Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5529

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
11-00015
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ4198, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4198
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Vernietiging naheffingsaanslag omdat niet is gebleken dat deze is vastgesteld door bevoegde inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1439 met annotatie van Jansen
FutD 2012-1347
V-N Vandaag 2012/1251
V-N 2012/32.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00015

uitspraakdatum: 24 april 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 16 december 2010, nummer AWB 09/4366, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 oktober 2009 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 12 mei 2009.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 11 januari 2011 ter griffie ingekomen.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011 te Arnhem. Belanghebbende en de Inspecteur zijn is daar verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. Het Hof heeft het vooronderzoek heropend. De Inspecteur heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brief gedagtekend 15 augustus 2011, ter griffie ontvangen op 13 december 2011. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 3 februari 2012.

2. De vaststaande feiten

2.1. Ten tijde van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag was belanghebbende woonachtig te Z.

2.2. Op 27 oktober 2006 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om afgifte van een “Verklaring geen privé-gebruik” (hierna: de Verklaring). De Verklaring is op 31 oktober 2006 aan belanghebbende verstrekt.

2.3. Van 1 januari 2009 tot en met 12 mei 2009 heeft belanghebbende een Seat met kenteken 00-AA-BB van zijn werkgever ter beschikking gehad. Belanghebbende heeft over deze periode een sluitende kilometeradministratie bijgehouden. Er was geen sprake van gebruik van de auto voor privédoeleinden.

2.4. In de periode van 13 mei 2009 tot 10 juli 2009 heeft belanghebbende geen auto ter beschikking gehad van zijn werkgever.

2.5. Belanghebbende kreeg opnieuw een auto ter beschikking van zijn werkgever met ingang van 10 juli 2009. Het betrof een BMW met kenteken 11-CCC-2. Op 17 juli 2009 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht de Verklaring met ingang van 10 juli 2009 in te trekken. De reden daarvoor was dat belanghebbende voornemens was die auto wel voor privédoeleinden te gebruiken.

2.6. De Inspecteur heeft belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd voor de periode 1 januari 2009 tot en met 12 mei 2009 van € 1.127.

2.7. Op de naheffingsaanslag staat vermeld:

“Ondertekening

Deze naheffingsaanslag is vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/ Coördinatiepunt privégebruik auto”

2.8. Op de vraag van het Hof op grond waarvan hij bevoegd is tot het opleggen van de naheffingsaanslag, heeft de Inspecteur geantwoord:

“De aanslag is opgelegd vanuit de landelijke taakverdeling binnen de Belastingdienst. Deze taakverdeling maakt de Inspecteur Belastingdienst/Oost landelijk verantwoordelijk voor de controle op een juiste toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en daarmee bevoegd tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag. Tegelijkertijd is daarmee de bevoegdheid voor de overige inspecteurs vervallen.”

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag bevoegdelijk en terecht is opgelegd.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur een naheffingsaanslag vaststellen.

4.2. Volgens artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR verstaat de belastingwet onder inspecteur de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen.

4.3. Artikel 3 van de AWR bepaalt dat de bevoegdheid van een inspecteur niet is bepaald naar een geografische indeling van het Rijk en dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld omtrent de inspecteur onder wie een belastingplichtige ressorteert.

4.4. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (zoals deze luidde in 2009) (hierna: URB) bestaat de organisatie van de Belastingdienst onder meer uit de Belastingdienst/Oost en de Belastingdienst/P. Deze organisatieonderdelen zijn ingevolge artikel 3, tweede tot en met vierde lid, van de URB belast met de heffing en invordering van onder meer de loonbelasting en de premie volksverzekeringen.

4.5. Bij artikel 5 van de URB zijn de voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de URB genoemde onderdelen van de organisatie van de Belastingdienst, aangewezen als inspecteur.

4.6. Artikel 11 van de URB luidt als volgt:

“1. De woonplaats van een natuurlijk persoon dan wel de vestigingsplaats van een lichaam of een entiteit bepaalt, met inachtneming van de indeling opgenomen in de bijlage bij deze regeling en in samenhang met de taakverdeling, omschreven in artikel 3, tweede en derde lid, onder welke inspecteur of ontvanger de natuurlijk persoon, het lichaam of de entiteit ressorteert, tenzij in dit hoofdstuk dan wel op grond van het vierde lid anders is bepaald.

2. De voorzitter van een managementteam van een in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, genoemd organisatieonderdeel kan voor de toepassing van deze regeling namens de directeur, bedoeld in artikel 7, bepalen dat een natuurlijk persoon of een lichaam al dan niet tezamen met één of meer daarmee direct of indirect in bestuurlijk, financieel, administratief of maatschappelijk opzicht verbonden natuurlijke personen of lichamen als een entiteit wordt beschouwd.

3. De voorzitter van een managementteam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, kan in daartoe aanleiding gevende gevallen namens de directeur, bedoeld in artikel 7, van het bepaalde in dit hoofdstuk afwijken.

4. De woonplaats van een natuurlijk persoon en de vestigingsplaats van een lichaam of een entiteit worden naar de omstandigheden beoordeeld.”

4.7. Naar het oordeel van het Hof brengen de bepalingen die de bevoegdheid van inspecteurs regelen mee dat een bepaalde bevoegdheid niet tegelijkertijd aan meer dan één inspecteur kan toekomen. Dat inspecteurs landelijke bevoegdheid hebben maakt dat niet anders. Blijkens zijn hiervoor onder 2.6 aangehaalde brief deelt de Inspecteur dit oordeel.

4.8. Gelet op de woonplaats van belanghebbende, Z, vloeit uit de wettelijke bepalingen en de URB voort dat belanghebbende voor wat betreft de heffing van (onder meer) loonbelasting/premie volksverzekeringen ressorteert onder de inspecteur van de Belastingdienst/P. Dat brengt mee dat deze inspecteur en geen andere bevoegd is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen op te leggen, tenzij die bevoegdheid op grond van enige bepaling aan een andere inspecteur zou toekomen. De Inspecteur heeft gesteld dat hem de bevoegdheid de in geding zijnde naheffingsaanslag op te leggen, toekomt “vanuit de landelijke taakverdeling binnen de Belastingdienst”. De Inspecteur heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Hij heeft niet aangegeven wat die taakverdeling inhoudt, wie de taakverdeling heeft vastgesteld, op grond van welke bevoegdheid deze taakverdeling is vastgesteld en waar deze taakverdeling is gepubliceerd. Evenmin blijkt uit de stukken dat de Inspecteur bevoegd was de onderhavige naheffingsaanslag op te leggen namens de inspecteur van de Belastingdienst/P (mandaat).

4.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof niet heeft kunnen vaststellen dat de Inspecteur bevoegd was tot vaststelling van de in geding zijnde naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.

5. Kosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag; en

- gelast de Staat het griffierecht van (€ 41 + € 111 =) € 152 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 24 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 april 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.