Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW7209

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
TBS P12/0138
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Het hof acht – in het bijzonder gelet op de rapportages van de gedragsdeskundigen – voortzetting van de terbeschikkingstelling niet langer geïndiceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS [nummer]

Beslissing d.d. 29 mei 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [plaats] op [datum],

in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wonende te [plaats] op [adres], onder verantwoordelijkheid van Reclassering Nederland.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het op 15 december 2011 op grond van artikel 509o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van Reclassering [vestiging], strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar;

- het op 18 december 2011 op grond van artikel 509o, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [A[, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, strekkende tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling;

- het op 20 december 2011 op grond van artikel 509o, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [B], psychiater en vast gerechtelijk deskundige, strekkende tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling;

- het op 12 januari 2012 op grond van artikel 509o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies van [C], psychiater, strekkende tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van het openbaar ministerie van 5 maart 2012;

- de memorie van appel van de officier van justitie van 16 april 2012;

- de aanvullende informatie van Reclassering [vestiging] van 10 mei 2012.

Het hof heeft ter zitting van 14 mei 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde bijgestaan door zijn raadsman mr J.A.W. Knoester, advocaat te ’s-Gravenhage, de deskundige [D] en de advocaat-generaal, mr G.J. de Haas.

Overwegingen:

Het advies van de reclassering

Uit het verlengingsadvies van Reclassering [vestiging] van 15 december 2011 komt naar voren dat de terbeschikkinggestelde een zeer verslavingsgevoelige man met een antisociale persoonlijkheidsstoornis is. Hij kent een langdurige TBS-geschiedenis die in de beginfase vooral wordt gekenmerkt door vele ontvluchtingen. Er is sprake van het stuklopen van de behandeling in zes verschillende klinieken. Stress in de breedste zin van het woord wordt door de rapporteurs [E] en [F] in 2010 als een van de voornaamste risicofactoren genoemd, naast harddruggebruik. Binnen het toezicht worden deze risicofactoren geleidelijk aan duidelijk. Volgens het advies loopt de terbeschikkinggestelde logischerwijs na ruim twintig jaren in de TBS tegen stress aan, maar hij laat zich hierin slecht tot niet sturen. Hierdoor lopen de frustraties en stress op, met enkele incidenten tot gevolg. In zijn algemeenheid echter kan over het verloop van het toezicht gemeld worden dat de terbeschikkinggestelde formeel gezien zijn afspraken nakomt, maar dat er weinig diepgang in de gesprekken zit. Hierdoor is hij weinig tot niet peilbaar en krijgt de reclassering niet helder wat nu de daadwerkelijke toedracht is van de diverse incidenten en wat de terbeschikkinggestelde bezighoudt in het dagelijks leven.

Gedurende het toezicht zijn er signalen geweest en hebben er incidenten plaatsgevonden die, volgens de reclassering, duiden op een oplopend recidiverisico. Mede doordat de terbeschikkinggestelde weinig tot geen reguliere vrijheden binnen zijn TBS heeft gehad, acht de reclassering het noodzakelijk om zijn resocialisatie langer te volgen om te bezien of hij zich ook met minder bemoeienis staande kan houden binnen de maatschappij. Geadviseerd wordt de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van een jaar.

Uit de aanvullende informatie van 10 mei 2012 volgt dat het advies van de reclassering ongewijzigd is gebleven.

Ter zitting van het hof heeft de deskundige [D] de adviezen van de reclassering bevestigd en waar nodig verduidelijkt en aangevuld. Daarbij heeft zij verklaard dat de kans op een nieuw delict soortgelijk aan het indexdelict als laag wordt ingeschat. De reclassering acht verlenging van de terbeschikkingstelling echter noodzakelijk opdat kan worden ingegrepen indien incidenten zich opnieuw voor zullen doen. De reclassering zal gedurende die periode niet actief maar passief begeleiden, in die zin dat de terbeschikkinggestelde zich tot de reclassering kan wenden als hij daaraan behoefte zou hebben.

De adviezen van de gedragsdeskundigen

Uit de rapportage van [B] volgt dat er bij de terbeschikkinggestelde diagnostisch primair sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Tevens is er sprake van psychopathie. Tenslotte kan er gesproken worden van cannabismisbruik in het heden (gecontroleerd en toegestaan gebruik van cannabis) en misbruik van amfetamines en cocaïne in volledige remissie onder toezicht. Expliciet wordt vermeld dat de ernst van de antisociale persoonlijkheidsstoornis aanzienlijk is verminderd en dat de terbeschikkinggestelde niet meer voldoet aan de volledige criteria van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De kans op een nieuw delict gelijkend op het indexdelict schat de deskundige bij een beëindiging van de maatregel als laag in.

De deskundige adviseert de terbeschikkingstelling te beëindigen. Ten eerste is er geen meerwaarde van de maatregel te verwachten en ten tweede bestaat de kans op toenemende escalatie in de huidige begeleiding door de reclassering.

Uit de rapportage van [A] volgt dat – anders dan de reclassering – in de mogelijke incidenten die hebben plaatsgevonden geen enkele aanwijzing wordt gezien dat er sprake zou zijn van risico op gewelddadig gedrag en zeker niet in de mate waarvan sprake was bij het indexdelict. Gesteld wordt dat het IQ van de terbeschikkinggestelde op hoog niveau ligt. Dit punt acht de rapporteur niet onbelangrijk omdat de terbeschikkinggestelde vanwege zijn hoge intelligentie snel denkt, snel reageert en verbaal gemakkelijk de strijd met anderen kan aangaan en winnen. Dit maakt hem, in combinatie met zijn antisociale attitude en onbehouwen wijze van uitdrukken, tot een zeer waarschijnlijk voor velen bedreigende gesprekspartner. Volgens de deskundige ligt het delictgevaar voor de korte termijn op laag niveau, terwijl voor de langere termijn het delictgevaar vooral zal afhangen van het handhaven van zijn huidige stabiliteit en abstinentie van cocaïne.

Verdere begeleiding en toezicht zouden kunnen leiden tot onnodige confrontaties en zodoende tot een contraproductieve samenwerking met de terbeschikkinggestelde. Vanuit oogpunt van risicomanagement is voortzetting van begeleiding vanuit een verplicht kader niet meer nodig. De deskundige adviseert de maatregel te beëindigen.

In zijn rapport adviseert [C] eveneens de maatregel te beëindigen, omdat de samenwerking met de reclassering stroef verloopt en de terbeschikkinggestelde niets meer zal leren van aanvullende behandeling. De terbeschikkinggestelde ervaart de controles als belastend en is intelligent genoeg en heeft voldoende controle om thans niet dusdanig in de problemen te komen dat hij teruggeplaatst wordt in de kliniek. Verlenging geeft dus schijnzekerheid en is een belasting voor de terbeschikkinggestelde, aldus [C].

Het advies van het Openbaar Ministerie

Er hebben zich de afgelopen tijd een aantal incidenten voorgedaan. Gelet op de persoonlijkheid van de terbeschikkinggestelde zullen dergelijke incidenten blijven volgen. Er dient echter voor te worden gezorgd dat deze incidenten niet uitgroeien tot iets dat geen incident meer genoemd kan worden. Uit de informatie van de reclassering volgt dat vanwege de opstelling van de terbeschikkinggestelde onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. Dat is onwenselijk, temeer nu de terbeschikkinggestelde voorafgaand aan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, waartoe pas op 24 maart 2011 is beslist, nauwelijks regulier verlof heeft genoten. Bovendien is het recidivegevaar niet teruggebracht naar een voor het Openbaar Ministerie aanvaardbaar niveau. De terbeschikkingstelling dient daarom met een termijn van een jaar te worden verlengd.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Tijdens de vorige verlengingsprocedure heeft gedragsdeskundige [F] zich reeds uitgesproken voor een beëindiging van de maatregel. Destijds waren de meningen over een beëindiging van de terbeschikkingstelling echter verdeeld. Thans zijn de conclusies van de gedragsdeskundigen wel eensluidend: de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd. De terbeschikkinggestelde heeft een andere, aannemelijke, uitleg gegeven voor de door de reclassering gesignaleerde incidenten. Het recidivegevaar is van onvoldoende gewicht om een verlenging van de terbeschikkingstelling te rechtvaardigen zodat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

De beslissing van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank om technische redenen vernietigen.

De primaire doelstelling van de maatregel van de terbeschikkingstelling is de beveiliging van de samenleving. De maatregel wordt opgelegd aan personen die een ernstig delict hebben gepleegd en bij wie ten tijde van het begaan van dat delict een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond die (mede) van invloed is geweest op het plegen van het delict. Behandeling van die stoornis is noodzakelijk om het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 1990 is de terbeschikkinggestelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege ter zake van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten: medeplegen van doodslag en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ten tijde van het begaan van deze delicten was bij de terbeschikkinggestelde sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

De terbeschikkingstelling is ingegaan op 7 november 1991 en loopt thans meer dan twintig jaren. De termijn van een terbeschikkingstelling kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging eist.

Gelet op de hiervoor aangehaalde gedragsdeskundige rapportages zijn thans de aanwijzingen voor recidive in de toekomst van (met de indexdelicten vergelijkbare) delicten onvoldoende zwaarwegend om een verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen rechtvaardigen.

Het Openbaar Ministerie en de reclassering achten echter een verlenging van de maatregel aangewezen, zodat het toezicht en de controle op de terbeschikkinggestelde kan worden voortgezet en wordt voorkomen dat mogelijke toekomstige incidenten uitgroeien tot geweldsdelicten.

Het hof constateert dat de reclassering tot nu nauwelijks een rol heeft gehad bij de resocialisatie van de terbeschikkinggestelde en dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat zij zichzelf ook voor de komende tijd een rol toedicht welke slechts bestaat in het passief begeleiden van de terbeschikkinggestelde en het pas ingrijpen nadat zich een mogelijk incident heeft voorgedaan. Van een begeleidende en toezichthoudende rol is derhalve feitelijk geen sprake. Verder neemt het hof in aanmerking dat de gedragsdeskundigen geen meerwaarde zien in een verlenging van toezicht door de reclassering en dat zij juist menen dat de kans op toenemende escalatie in de huidige begeleiding door de reclassering aanwezig is.

Nu ook overigens zijdens de reclassering en het Openbaar Ministerie onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die de conclusies van de gedragsdeskundige rapportages weerspreken, acht het hof – in het bijzonder gelet op de hiervoor aangehaalde rapportages van de gedragsdeskundigen – voortzetting van de terbeschikkingstelling niet langer geïndiceerd en zal het hof de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2012 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam].

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Aldus gedaan door

mr J.A.W. Lensing als voorzitter,

mr E.A.K.G. Ruys en mr E. van der Herberg als raadsheren,

en dr. W. van Kordelaar en drs. T. van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 29 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.