Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW6651

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
200.091.306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; toelating tot schuldsaneringsregeling (WSNP)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.091.306

(zaaknummer rechtbank 207305 / FA RK 10-12744)

beschikking van de familiekamer van 12 april 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. J.G.H. Duivesteijn te Elst,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. A. van Oosten te Elst, gemeente Overbetuwe (onttrokken).

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 26 april 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juli 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van, naar het hof begrijpt, 26 april 2011 te wijzigen in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van nader te noemen [kind 1] en [kind 2] met ingang van 31 januari 2011 op nihil wordt gesteld.

2.2 De vrouw heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 21 februari 2012 plaatsgevonden. Namens de man is zijn advocaat verschenen. Namens de vrouw is niemand verschenen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1997, en

- [kind 2], op [geboortedatum] 1998,

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2 Bij beschikking van 17 januari 2005 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 28 september 2004 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] zal betalen € 250,- per kind per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3 Bij vaststellingsovereenkomst, door beide partijen ondertekend op 24 januari 2006, zijn partijen onder meer overeengekomen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen € 300,- per maand.

3.4 Bij beschikking van 26 september 2006 heeft de rechtbank de beschikking van 17 januari 2005 gewijzigd in die zin, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 24 januari 2006 nader wordt gesteld op € 150,- per kind per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen en het meer of anders verzochte afgewezen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2010 ingevolge de wettelijke indexering € 165,88 per kind per maand.

3.5 Bij beschikking van 13 januari 2010 heeft de rechtbank het verzoek van de man om de bij beschikking van 26 september 2006 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 7 december 2008 nader op nihil te stellen, afgewezen.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 25 oktober 2010, heeft de man verzocht te bepalen dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht, te weten vanaf 1 juni 2010, op nihil wordt gesteld dan wel verzocht een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

3.7 Bij vonnis van 31 januari 2011 heeft de rechtbank, sector civiel, de man toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.8 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 26 september 2006 gewijzigd in die zin, dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 31 januari 2011 nader wordt gesteld op € 46,- per kind per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen, de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draag en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.9 De man is alleenstaand. De man ontvangt een WWB-uitkering van € 873,71 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van, in 2011, € 549,32 per jaar.

3.10 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 239,03 aan totale huur (€ 461,45 aan huur, te verminderen met de huurtoeslag van € 222,42);

- € 0,- aan ziektekosten in 2010:

- € 94,75 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 62,-.

Ten aanzien van de vrouw

3.11 De vrouw vormt met de kinderen van partijen een gezin.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Omdat gebleken is dat de man op 31 januari 2011 is toegelaten tot de schuldsanering op de voet van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.2 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

4.3 De man voert met twee grieven aan dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De vrouw heeft in eerste aanleg hiertegen verweer gevoerd.

4.4 Bij uitspraak van 14 november 2008 (NJ 2009, 52) heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van omstandigheden op een lager bedrag of op nihil vast te stellen, de rechter in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt kunnen nemen (HR 25 januari 2002, NJ 2002, 314). In aanmerking genomen voorts dat degene op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard (hierna: de saniet) gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 Faillissementswet door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295 lid 3 Faillissementswet anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. Dit kan anders zijn, indien het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald. Indien in een procedure tot wijziging van alimentatie een verweer daartoe aanleiding geeft, dan wel de rechter informatie daaromtrent wenst, zal de saniet kenbaar moeten maken of de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag heeft bepaald en, zo niet, of hij deze daarom heeft verzocht. Is dit laatste niet het geval, dan kan de rechter de beslissing aanhouden teneinde de saniet in de gelegenheid te stellen alsnog dat verzoek te doen.

4.5 Niet gebleken is dat bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag rekening is gehouden met de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen of dat de man daartoe aan de rechter-commissaris een verzoek heeft gedaan.

4.6 Het hof acht zich daarom op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde eindbeslissing te kunnen geven en zal dan ook mede gelet op de onder 4.4 genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 2008 de behandeling van de zaak aanhouden en de man verzoeken:

- de rechter-commissaris alsnog te verzoeken om bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en het hof op de hoogte te brengen van de beslissing daarop van de rechter-commissaris;

- de beslissingen van de rechter-commissaris over het vrij te laten bedrag die genomen zijn sedert 31 januari 2011 aan het hof over te leggen, alsook aan te geven of de rechter-commissaris bij die beslissingen rekening heeft gehouden met de

alimentatieverplichting van de man (en, zo ja, in hoeverre).

5. De beslissing

Het hof, alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de man vóór 17 mei 2012 schriftelijk aan het hof, met kopie aan de vrouw, zal berichten over de uitkomst van de onder 4.6 omschreven verzoeken, waarna de vrouw tot uiterlijk 7 juni 2012 in de gelegenheid wordt gesteld op dat bericht te reageren;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, R.A. Dozy en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 12 april 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.