klacht hem niet baten. In de op 5 augustus 2011 gedagtekende uitnodiging voor de zitting bij de Rechtbank is belanghebbende immers nadrukkelijk erop gewezen dat tijdens de zitting uitsluitend de ontvankelijkheid zou worden behandeld en het hoger beroep dat door belanghebbende is ingesteld heeft nu juist betrekking op de vraag of de Rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het Hof vermag dan ook niet in te zien dat belanghebbende door de Rechtbank en/of het Hof ‘op het verkeerde been is gezet’.

4.2 Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. In aanmerking genomen dat de uitspraak op bezwaar op 5 april is gedagtekend (en verzending op die dag heeft plaatsgevonden), is de beroepstermijn te dezen aangevangen op 6 april 2011 (artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De wettelijke termijn van zes weken is derhalve op (dinsdag) 17 mei 2011 geëindigd. Dat belanghebbende in verband met afwezigheid wegens vakantie pas later kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar, betekent niet dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift niet is aangevangen (vergelijk Hoge Raad 3 februari 1999, nr. 34 282, LJN: AA2635, BNB 1999/112).

4.3 Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb). Het beroepschrift van belanghebbende is, nu het op 24 mei 2011 door de Rechtbank is ontvangen, niet voor het einde van de zeswekentermijn ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift echter eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn – in het onderhavige geval uiterlijk 24 mei 2011 – is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb). Het op zaterdag 14 mei 2011 gedagtekende beroepschrift is op 24 mei 2011, derhalve binnen een week na het einde van de termijn, ontvangen door de Rechtbank. De vraag is evenwel of belanghebbende het beroepschrift voor het einde van de termijn (17 mei 2011) ter post heeft bezorgd.

4.4 Op de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden is een poststempel van het postvervoerbedrijf geplaatst met als datum 21 mei 2011. Gelet op deze duidelijk leesbare poststempel moet als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op de dag waarop het postvervoerbedrijf het betreffende poststuk heeft afgestempeld, derhalve 21 mei 2011. Belanghebbende heeft gesteld dat hij het beroepschrift op maandag 16 mei 2011 ter post heeft bezorgd. De bewijslast dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf, rust te dezen op belanghebbende. Belanghebbende heeft evenwel geen bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij het poststuk op maandag 16 mei 2011 ter post heeft bezorgd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het beroepschrift eerst op 21 mei 2011 ter post is bezorgd en daarmee buiten de beroepstermijn per post is verzonden (vergelijk Hoge Raad 28 januari 2011, nr. 10/02285, LJN: BP2138, BNB 2011/132). Alsdan kan het beroepschrift niet op de voet van artikel 6:9, tweede lid, Awb als tijdig ingediend worden aangemerkt.

4.5 Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.6 Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, is door de wetgever onderkend dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onvoldoende kan zijn voor verzending vanuit het buitenland, in het onderhavige geval Bondsrepubliek Duitsland. Onder omstandigheden kan een vertraagde verzending vanuit het buitenland tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding leiden. Daarvoor is echter wel vereist dat de indiener van het beroepschrift, het beroepschrift heeft verzonden op een tijdstip dat en met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb wordt overschreden.

4.7 Belanghebbende heeft het beroepschrift evenwel buiten de beroepstermijn per post verzonden. In dit geval vier dagen na het einde van de termijn en drie dagen voor het einde van de termijn als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Hiermee heeft belanghebbende niet al datgene gedaan wat van hem te dezen redelijkerwijs verwacht mocht worden, zodat niet gezegd kan worden dat belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.

4.8 Dat belanghebbende tijdens zijn vakantie geen maatregelen heeft getroffen met betrekking tot het in ontvangst nemen van de stukken is een omstandigheid die voor zijn risico komt en kan evenmin leiden tot verschoonbaarheid van het verzuim als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb (vergelijk Hoge Raad 3 februari 1999, nr. 34 282, LJN: AA2635, BNB 1999/112).

4.9 Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 15 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 mei 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.