Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW6513

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
200.099.429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft het verzoek verlenging van de machtiging toegewezen en daarbij verstaan dat van deze machtiging niet langer gebruik wordt gemaakt zodra het kind in Twente naar een school kan en bij de vader kan gaan wonen; deze "ontbindende voorwaarde" mist wettelijke grondslag (met verwijzing naar parlementaire geschiedenis)

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Burgerlijk Wetboek Boek 1 263
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29b
Wet op de jeugdzorg 29d
Wet op de jeugdzorg 29f
Wet op de jeugdzorg 29h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/99
Opleidingen Legal 2014/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.429

(zaaknummer rechtbank 121675 / JE RK 11-882)

beschikking van de familiekamer van 22 maart 2012

inzake

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de stichting",

en

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "de vader",

advocaat: mr. R. Kaya te Enschede.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt[Minderjarige][Minderjarige],

wonende te [Woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "[Minderjarige]",

advocaat: mr. T. Geerdink te Enschede,

en

[belanghebbende]

wonende te Woonplaats,

verder te noemen "de moeder",

advocaat: mr. J. Keupink.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 21 september 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 december 2011, is de stichting in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De stichting verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarin opgenomen bepaling "verstaat dat van die machtiging niet langer gebruik wordt gemaakt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij vader kan gaan wonen".

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 januari 2012, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de stichting bestreden. De vader verzoekt het hof het hoger beroep van de stichting ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof is op 6 februari 2012 binnengekomen een brief met bijlagen van mr. Kaya van 3 februari 2012.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 16 februari 2012 plaatsgevonden. Namens de stichting zijn verschenen Y. Booyman, praktijkleider, en E.Q. Hillebrand, gezinsvoogd. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. [Minderjarige] en de moeder zijn ter mondelinge behandeling vertegenwoordigd door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is met kennisgeving vooraf niemand verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 1997 [Minderjarige] geboren. De vader heeft [Minderjarige] erkend en is gezamenlijk met de moeder belast met het gezag over [Minderjarige].

3.2 Bij beschikking van 5 juli 2005 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo [Minderjarige] onder toezicht gesteld van de stichting. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 4 juli 2011 voor de duur van een jaar.

3.3 De stichting heeft op 1 juli 2011 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen "WJZ"). De stichting heeft op 5 juli 2011 verklaard dat zich hier een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft op 19 september 2011 verklaard in te stemmen met deze verklaring van de stichting.

3.4 Bij beschikking van 4 juli 2011 heeft de kinderrechter machtiging verleend om [Minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en doen verblijven voor de termijn van drie maanden, ingaande op 5 juli 2011.

3.5 Bij verzoekschrift, gedateerd 30 juni 2011, heeft de stichting verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [Minderjarige] in een voorziening voor gesloten jeugdzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 22 juni 2012 en daarbij verstaan dat van die machtiging niet langer gebruik wordt gemaakt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij de vader kan gaan wonen.

3.7 [Minderjarige] heeft tot november 2010 bij de moeder gewoond. Van november 2010 tot

8 april 2011 woonde [Minderjarige] bij de vader. Op 8 april 2011 is [Minderjarige] in een leefgroep bij Jarabee geplaatst. Van 1 juni 2011 tot 11 juni 2011 heeft [Minderjarige] ondergedoken gezeten.

Van 11 juni 2011 tot 22 augustus 2011 was [Minderjarige] geplaatst in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg Avenier in Wapenveld. Per 22 augustus 2011 is [Minderjarige] geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van de Otto Gerhard Heldring Stichting (hierna te noemen "OGH") te Zetten. Op 2 november 2011 heeft de stichting de plaatsing bij OGH beëindigd. Sindsdien verblijft [Minderjarige] bij de vader.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 29b lid 1 WJZ kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k WJZ, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 WJZ kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.2 Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ingevolge artikel 29b lid 4 WJZ kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

4.3 Ingevolge artikel 29f lid 1 WJZ hoort de kinderrechter alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging te beslissen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad, indien deze de verzoeker is.

4.4 Ingevolge artikel 29h lid 3 WJZ bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d lid 1 WJZ, kan de kinderrechter de duur verlengen met inachtneming van de eerste volzin.

4.5 De rechtbank heeft het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [Minderjarige] toegewezen en daarbij verstaan dat van deze machtiging niet langer gebruik wordt gemaakt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij de vader kan gaan wonen. De stichting kan zich met deze door de rechtbank aan de verlenging van de machtiging verbonden "ontbindende voorwaarde" niet verenigen. Zij voert aan dat het belangrijk is dat [Minderjarige] behandeld wordt. [Minderjarige] heeft ADHD, ODD, gezagsacceptatie- en hechtingsproblemen. De vader stelt zich bijzonder negatief op tegenover de stichting en [Minderjarige] onttrekt zich onder invloed van de vader aan behandeling. De kinderrechter heeft weliswaar de machtiging uithuisplaatsing verlengd, maar heeft uitvoering van die machtiging praktisch onmogelijk gemaakt door te bepalen dat [Minderjarige] weer naar huis mag als de vader voor hem een school in Twente gevonden heeft. De kinderrechter heeft daarmee ruimte voor de vader gecreëerd om behandeling van [Minderjarige] te frustreren.

4.6 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof – evenals de rechtbank – van oordeel dat, anders dan de vader aanvoert, de gronden voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg nog steeds aanwezig zijn. Bij beschikking van 4 juli 2011 heeft de kinderrechter geoordeeld dat bij [Minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [Minderjarige] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.7 De vader stelt dat het erg goed gaat sinds [Minderjarige] bij hem woont. Hij heeft een eigen woning en de ouders communiceren beter met elkaar. Hij heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij geen opvoedondersteuning wil en de aanpak van de hulpverleningsinstanties ten aanzien van behandeling van [Minderjarige] onjuist vindt. De vader weigert elk contact met de stichting. In plaats daarvan heeft hij zelf hulp gezocht bij Carint Thuiszorg en bij [A], onderwijsconsulent. De vader heeft veel vertrouwen in [A]. [A] is van mening dat een uithuisplaatsing niet in het belang van [Minderjarige] is.

4.8 Gelet op de uitgebreide problematiek acht het hof behandeling van [Minderjarige] noodzakelijk. Tijdens zijn verblijf bij OGH is de behandeling van [Minderjarige] gestart. Op 1 november 2011 heeft de vader [Minderjarige] uit OGH meegenomen voor een intakegesprek bij "[School]", school voor voortgezet speciaal onderwijs in [Plaats]. De vader heeft [Minderjarige] daarna – tegen de met de stichting en OGH gemaakte afspraken in – niet naar OGH teruggebracht. OGH heeft de behandeling van [Minderjarige] moeten staken en de stichting heeft de uithuisplaatsing van [Minderjarige] per 2 november 2011 beëindigd. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de situatie bij de vader eind januari 2012 is geëscaleerd, waarna [Minderjarige] bij de vader is weggelopen en naar de moeder is gegaan. Na twee weken heeft de moeder [Minderjarige] te kennen gegeven dat hij niet bij haar kon blijven en heeft [Minderjarige] bij Jarabee aangeklopt. Uiteindelijk is [Minderjarige] weer teruggegaan naar de vader. Voorts is gebleken dat [Minderjarige] ten tijde van de mondelinge behandeling vanwege zijn gedrag op "[School]" geschorst was.

Het hof is van oordeel dat het van belang is dat [Minderjarige] wordt behandeld door professionals op het gebied van ADHD, ODD, gezagsacceptatie- en/of hechtingsproblematiek. Nu de vader niet meewerkt aan behandeling van [Minderjarige] en de situatie voor [Minderjarige] bij de vader zeer onzeker en onveilig is gebleken, is het hof van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de ontwikkeling naar volwassenheid van [Minderjarige] ernstig zal worden belemmerd en dat hij zich zal onttrekken aan de zorg die hij nodig heeft of daaraan zal worden onttrokken door anderen.

4.9 De stichting stelt voorts dat de kinderrechter een verzoek tot (verlenging van) een machtiging uithuisplaatsing slechts kan toe- of afwijzen en niet bevoegd is ("ontbindende") voorwaarden aan verlenging te verbinden of de mogelijkheid tot beëindiging uithuisplaatsing bij een ander dan de stichting neer te leggen.

4.10 Ingevolge artikel 1: 263 lid 1 WJZ kan een uithuisplaatsing worden beëindigd door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f WJZ. Deze stichting doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan de raad. Het hof overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis (TK 1992/1993, 23 003, nr. 3) blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling heeft gehad de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van zowel de uithuisplaatsing als de ondertoezichtstelling weg te halen bij de rechter en op te dragen aan vorenbedoelde stichting. Ten aanzien van beide maatregelen van kinderbescherming verliest volgens de parlementaire geschiedenis de rechter zijn ambtshalve bevoegdheden. De maatregel van ondertoezichtstelling kan de rechter nog slechts verlengen of opheffen op een daartoe strekkend verzoek.

De rechter kan weliswaar de (verlenging van de) machtiging uithuisplaatsing voor een kortere duur geven dan waarvoor deze is verzocht. Daarbij lijkt het, gelet op artikel 1:262 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:263 lid 2 BW, niet geheel ondenkbaar dat onder omstandigheden het beëindigingstijdstip bepaald kan worden op het moment dat aan (een) bepaalde voorwaarde(n) zal zijn voldaan. In het onderhavige geval echter acht het hof bedoelde bepaling van de kinderrechter – hoezeer voor de gekozen praktische oplossing gelet op de toenmalige omstandigheden ook begrip valt op te brengen – te zeer interfererend met de rol die de wetgever aan de stichting als verantwoordelijke voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft toebedeeld.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de bepaling "verstaat dat van die machtiging niet langer gebruik gemaakt wordt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij vader kan gaan wonen" in de bestreden beschikking wettelijke grondslag mist.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald "verstaat dat van die machtiging niet langer gebruik gemaakt wordt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij vader kan gaan wonen" en voor het overige dient te bekrachtigen.

Ten overvloede overweegt het hof dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [Minderjarige] – welke door de rechtbank in beginsel is verlengd tot 4 juli 2011 – na beëindiging van de uithuisplaatsing door de stichting op 2 november 2011 is komen te vervallen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 21 september 2011, voor zover deze bepaald heeft "verstaat dat van die machtiging niet langer gebruik gemaakt wordt zodra [Minderjarige] in Twente naar een school kan en bij vader kan gaan wonen";

bekrachtigt deze beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, M.L. van der Bel en R. Krijger, bijgestaan door mr. F.C. Alink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2012.