Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW6542

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
200.085.596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6:265, 7:355 BW

Verpachtster vordert ontbinding en ontruiming op grond van: (a) pachter heeft zonder toestemming van verpachtster de aan hem verpachte gronden gedeeltelijk beteeld met akkerbouwgewassen in plaats van met tuinbouwgewassen, (b) pachter is met zijn echtgenote een maatschap aangegaan zonder dat ten aanzien van de zeggenschap over de door hem gepachte gronden een voorbehoud is gemaakt; (c) pachter heeft in meerdere jaren een aanmerkelijk deel van het verpachte aan derden in onderpacht in gebruik gegeven en is daarmee eind 2009 doorgegaan ook nadat de rentmeester van verpachtster hem dit had verboden.

Hof wijst vordering af. Ad a: Van een overeengekomen bestemming die de teelt van akkerbouwgewassen niet toelaat, is geen sprake.

Ad b: Dat de door pachter gepachte gronden in de maatschap zijn ingebracht, aldus dat ook de zeggenschap over het gepachte bij de maten gezamenlijk is komen te liggen, volgt niet uit de tekst van de maatschapsakte en kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de met het gepachte behaalde bedrijfsresultaten als resultaten van de maatschap aan de fiscus zijn verantwoord. Die verantwoording is immers gerelateerd aan de resultaten van het gebruik van de landbouwgronden en niet aan de zeggenschap over die gronden.

Ad c: Het hof laat in het midden of sprake is van onderverpachting (conform het standpunt van verpachtster) of van deelteelt (conform het standpunt van pachter). Als sprake was van onderverpachting, rechtvaardigt in het gegeven geval (zie arrest) de tekortkoming de ontbinding niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2012/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.085.596

(zaaknummer rechtbank 327267)

arrest van de pachtkamer van 15 mei 2012

inzake

[appellante],

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. F.W. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 2 augustus 2011 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge bedoeld arrest heeft [geïntimeerde] bij brief van 23 augustus 2011 stukken in het geding gebracht en heeft deze kamer vervolgens op 30 januari 2012 met partijen gecompareerd. Het proces-verbaal van de comparitie behoort tot de gedingstukken. Bij gelegenheid van de comparitie heeft de advocaat van [appellante] zich bediend van schriftelijke aantekeningen.

1.3 Vervolgens hebben partijen het debat voortgezet bij akte respectievelijk antwoordakte.

1.4 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

2.2 Bij schriftelijke en door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst van 1 november 1985 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] in gebruik gegeven de percelen tuinland, kadastraal bekend [.....], respectievelijk groot 2.85.00 ha en 3.36.10 ha. In de aanhef van de pachtovereenkomst wordt gesproken van “los land”. Ter plaatse van de kadastrale gegevens is als “omschrijving” bij beide percelen vermeld: “tuinland’.

2.3 [geïntimeerde] heeft een tuinbouwbedrijf. Het bedrijf van [geïntimeerde] omvat behalve de verpachte grond een eigen¬doms¬perceel ter grootte van ongeveer drie hectare. [geïntimeerde] woont naast het bedrijf.

2.4 Sinds 1990 zijn de bedrijfsactiviteiten door [geïntimeerde] ingebracht in een maatschap met zijn echtgenote. Die inbreng is in de tekst van de maatschapsovereenkomst als volgt onder woorden gebracht:

“Ingebracht wordt door vennoot A:

* Het economisch eigendom van het onroerend goed, voorheen kadastraal bekend [.....], bestaande uit 0.95.00 ha bouwland en erf en schuur, voorheen kadastraal bekend [.....], groot ca. 00.07.50 ha.

* De eigendom van roerende goederen aan beide vennoten bekend.

* Overige zaken (teeltrechten, vorderingen, verplichtingen etc.) blijkend uit de balans.

(…)”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 In dit geding vordert [appellante] ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het aan [geïntimeerde] verpachte, met nevenvorderingen. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartegen richten zich de grieven. Het hof zal die grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

3.2 [appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] in de nakoming van de pachtovereenkomst is tekortgeschoten in de volgende opzichten (voor zover in hoger beroep gehandhaafd):

a. [geïntimeerde] heeft zonder toestemming van [appellante] de aan hem verpachte gronden gedeeltelijk beteeld met akkerbouwgewassen in plaats van met tuinbouwgewassen.

b. [geïntimeerde] is met zijn echtgenote een maatschap aangegaan zonder dat ten aanzien van de zeggenschap over de door hem gepachte gronden een voorbehoud is gemaakt.

c. [geïntimeerde] heeft in meerdere jaren een aanmerkelijk deel van het verpachte aan derden in onderpacht in gebruik gegeven. Hij is daarmee eind 2009 doorgegaan ook nadat de rentmeester van [appellante] hem dit had verboden.

3.3 Het onder 3.2 sub a aangeduide verwijt (strijd met bestemming) veronderstelt dat partijen bij de pachtovereenkomst aan het door [appellante] aan [geïntimeerde] verpachte de bestemming van tuinland hebben gegeven, in die zin dat het de pachter uitsluitend toegestaan is om de grond met tuinbouwgewassen te betelen en niet met akkerbouwgewassen. Naar volgt uit de memorie van antwoord onder 3 betwist [geïntimeerde] dat een zodanige bestemming is overeengekomen.

3.4 Het hof overweegt als volgt. Op grond van de enkele vermelding van “tuinland” als omschrijving van de aan hem verpachte gronden heeft [geïntimeerde] niet behoeven te begrijpen dat het de bedoeling van [appellante] was om met hem een gebruiksbestemming overeen te komen, die hem verbiedt om naast tuinbouwgewassen ook akkerbouwgewassen te verbouwen. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat de overige bepalingen van de pachtovereenkomst geheel algemeen zijn geformuleerd en ook zien op ander gebruik dan tuinbouw. Andere feiten of omstandigheden waaruit de juistheid zou kunnen volgen van de uitleg die [appellante] in dit geding aan de pachtovereenkomst geeft, zijn door [appellante] niet gesteld en volgen ook niet uit de gedingstukken. In zoverre falen dus de grieven.

3.5 Ten overvloede voegt het hof aan het voorgaande nog toe dat ook als tuinbouw als ge-bruiksbestemming zou zijn overeengekomen, het een vraag van uitleg is of die bestemming iedere teelt van akkerbouwgewassen uitsluit. Een zodanige uitleg zal niet spoedig voor de hand liggen, omdat – volgens hetgeen in de agrarische praktijk van algemene bekendheid is – vruchtwisseling met akkerbouwgewassen bevorderlijk is voor de kwaliteit van tuinbouw-grond. Uit de stukken, in het bijzonder uit de door [geïntimeerde] voorafgaand aan de comparitie van partijen overlegde opgaven gewaspercelen, volgt dat [geïntimeerde] inderdaad slechts bij wijze van vruchtwisseling akkerbouwgewassen teelt.

3.6 Met betrekking tot het onder 3.2 sub b bedoelde verwijt (de inbreng in een maatschap) overweegt het hof als volgt.

3.7 Dat de door [geïntimeerde] gepachte gronden in de maatschap zijn ingebracht, aldus dat ook de zeggenschap over het gepachte bij de maten gezamenlijk is komen te liggen, is door [geïntimeerde] betwist. Het volgt niet uit de tekst van de maatschapsakte. Anders dan [appellante] aanvoert, kan het ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de met het gepachte behaalde bedrijfsresultaten als resultaten van de maatschap aan de fiscus zijn verantwoord. Die verantwoording is immers gerelateerd aan de resultaten van het gebruik van de landbouwgronden en niet aan de zeggenschap over die gronden. Ook in zoverre falen dus de grieven.

3.8 Ten overvloede voegt het hof aan het voorgaande nog toe dat [geïntimeerde] een maatschap is aangegaan met alleen zijn echtgenote, zodat zich hier niet het geval voordoet dat de pachter binnen de maatschap door twee of meer andere vennoten kan worden overstemd. Ook daarom is van een tekortkoming geen sprake.

3.9 Met betrekking tot het onder 3.2 onder c bedoelde verwijt (onderpacht) overweegt het hof als volgt.

3.10 Bedoeld verwijt ziet op de teelt van bloemkool in 2008 (bijna drie hectare) en 2009 (tweeënhalf hectare), op de teelt van pioenrozen en de teelt van fritularia in 2009-2010. Volgens de stellingen van [geïntimeerde] was niet sprake van onderverpachting maar van deelteelt, in de zin dat hij zelf het oogstrisico droeg en ook zelf toezicht op de gewassen hield. Daarnaast heeft [geïntimeerde] zich erop beroepen dat voor zover van een tekortkoming sprake is geweest, die tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

3.11 [appellante] heeft bewijs aangeboden wat betreft de vraag of [geïntimeerde] inderdaad zelf het oogstrisico droeg en zelf toezicht op de gewassen hield. Het hof komt aan bewijslevering echter niet toe, omdat ook indien van onderverpachting sprake is geweest, die tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In dit verband zijn de navolgende feiten en omstandigheden voor het hof in het bijzonder bepalend:

1. De teelt van bloemkool had betrekking op perioden van ongeveer drie maanden en de teelt van fritularia op het winterseizoen (conclusie van antwoord onder 8, door [appellante] niet betwist). De reguliere exploitatie van de door [geïntimeerde] gepachte gronden is in zoverre door de onderverpachting of deelteelt niet of nauwelijks beïnvloed.

2. Weliswaar staat vast dat [geïntimeerde] eind 2009 wat betreft de teelt van fritularia door is gegaan ook nadat hij wist dat [appellante] bezwaar had, maar bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [geïntimeerde] toegelicht dat hij ten opzichte van zijn wederpartij zich reeds had verbonden en dat dit de reden was dat hij toen niet op zijn schreden is teruggekeerd. Ervan uitgaande dat van onderverpachting was, pleit deze omstandigheid hem niet vrij, maar maakt zij de gang van zaken wel min of meer begrijpelijk.

3. Tussen partijen staat vast dat [appellante] aan andere pachters toestemming heeft gegeven voor onderverpachting ten behoeve van vergelijkbare teelten. Uiteraard betekent dit niet dat [geïntimeerde], ervan uitgaande dat van onderverpachting sprake is geweest, geen toestemming behoefde. Wel kan eruit worden afgeleid dat [appellante] tegen de bedoelde teelten als zodanig geen overwegende bezwaren had.

4. Volgens [geïntimeerde] is thans van onderverpachting of deelteelt geen sprake meer; [appellante] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

5. Reeds door hun oppervlakte nemen de gepachte gronden een wezenlijke plaats in het tuinbouwbedrijf van [geïntimeerde] in, zodat ontbinding hem zwaar zou treffen.

De door [appellante] in dit verband aangevoerde feiten en omstandigheden, met name dat [geïntimeerde] ook een deel van zijn eigendomsgrond enige tijd aan een derde in gebruik zou hebben gegeven en dat hij een gedeelte van zijn eigendomsgrond aan zijn dochters heeft verkocht, kunnen aan een en ander niet wezenlijk afdoen. Voorts is niet overtuigend de suggestie van [appellante] dat uit de ingebruikgeving van de gronden aan derden volgt dat [geïntimeerde] weinig belang heeft bij behoud van de door hem gepachte gronden. [appellante] laat in dit verband immers ten onrechte buiten beschouwing dat het motief voor die ingebruikgeving vruchtwisseling kan zijn geweest.

3.12 Aan het voorgaande voegt het hof ten overvloede het volgende toe. [geïntimeerde] is er thans mee bekend dat [appellante] bezwaar heeft tegen onderverpachting. Die omstandigheid zal wezenlijk gewicht in de schaal leggen ingeval [geïntimeerde] in de toekomst (volgens zijn standpunt voor het eerst en volgens het standpunt van [appellante] opnieuw) zonder toestemming van [appellante] de door hem gepachte grond (gedeeltelijk) zou onderverpachten.

3.13 Uit hetgeen is overwogen, volgt dat de grieven in al hun onderdelen falen.

3.14 Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Hoorn van 7 maart 2011;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.235,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 284,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.G.W.M. Stienissen en D. van Emden en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2012.