Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW6173

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
21-05-2012
Zaaknummer
200.039.620/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht verrichten werkzaamheden (aan een auto)

Vraag - in verband met beroep op verjaring - of (deels) sprake is van consumentenkoop. Nee.

Prijsafspraak? Redelijke prijs verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 mei 2012

Zaaknummer 200.039.620/01

(zaaknummer rechtbank: 399882 CV EXPL 08-2658)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. M.B. Beerentsen, kantoorhoudende te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W. Schoo, kantoorhoudende te Groningen.

De verdere procedure in hoger beroep

In het tussenarrest van 1 september 2009 heeft het hof een comparitie na aanbrengen bevolen. De comparitie heeft niet plaatsgevonden, omdat appellant daarvan heeft afgezien.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij één productie is gevoegd, luidt:

"bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, al dan niet onder aanvulling van gronden, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank te Zwolle, sector Kanton van 17 maart 2009, gewezen in zaaknummer 399882 CV EXPL 08-2658, en opnieuw recht doende de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, zulks met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, nakosten daaronder begrepen."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het gerechtshof, zo nodig onder verbetering en aanvulling van gronden, het thans door appellant gevorderde ongegrond zal verklaren, althans appellant in het gevorderde niet ontvankelijk te verklaren, en zal bevestigen het vonnis dat op 17 maart 2009 onder zaak-rolnummer 399882 CV EXPL 08-2658 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Zwolle, tussen partijen is gewezen, het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties."

Voorts heeft [appellant] een akte genomen en vervolgens heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. In hoger beroep kunnen de volgende feiten als vaststaand worden aangemerkt.

[geïntimeerde] heeft in 2002 in opdracht en voor rekening van [appellant] werkzaamheden verricht aan diens Hummer. Het betrof een ingevoerd motorvoertuig dat moest worden omgebouwd om een Nederlands kenteken te kunnen verkrijgen. De werkzaamheden zijn in 2002 afgerond en het voertuig is goedgekeurd door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Op 13 juni 2002 is voor het voertuig een Nederlands kenteken afgegeven, met daarop de vermelding "voertuigsoort BEDRIJFSAUTO".

Bespreking van de grieven

2. Als meest verstrekkend zullen eerst de grieven II a en b worden besproken, nu deze beide betrekking hebben op de vraag of de vordering van [geïntimeerde] is verjaard.

2.1. Met grief IIa bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 BW en dat daarom de verjaringstermijn van twee jaar (artikel 7:28 BW) toepassing mist. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze grief een beroep gedaan op het bepaalde in het vierde lid van artikel 7:5 BW en stelt dat een gemengde overeenkomst eveneens onder de definitie van consumentenkoop is begrepen. Volgens [appellant] is hier sprake van een gemengde overeenkomst omdat hij kennis, arbeid en goederen van [geïntimeerde] heeft ingekocht. Het hof verwerpt dit standpunt van [appellant]. Uit de stellingen van partijen blijkt zonneklaar dat de overeenkomst betrekking had op het verrichten van werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is welke roerende zaken [appellant] in het kader van deze overeenkomst van [geïntimeerde] heeft gekocht en er is dan ook geen enkele grond om de regeling van consumentenkoop toe te passen, zelfs niet ten dele. De kantonrechter heeft dus terecht de overeenkomst gekwalificeerd als een overeenkomst van aanneming van werk, op welke overeenkomst de artikelen 7:750 e.v. BW van toepassing zijn. De verjaringstermijn voor vorderingen uit een zodanige overeenkomst is vijf jaar na opeisbaar worden van de vordering (artikel 3:307 BW).

2.2. In grief IIb stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte zijn beroep op verjaring heeft verworpen. [appellant] voert aan dat, ook indien geen sprake is van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW, de vordering van [geïntimeerde] is verjaard. Volgens [appellant] zou de verjaringstermijn zijn begonnen de dag na afronding van de werkzaamheden, zijnde 14 juni 2002. De vordering was dan ook, in de visie van [appellant], al verjaard toen [geïntimeerde] medio 2007 (overigens betwist door [appellant]) de factuur stuurde.

2.3. Het hof volgt [appellant] niet. Artikel 3:307 BW bepaalt, zoals hiervoor reeds opgemerkt, dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

2.4. Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de verjaringstermijn is begonnen op

14 juni 2002. [appellant] heeft tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg gesteld dat zijns inziens de verjaringstermijn is gaan lopen na afloop van het laatste telefoongesprek dat hij met [geïntimeerde] over deze zaak heeft gevoerd. Zijn stelling in appel dat de termijn op 14 juni 2002 is gaan lopen, heeft hij onvoldoende toegelicht. Uit niets blijkt op grond waarvan de vordering van [geïntimeerde] al op de dag na afronding van de werkzaamheden opeisbaar zou zijn.

3. Grief I valt uiteen in drie onderdelen. In onderdeel 1 betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangemerkt dat het ging om een Hummer A1. Volgens [appellant] ging het om een Hummer H1. In onderdeel 2 stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat het een personenauto was die moest worden omgebouwd naar een pick-up. Met onderdeel 3 bestrijdt [appellant] de vaststelling door de kantonrechter, dat het ging om het omzetten van een geel naar een grijs kenteken.

3.1. Aangezien [appellant] aan zijn stelling dat het om een Hummer H1 in plaats van om een Hummer A1 geen enkele consequentie heeft verbonden en niet heeft aangegeven om welke reden dit voor de beoordeling in hoger beroep van belang is, gaat het hof aan dit onderdeel van grief I voorbij.

3.2. Zoals blijkt uit rechtsoverweging 1 van het beroepen vonnis, heeft de kantonrechter niet vastgesteld dat het een personenauto was die moest worden omgebouwd naar een pick-up. De kantonrechter heeft immers als vaststaand in zijn vonnis vermeld: "(…) Het betrof een ingevoerd motorvoertuig dat van een zogeheten geel kenteken moest worden aangepast naar een grijs kenteken en dat vervolgens zodanig moest worden omgebouwd dat het als pick-up voor Nederland kon worden goedgekeurd door de RDW (…)"

Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat het motorvoertuig als pick-up is aangeboden aan [geïntimeerde]. Ook dit onderdeel van grief 1 kan dus niet slagen.

3.3. Het laatste onderdeel van grief I ("dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangemerkt dat het ging om het omzetten van een geel naar een grijs kenteken") ziet op de omvang van de door [appellant] aan [geïntimeerde] gegeven opdracht.

3.4. Vast staat dat [appellant] in eerste instantie aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om het voertuig geschikt te maken voor afgifte van een Nederlands kentekenbewijs. Tevens staat vast dat daartoe slechts een paar kleine aanpassingen nodig waren, zoals het plaatsen van extra koplampen en het verwijderen van de achterbank (zie conclusie van repliek en proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg).

3.5. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of, vervolgens, [appellant] opdracht heeft gegeven om zodanige wijzigingen aan het voertuig aan te brengen dat dit als 4-persoons pick-up met dubbele cabine, geschikt zou zijn voor afgifte van een grijs kenteken. [geïntimeerde] stelt dit en voert aan dat hij te dien einde de volgende werkzaamheden heeft verricht:

- verhoging van het dak van de cabine;

- verlenging van de laadbak;

- verplaatsing van het achterschot;

- verhoging van het tussenschot.

Ter onderbouwing hiervan heeft [geïntimeerde] bij conclusie van repliek in eerste aanleg een stuk overgelegd met het opschrift "BPM instructie". Volgens [geïntimeerde] wilde [appellant] een grijs kenteken vanwege de lagere belastingtarieven (BPM en wegenbelasting) voor een auto met grijs kenteken en omdat de auto met grijs kenteken bij verkoop meer waard zou zijn. Ook heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat [appellant] tijdens het uitvoeren van die werkzaamheden grotendeels aanwezig is geweest.

[appellant] stelt dat het slechts de bedoeling was dat het voertuig een Nederlands kenteken zou krijgen. Daarmee betwist [appellant] in feite de door [geïntimeerde] gestelde opdracht tot het verrichten van alle hiervoor genoemde extra werkzaamheden.

3.6. Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn verweer onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Hij heeft immers, zoals [geïntimeerde] terecht in zijn memorie van antwoord opmerkt, in zijn mondeling antwoord ten overstaan van de kantonrechter en de griffier uitdrukkelijk verklaard dat zijn opdracht aan [geïntimeerde] betrekking had op het ombouwen van een geel kenteken naar een grijs kenteken. Aan de enkele opmerking in zijn akte (genomen als reactie op de memorie van antwoord) dat het als conclusie van antwoord aangeduid stuk geen weergave is van het door hem aangevoerde omdat dit niet door hem is opgesteld maar door de griffier, gaat het hof voorbij. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] heeft geprotesteerd tegen de wijze waarop de griffier zijn verweer heeft vastgelegd.

Daarnaast staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat die extra werkzaamheden noodzakelijk waren om het voertuig, dat geschikt moest zijn voor het vervoer van vier personen, van een grijs kenteken te laten voorzien en heeft [appellant] ook niet betwist dat hij grotendeels aanwezig is geweest toen [geïntimeerde] die werkzaamheden verrichtte. Bovendien is ook daadwerkelijk een grijs kenteken afgegeven voor het voertuig. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] van mening is dat niet het juiste soort kentekenbewijs is afgegeven.

3.7. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [appellant] aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om het voertuig geschikt te maken voor afgifte van een grijs kenteken, hetgeen meebracht dat [geïntimeerde] de door hem gestelde (extra) werkzaamheden aan het voertuig moest verrichten. Het hof passeert in dit verband de stelling (bij akte in hoger beroep) van [appellant] dat [geïntimeerde] de cabine van het voertuig niet heeft verhoogd en heeft gespoten. [appellant] heeft deze stelling in het licht van dat wat [geïntimeerde] naar voren heeft gebracht, onvoldoende onderbouwd.

Het derde onderdeel van grief I slaagt evenmin.

4. Met grief IIIa verzet [appellant] zich tegen de verwerping door de kantonrechter van zijn verweer dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat de werkzaamheden aan het voertuig voor fl. 500,- zouden worden verricht. In zijn toelichting op grief IIIa verwijst [appellant] naar de conclusie van repliek waarin [geïntimeerde] zou hebben erkend met hem bedoelde prijsafspraak te hebben gemaakt. [appellant] ziet daarbij over het hoofd dat die uitlating van [geïntimeerde], wat daarvan ook zij ([geïntimeerde] stelt dat hij zich die prijsafspraak niet kan herinneren), slechts betrekking heeft op het doen van een paar kleine aanpassingen aan het voertuig teneinde dit van een Nederlands kenteken te kunnen laten voorzien. Uit de stellingen van partijen kan worden afgeleid dat het voertuig van meet af aan al geschikt was voor het vervoer van vier personen en dat de aanvankelijke opdracht dan ook niet verder ging dan dat het geschikt moest worden gemaakt voor afgifte van een Nederlands geel kenteken. Dat [geïntimeerde] zou hebben erkend die aanvankelijke opdracht voor f. 500,- te zullen doen, brengt niet mee dat [geïntimeerde] daarmee ook heeft erkend dat hij met [appellant] voor alle door hem verrichte werkzaamheden een dergelijke prijsafspraak heeft gemaakt. Het geschil spitst zich immers nu juist toe (zoals [appellant] ook terecht opmerkt in punt 25 van zijn memorie van grieven) op de vraag of [geïntimeerde] een vordering heeft op [appellant] ter zake de hiervoor bedoelde werkzaamheden die zijn verricht om de auto als 4-persoons pick-up met een grijs kenteken goedgekeurd te krijgen. Daartoe waren in de visie van [geïntimeerde] de hiervoor genoemde (extra) werkzaamheden aan het voertuig noodzakelijk.

4.1. Aan de vordering van [geïntimeerde] ligt zijn stelling ten grondslag dat [appellant] (ook) voor die extra werkzaamheden opdracht heeft gegeven. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellant] die stelling van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof gaat dus uit van een door [appellant] gegeven opdracht tot het verrichten van de door [geïntimeerde] gestelde extra werkzaamheden om het (4-persoons)voertuig geschikt te maken voor afgifte van een grijs kenteken.

4.2. In verband met zijn stelling dat tussen partijen een prijsafspraak van ongeveer

f. 500,- gold voor alle werkzaamheden, heeft [appellant] ook aangevoerd dat [geïntimeerde] die extra werkzaamheden ongevraagd heeft verricht omdat hij er uit een oogpunt van publiciteit zelf commercieel belang bij had. Om die reden zou [geïntimeerde] voor die werkzaamheden ook niet meer dan ongeveer f. 500,- in rekening brengen.

4.3. Het hof volgt [appellant] hierin niet. Allereerst staat als niet weersproken vast (zie r.o. 5.1 van het beroepen vonnis) dat [appellant] bij het uitvoeren van de werkzaamheden door [geïntimeerde] grotendeels aanwezig is geweest. Dat daarmee 68 uur gemoeid is geweest, is door [appellant] onvoldoende betwist. Het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] in redelijkheid niet kan menen dat [geïntimeerde] die werkzaamheden zou uitvoeren voor f. 500,- maakt het hof tot het zijne. Dat [geïntimeerde] om hem moverende redenen allerlei extra werkzaamheden aan het voertuig heeft verricht zonder daartoe opdracht van [appellant] te hebben gekregen en zonder dat [appellant] daarvoor meer dan f. 500,- zou moeten betalen blijkt uit niets en komt het hof zo ongeloofwaardig voor dat [appellant] zijn verweer op dit punt beter had moeten onderbouwen. Te meer nu als onvoldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat die extra werkzaamheden vereist waren om dit voertuig van een grijs kenteken te kunnen voorzien. De kantonrechter heeft dus terecht [appellant]s verweer dat tussen partijen ter zake van de hiervoor bedoelde extra werkzaamheden een prijsafspraak gold, verworpen.

Grief IIIa faalt.

5. Grief IIIb luidt dat de kantonrechter er te gemakkelijk vanuit is gegaan dat [geïntimeerde] geen concrete prijsopgave heeft kunnen doen betreffende de extra werkzaamheden, vanwege het feit dat [geïntimeerde] onbekend zou zijn met een Hummer. [appellant] stelt in de toelichting op deze grief dat [geïntimeerde] over voldoende ervaring, kennis en kunde beschikte om voor aanvang van de werkzaamheden een prijsopgave te doen. Het feit dat hij geen ervaring had met het ombouwen van een Hummer zou daar volgens [appellant] niet aan af doen. De kantonrechter heeft in het licht van het verweer van [appellant] dat een prijsafspraak van f. 500,- gold, overwogen dat aannemelijk is dat [geïntimeerde] voor de extra werkzaamheden geen prijsopgave heeft gedaan juist omdat hij geen ervaring met een opdracht als deze (bedoeld is het zodanig ombouwen van een 4-persoons pick-up dat daarvoor een grijs kenteken kon worden afgegeven).

5.1. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen in verband met grief IIIa heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat voor die werkzaamheden geen prijsopgave is gedaan.

Krachtens het bepaalde in artikel 7:752 BW geldt dan dat de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is. Bij het bepalen van de prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. De vraag of de aannemer al dan niet in staat was om voor aanvang van de werkzaamheden een prijsopgave te doen, is gelet hierop irrelevant. Dat wat de kantonrechter overigens heeft overwogen en beslist met betrekking tot de in aanmerking te nemen redelijke prijs, is door [appellant] niet bestreden. Het hof gaan dan ook van de juistheid daarvan uit.

Grief IIIb treft geen doel.

6. Grief IV, waarmee [appellant] de toewijzing door de kantonrechter van contractuele rente bestrijdt, slaagt. [geïntimeerde] heeft aan dit onderdeel van zijn vordering ten grondslag gelegd dat contractuele rente verschuldigd is op grond van de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden.

Met [appellant] is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat partijen de toepasselijkheid van algemene voorwaarden zijn overeengekomen. Er is dan ook geen grond om een eventuele veroordeling te vermeerderen met contractuele rente; slechts wettelijke rente is door [appellant] verschuldigd, vanaf de dag waarop hij in verzuim is komen te verkeren. [appellant] heeft de ontvangst van de factuur van

mei 2007 uitdrukkelijk betwist en [geïntimeerde] heeft niet aangetoond, bijvoorbeeld door middel van een bewijs van aangetekende verzending, dat [appellant] deze factuur moet hebben ontvangen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat [appellant], eerder dan op de dag van dagvaarding, in verzuim is geraakt. Wettelijke rente zal dus worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

7. Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze grief slaagt ook. [geïntimeerde] heeft slechts gesteld dat in het minnelijke traject diverse werkzaamheden door zijn incassogemachtigde zijn verricht, die niet zijn aan te merken als werkzaamheden ter voorbereiding van deze procedure. Hij heeft hiervan evenwel nog geen begin van bewijs (bijvoorbeeld door aanmaningsbrieven in het geding te brengen) geleverd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

8. Grief VI mist naast de andere grieven zelfstandige betekenis en kan daarom onbesproken blijven.

De slotsom

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de grieven I t/m IIIb falen. De grieven IV en V slagen en aan grief VI wordt voorbij gegaan bij gebrek aan zelfstandige betekenis.

Om praktische redenen zal het hof het vonnis van de kantonrechter in zijn geheel vernietigen, behoudens voor wat betreft de proceskostenveroordeling en de beslissing overigens opnieuw formuleren.

[appellant] wordt, als de meest in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris advocaat tarief I, 1,5 punt).

De beslissing.

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 17 maart 2009, waarvan beroep, behoudens voor wat betreft de proceskostenveroordeling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 3.105,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2008 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep en stelt deze vast op € 262,- aan verschotten en op € 948,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, voorzitter, H. de Hek en E.C. Smits en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 mei 2012 in bijzijn van de griffier.