Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5532

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
11-00653
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MRB.

Auto van ondernemer voldoet niet aan eisen van bestelauto. Naheffing en boete terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1256
FutD 2012-1378 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2012/1271
V-N 2012/34.19.12

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00653

uitspraakdatum: 24 april 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2011, nummer AWB 10/4677,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak van 15 juni 2009 tot en met 27 mei 2010 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 1.435. Bij beschikking is een boete opgelegd van € 1.435.

1.2 Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak van 26 november 2010 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 4 augustus 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012 te Arnhem. Daarbij is de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbende is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Tot het dossier behoort een afschrift van de op 27 februari 2012 per aangetekende post verzonden uitnodiging, gericht aan het adres van belanghebbende, waarin is vermeld de dag en het tijdstip waarop de mondelinge behandeling van het beroep zal plaatsvinden. De uitnodiging is op 29 februari 2012 door de griffier retour ontvangen. Op de enveloppe is vermeld dat de zending is geweigerd. Uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende sinds 25 november 2011 stond ingeschreven op het op de uitnodiging vermelde adres. De uitnodiging is op 29 februari 2012 nogmaals bij gewone brief verzonden.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is een ondernemer als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MB) en was van 13 juli 2007 tot en met 27 mei 2010 houder van een motorrijtuig van het merk Chevrolet (hierna: de auto). Belanghebbende heeft voor de auto motorrijtuigenbelasting voldaan naar het tarief voor bestelauto's dat geldt voor ondernemers.

2.2 Tijdens een controle op 25 mei 2010 is door een controlemedewerker geconstateerd dat in de auto geen scheidingswand aanwezig was tussen de voorstoelen en de laadruimte, dat het dak van de laadruimte minder dan 25 centimeter hoger was dan de cabine van de auto en dat de laadruimte een hoogte had van 90 centimeter. Het rapport met de bevindingen tijdens het onderzoek behoort tot de stukken van het geding.

2.3 Omdat de auto niet voldeed aan de inrichtingseisen die gelden voor de toepassing van het tarief voor bestelauto's van ondernemers heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, uitgaande van het tarief voor personenauto's met een massa van 1668 kg en een brandstoftoeslag voor LPG. In verband met de verkoop van de auto is de einddatum van het tijdvak waarover de naheffingsaanslag is opgelegd, gesteld op 27 mei 2010. De Inspecteur heeft, met inachtneming van de desbetreffende bepalingen in de Wet MB, de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) en het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB 1998), aan belanghebbende een boete opgelegd van 100 percent van de nageheven belasting.

2.4 Het hogerberoepschrift van belanghebbende is gedagtekend 12 september 2011. De enveloppe waarmee het ter post is bezorgd is voorzien van een poststempel van 16 september 2011. Belanghebbende heeft als bezorgadres vermeld: Postbus 9030, 6600 EM Arnhem. Vanwege de onjuiste vermelding van de postcode is het hogerberoepschrift teruggezonden naar belanghebbende waarna hij dezelfde enveloppe, opnieuw voorzien van frankeerzegels en nu met vermelding van de juiste postcode 6800 EM (waarbij belanghebbende eenvoudig het tweede cijfer zes heeft veranderd in een acht) ter bezorging heeft aangeboden. Het hogerberoepschrift is door het Hof ontvangen op 22 september 2011.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is de opgelegde naheffingsaanslag en de boete.

3.2 Belanghebbende stelt dat de auto is gekeurd door de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) als een bestelauto en kennelijk aan de eisen daarvoor voldeed. De auto is voorzien van een zogenoemd grijs kenteken. Na zijn aankoop bij een dealer zijn geen wijzigingen aan de auto aangebracht. Belanghebbende stelt dat toch aangenomen mag worden dat de RDW weet aan welke eisen een auto moet voldoen om in aanmerking te komen voor een grijs kenteken.

3.3 De Inspecteur stelt dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij stelt voorts dat belanghebbende de negende houder is van de auto na de eerste toelating op de weg, dat belanghebbende reeds bij de aankoop had moeten informeren of de auto voldeed aan de eisen voor de toepassing van het verlaagde tarief, dat belanghebbende als ondernemer, nadat het kenteken van de auto op zijn naam was gesteld, schriftelijk is geïnformeerd over de eisen waaraan de auto moet voldoen om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief voor bestelauto's van ondernemers en dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor een juiste voldoening op aangifte van de verschuldigde belasting. Met betrekking tot de boete stelt de Inspecteur dat sprake is van een wettelijke verzuimboete van 100 percent, dat de bepalingen van het BBBB 1998 juist zijn toegepast en dat hem niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de boete lager moet worden vastgesteld.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

3.6 De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift liep af op 15 september 2011. Het beroepschrift is gedagtekend op maandag 12 september 2011. Omdat niet kan worden uitgesloten dat het poststempel met enige vertraging is gezet of dat belanghebbende het beroepschrift na de laatste buslichting op 15 september 2011 doch voor 24.00 uur op die dag ter post heeft bezorgd, is het Hof van oordeel dat belanghebbende, mede gelet op de opgelegde boete op grond waarvan hem slechts bij uitzondering de toegang tot de rechter moet kunnen worden ontzegd, met betrekking tot de datum van verzending het voordeel van de twijfel kan worden gegund. Temeer nu belanghebbende geen weet kon hebben van hetgeen nadien met betrekking tot de bezorging van het hogerberoepschrift stond te gebeuren, werpt hetgeen de Inspecteur in zijn verweerschrift heeft gesteld, te weten dat belanghebbende in zijn hogerberoepschrift niets stelt dat een late inzending rechtvaardigt, geen ander licht op de zaak. Mitsdien acht het Hof aannemelijk dat het hogerberoepschrift tijdig ter post is bezorgd.

4.2 Met betrekking tot de adressering van het hogerberoepschrift is sprake van een slechts zeer geringe verschrijving, te weten een onjuiste postcode. Het is een feit van algemene bekendheid dat een verkeerde postcode doorgaans -zeker bij grote postontvangers zoals De Rechtspraak- niet in de weg staat aan bezorging op het juiste adres, zij het soms met enige vertraging, indien het overige deel van de adressering niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Het terugsturen naar de afzender vanwege een dergelijke geringe onjuistheid in de adressering is niet een gevolg dat belanghebbende had behoeven te verwachten. In dit geval moet hierom naar het oordeel van het Hof dan ook worden uitgegaan van één voortdurende postbezorging die is aangevangen op 15 september 2011 en is geëindigd met de ontvangst van het hogerberoepschrift op 22 september 2011. Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep, gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ontvankelijk.

4.3 Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat in de auto een tussenschot aanwezig was van voldoende hoogte maar hij heeft met die enkele stelling onvoldoende bestreden hetgeen de Inspecteur naar voren heeft gebracht omtrent de inrichting van de auto en de afmetingen van de laadruimte. Mede gelet op de inhoud van het rapport dat ter zake van de controle is opgemaakt en de daarbij gevoegde foto's van de auto op dat moment, acht het Hof aannemelijk dat de auto op de controledatum niet voldeed aan de eisen die worden gesteld aan de toepassing van het verlaagde tarief voor bestelauto's van ondernemers.

4.4 Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel b, van de Wet MB, wordt onder een personenauto verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van niet meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, en wordt (onderdeel c van genoemd artikel) onder een bestelauto verstaan een motorrijtuig op drie of meer wielen niet zijnde een personenauto of een autobus, met een toegestane maximum massa van 3 500 kg of minder. In die bepalingen, noch in de bepalingen omtrent de tarieven (Afdeling 6, artikel 22 e.v.) wordt melding gemaakt van een eventueel belang dat voor de heffing op grond van de Wet MB wordt gehecht aan de afgifte van een zogenoemd grijs kenteken.

4.5 Aan eventuele mededelingen van de RDW of de verkoper van de auto, noch aan de afgifte van een grijs kenteken, kan belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat voor de auto het tarief verschuldigd was dat geldt voor bestelauto's van ondernemers.

4.6 Nu belanghebbende ook de overige grondslagen van de berekening van de nageheven belasting niet heeft bestreden, is het Hof van oordeel dat de onderhavige naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

4.7 De Inspecteur heeft gesteld dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 37 van de Wet MB juncto artikel 67c van de AWR. Hij heeft gesteld, en het Hof acht aannemelijk, dat belanghebbende, nadat het kenteken van de auto op zijn naam was gesteld, als ondernemer schriftelijk op de hoogte is gesteld van de voorwaarden waaraan een auto moet voldoen voor de toepassing van het verlaagde tarief voor bestelauto's van ondernemers. Het Hof is met de Inspecteur van mening dat, ook indien voor een auto een zogenoemd grijs kenteken is afgegeven, belanghebbende te allen tijde verantwoordelijk is voor een juiste voldoening op aangifte van de verschuldigde belasting. Van een geval waarin belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat te weinig belasting op aangifte is voldaan (afwezigheid van alle schuld) is hier geen sprake.

4.8 Op grond van § 34, tweede lid, van het BBBB 1998, bedraagt de boete in gevallen als het onderhavige en voor zover hier van belang, 100 percent van het nageheven bedrag. Het is het Hof niet gebleken dat de Inspecteur bij het opleggen van de boete heeft gehandeld in strijd met de ter zake geldende bepalingen van de Wet MB, de AWR en het BBBB 1998.

4.9 De Inspecteur heeft ter zitting gesteld dat onderzoek is gedaan naar de financiële omstandigheden van belanghebbende. De bij de Belastingdienst bekende gegevens geven geen aanleiding tot matiging van de opgelegde boete. Belanghebbende heeft in beroep of in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een ander oordeel. Naar het oordeel van het Hof is de opgelegde boete in dit geval passend en geboden, mede gelet op de aard van de motorrijtuigenbelasting (voldoening op aangifte), de omvang van het Nederlandse wagenpark, de zeer grote aantallen aangiften en betalingen en het grote belang dat de overheid derhalve heeft bij een ongestoorde betaling van de motorrijtuigenbelasting.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 24 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 april 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.