Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW6050

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
TBS P12/0091
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BV4136, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvulling van het in de beslissing van het hof Arnhem van 30 mei 2011 (LJN BQ6616) geformuleerde criterium voor een al dan niet gemaximeerde terbeschikkingstelling. Anders dan in het geval van uitsluitend een verbale bedreiging, opleverend het misdrijf van artikel 285 Wetboek van Strafrecht, dient bij delicten, waarbij de bedreiging slechts een delictsbestanddeel is, rekening te worden gehouden met de context van het delict, waarbinnen de bedreiging zich heeft afgespeeld. In die context kunnen ook andersoortige gedragingen dan die, genoemd in de beslissing van het hof van 30 mei 2011, welke gedragingen eveneens geschikt kunnen zijn om een objectief bedreigende situatie te creëren en waardoor het gronddelict bevorderd wordt, medebepalend zijn voor de kwalificatie van het indexdelict als een misdrijf bedoeld in artikel 38e Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P12/0091

Beslissing d.d. 16 mei 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek 1].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 oktober 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het arrest van het Gerechtshof ’s Gravenhage van 24 augustus 1998 waarbij de terbeschikkinstelling is opgelegd;

- het advies van [kliniek 2] van 8 juli 2011;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 7 oktober 2011;

- de aanvullende informatie van [kliniek 2] van 5 april 2012, met daarbij gevoegd de wettelijke aantekeningen van 8 juli 2011 tot en met 23 maart 2012.

Het hof heeft ter zitting van 19 april 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde bijgestaan door zijn raadsman mr M.W. Stoet, advocaat te Den Haag en de advocaat-generaal mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

Het standpunt van de kliniek

Uit het verlengingsadvies van [kliniek 2] van 8 juli 2011 blijkt onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

Bij betrokkene is afhankelijkheid van middelen, een bipolaire stoornis I, laatste episode manisch, met psychotische kenmerken, een cognitieve stoornis NAO en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en borderline kenmerken gediagnosticeerd. Gezien het actuele kwetsbare gedragsbeeld en de stagnatie van het resocialisatietraject - naar aanleiding van een toegenomen manisch gedragsbeeld en het zich bevinden in een deviant netwerk waarbinnen sprake is van planning van delicten, mogelijk harddrugsgebruik en het onvoldoende onder controle hebben van impulsen - dient de dwangverpleging van de tbs te worden verlengd.

Wanneer de tbs met dwangverpleging op dit moment wordt beëindigd zal er sprake zijn van een onverantwoord hoog risico ten aanzien van recidive, aangezien betrokkene niet in staat zal zijn voldoende structuur in zijn leven aan te brengen. Ziekte-inzicht en intrinsieke motivatie tot medicatiegebruik is beperkt, de antisociale trekken in de persoonlijkheid zijn nog duidelijk aanwezig en er is nog immer sprake van zucht. Niet of onvoldoende consequent innemen van de medicatie, en vermindering van structuur en controle, zullen ongetwijfeld leiden tot middelengebruik en bijbehorende verwervingscriminaliteit. Een manische ontregeling of psychotische decompensatie zal de kans op recidive doen toenemen. Hoewel niet te verwachten is dat het recidiverisico over een jaar tot een voldoende verantwoord niveau zal zijn teruggebracht teneinde op verantwoorde wijze de dwangverpleging te beëindigen, wordt geadviseerd de maatregel voor de duur van een jaar te verlengen.

Uit de aanvullende informatie van [kliniek 2] van 5 april 2012 blijkt onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

De afgelopen behandelperiode heeft betrokkene meerdere incidenten veroorzaakt. Vanwege het vaak agressieve gedrag van betrokkene en een voortdurende dreiging van afglijding in manische ontremming en randpsychotische belevingen, is er langdurig en veelvuldig sprake geweest van het opleggen van inperkende maatregelen. Op 22 november 2011 is door [kliniek 2] de EVGB-status aangevraagd. Dit betreft een benodigde status voor extreem vlucht- en/of beheersgevaarlijke patiënten, waarmee betrokkene overgeplaatst kan worden naar een hierop toegeruste afdeling. Op 24 februari 2012 is betrokkene overgeplaatst naar een EVGB-afdeling op de [kliniek1]. Afgaande op de informatie uit het contact met deze afdeling, is de overplaatsing goed verlopen. Men geeft aan dat betrokkene baat lijkt te hebben bij en zich voegt naar de geboden structuur. Tot op moment van schrijven zijn bij [kliniek 2] geen incidentmeldingen bekend vanuit het verblijf van betrokkene in de [kliniek 1].

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de terbeschikkingstelling is gemaximeerd, nu er bij het door de terbeschikkinggestelde gepleegde delict waarvoor de maatregel werd opgelegd, te weten diefstal met bedreiging met geweld, geen zichtbare en uit haar aard agressieve handeling heeft plaatsgevonden, die de bedreiging heeft ondersteund. De terbeschikkinggestelde heeft bij de overval geroepen: “dit is een overval, geld, geld”; hij had daarbij handschoenen aan en een bivakmuts op. Het mes dat de terbeschikkinggestelde bij zich had, heeft hij bij de overval niet gehanteerd.

De raadsman stelt dat het thans goed gaat met de terbeschikkinggestelde, dat hij niet meer delictgevaarlijk is en dat hij bereid is zich te laten begeleiden door de Reclassering.

Primair concludeert de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel afwijzing van de verlengingsvordering omdat er sprake is van een gemaximeerd indexdelict. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering houdende de verlenging van de maatregel af te wijzen omdat de terbeschikkinggestelde niet meer delictgevaarlijk is. Meer subsidiair verzoekt de raadsman het onderzoek te schorsen teneinde de Reclassering de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging te kunnen laten onderzoeken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling nu er aan het destijds gepleegde misdrijf een agressieve uiting is voorafgegaan. De terbeschikkinggestelde had bij de door hem gepleegde overval een bivakmuts over zijn gezicht, had handschoenen aan en droeg een mes bij zich. Voorts stelt de advocaat-generaal dat er zich de afgelopen periode veel incidenten hebben voorgedaan, dat er thans sprake is van een hoog recidiverisico en dat aan de terbeschikkinggestelde een EVBG-status is afgegeven. Op grond hiervan zal de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde de duur van een jaar te boven gaan.

De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank om doelmatigheidsredenen vernietigen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Het hof is van oordeel dat -nu de termijn van de maatregel liep tot 8 september 2011 en de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling tijdig is ingediend- de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering. De omstandigheid dat van meet af aan duidelijk zou zijn geweest dat het om een gemaximeerde terbeschikkingstelling gaat, zoals gesteld door de raadsman maar betwist door de advocaat-generaal, raakt de ontvankelijkheid van de vordering tot verlenging niet.

Indexdelict

Bij arrest van het gerechtshof ’s Gravenhage van 24 augustus 1998 is de terbeschikkinggestelde veroordeeld tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Deze maatregel is opgelegd vanwege diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

De rechtbank heeft in haar verlengingsbeslissing geoordeeld dat gelet op de na te noemen feiten en omstandigheden aan het thans geldende criterium voor een al dan niet gemaximeerde terbeschikkingstelling van het hof Arnhem is voldaan: betrokkene had bij de door hem gepleegde overval een bivakmuts over zijn gezicht, had handschoenen aan en heeft voorts, terwijl hij de bank binnenliep geroepen: “dit is een overval, geld, geld”.

Het hof heeft in zijn beslissing van 30 mei 2011 (LJN BQ6616) ter zake van het delict bedreiging overwogen, dat het in zaken waar een terbeschikkingstelling is opgelegd voor bewezenverklaard handelen dat slechts bestaat uit bedreiging(en), dat het

“in zijn algemeen van oordeel is, dat voor het aannemen van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen vereist is dat een dreigende uiting is voorafgegaan of vergezeld, of gevolgd wordt door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde; gedacht wordt bijvoorbeeld aan het tonen van een wapen of het met een auto inrijden op een persoon.”

In aanvulling hierop overweegt het hof thans het volgende. Anders dan in het geval van uitsluitend een verbale bedreiging, opleverend het misdrijf van artikel 285 Wetboek van Strafrecht, dient bij delicten, waarbij de bedreiging slechts een delictsbestanddeel is, rekening te worden gehouden met de context van het delict, waarbinnen de bedreiging zich heeft afgespeeld. In die context kunnen ook andersoortige gedragingen dan die, genoemd in de beslissing van het hof van 30 mei 2011, welke gedragingen eveneens geschikt kunnen zijn om een objectief bedreigende situatie te creëren en waardoor het gronddelict bevorderd wordt, medebepalend zijn voor de kwalificatie van het indexdelict als een misdrijf bedoeld in artikel 38e Wetboek van Strafrecht.

In de onderhavige zaak is het indexdelict een overval op een postkantoor, waarbij de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld. Betrokkene heeft zich bij het plegen van dit delict niet alleen verbaal dreigend geuit, maar is het postkantoor binnengegaan met een bivakmuts over zijn hoofd en handschoenen aan, daarbij naar aanwezig bankpersoneel en aanwezige klanten roepend “Dit is een overval, geld, geld”. Het dragen van de bivakmuts en handschoenen -in het kader van een overval, uitgevoerd op een overrompelende en onverhoedse wijze- is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als een objectief vast te stellen niet-verbaal handelen dat naar zijn aard de bedreiging met geweld ondersteunt. Dit levert naar het oordeel van het hof een misdrijf op dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38 onder e van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus is het hof van oordeel dat er in dit geval sprake is van een niet gemaximeerde terbeschikkingstelling.

Stoornis en recidiverisico

Bij betrokkene is afhankelijkheid van middelen, een bipolaire stoornis I, laatste episode manisch, met psychotische kenmerken, een cognitieve stoornis NAO en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en borderline kenmerken gediagnosticeerd. Wanneer de tbs met dwangverpleging op dit moment wordt beëindigd zal er sprake zijn van een onverantwoord hoog recidiverisico. Op grond hiervan zal het hof de terbeschikkingstelling verlengen.

Verlengingsduur

Er is bij betrokkene sprake van een actueel kwetsbaar gedragsbeeld en een stagnatie van het resocialisatietraject. De terbeschikkinggestelde heeft de afgelopen behandelperiode meerdere incidenten veroorzaakt, praktiseert thans geen enkel verlof en heeft een EVBG-status. Het recidiverisico wordt als onverantwoord hoog ingeschat. Het gehele behandel- en resocialisatietraject van de terbeschikkinggestelde zal de duur van een jaar te boven gaan. Om deze reden acht het hof een verlenging van de terbeschikkingstelling met de duur van twee jaren geïndiceerd.

Afwijzing verzoek tot schorsing

Het verzoek tot schorsing teneinde de reclassering onderzoek te kunnen laten doen naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wordt afgewezen, nu het hof van oordeel is dat daarvoor op dit moment geen enkel aanknopingspunt bestaat.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot schorsing.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 oktober 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren.

Aldus gedaan door

mr E. van der Herberg als voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr A.J. Smit als raadsheren,

en drs. T. van Iersel en drs. R. Vecht-van den Bergh als raden,

in tegenwoordigheid van K. Bruil als griffier,

en op 16 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.