Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5496

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
200.070.697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6:265 en 7:347 BW

Persoonlijk gebruik van het gepachte door pachtster?

Wat betreft de vraag welke mate van persoonlijke betrokkenheid van pachtster bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen mag worden verwacht, is medebepalend wat partijen bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomsten voor ogen hebben gehad. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden (zie arrest) is onaannemelijk dat partijen in 1988 respectievelijk 1993 voor ogen hebben gehad dat pachtster bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen zelf het voortouw diende te nemen en ligt het integendeel voor de hand dat partijen bedoelden dat volstond dat zij als echtgenote in een min of meer algemene zin bij het bedrijf van haar man zou zijn betrokken. Tegen deze achtergrond is pachtster thans voldoende bij de exploitatie van het gepachte betrokken, zodat geen sprake is van een tekortkoming.

(Overige) tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2012/167

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.070.697

(zaaknummer rechtbank 187427)

arrest van de pachtkamer van 10 april 2012

inzake

[verpachter],

wonende te [woonplaats], [land],

appellant,

advocaat: mr. A.I. Cambier,

tegen:

1. [pachtster],

2. [pachter/echtgenoot],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.M. Dieleman.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 27 september 2011 (hierna: het tussenarrest), verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge het tussenarrest heeft het hof op 19 maart 2012 met partijen gecompareerd. Het proces-verbaal van de comparitie van partijen behoort tot de stukken.

1.3 Vervolgens hebben partijen het hof andermaal om arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Wat betreft de in het tussenarrest onder 4.3 bedoelde betalingsachterstand is bij gelegenheid van de comparitie van partijen duidelijk geworden dat het bedrag ad € 3.928,86 op 2 februari 2012 ter beschikking van [verpachter] is gekomen, nadat [pachtster] op 27 januari 2012 een volmacht had verstrekt om dat bedrag op te nemen van de gemeenschappelijke boedelrekening. Dat thans nog van een betalingsachterstand sprake is, is door [verpachter] niet aangevoerd. Wat resteert is dat sprake is geweest van een (aanzienlijke) vertraging in de nakoming van de betaling van de pachtprijs wat betreft, zo begrijpt het hof, de verhoging van die prijs per 1 september 2007 (producties 2 en 3 bij conclusie van repliek in conventie).

2.2 Wat betreft de in het tussenarrest onder 4.5 bedoelde onderpachtovereenkomsten hebben [pachtster] en [echtgenoot] toegelicht, in lijn met hun memorie van antwoord onder 4, dat zij een voorziening beoogden voor het geval [pachtster] zou komen te overlijden. Zij zien thans in dat onderverpachting daartoe een ondeugdelijk middel was en dat bovendien de positie van de erfgenamen van [pachtster] reeds door artikel 7:366 Burgerlijk Wetboek wordt beschermd.

2.3 In de stellingen van [verpachter] leest het hof geen redenen waarom hij door het aangaan van de onderpachtovereenkomsten in zijn positie zou zijn geschaad. Wel leest het hof in die stellingen dat [verpachter] meent dat in feite niet [pachtster] maar [echtgenoot] de verpachte percelen exploiteert. In het verlengde hiervan liggen de stellingen van [verpachter] omtrent de maatschap tussen [pachtster] en [echtgenoot] (tussenarrest onder 4.6). Volgens de toelichting van de advocaat van [verpachter] ter zitting is [pachtster] geen boerin en kan zij in verband met de landbouwkundige opleiding en kunde van [echtgenoot] gemakkelijk door deze worden overruled.

2.4 Wat betreft de vraag welke mate van persoonlijke betrokkenheid van [pachtster] bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen mag worden verwacht, is medebepalend wat partijen bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomsten in respectievelijk 1988 en 1993 voor ogen hebben gehad. In dit verband is van belang dat perceel II in 1988 door (de toen minderjarige) [verpachter] zelf aan [pachtster] is verpacht (zij het ook dat hij bij die gelegenheid is vertegenwoordigd door zijn toenmalige voogd) en dat [verpachter] wat betreft perceel I de rechtsopvolger onder algemene titel van de toenmalige verpachter is.

2.5 Volgens de mededelingen van [verpachter] ter zitting was [pachtster] in 1987 in Westdorpe gaan wonen, getrouwd met een man wiens vader een akkerbouwbedrijf had (namelijk [echtgenoot]) en was het haar bedoeling om een akkerbouwbedrijf te gaan opstarten. [pachtster] heeft bij dezelfde gelegenheid meegedeeld dat zij geen landbouwkundige opleiding had maar een opleiding talen-secretariaat heeft gevolgd. Zij was in 1988 24 jaar oud en net gehuwd met [echtgenoot], die boerenzoon was en meewerkte in het bedrijf van zijn vader.

2.6 Gelet op deze feiten en omstandigheden is onaannemelijk dat partijen in 1988 respectievelijk 1993 voor ogen hebben gehad dat [pachtster] bij de landbouwkundige exploitatie van de verpachte percelen zelf het voortouw diende te nemen en ligt het integendeel voor de hand dat partijen bedoelden dat volstond dat [pachtster] als echtgenote van [echtgenoot] in een min of meer algemene zin bij het bedrijf zou zijn betrokken. Weliswaar heeft [verpachter] ter zitting nog aangevoerd dat [pachtster] cursussen zou gaan volgen (kennelijk op landbouwkundig terrein), maar die stelling heeft hij op geen enkele wijze geconcretiseerd.

2.7 [pachtster] heeft onder meer verklaard dat zij de administratie van het bedrijf doet en dat zij met haar echtgenoot veel over het bedrijf spreekt. De feitelijke juistheid van een en ander is door [verpachter] niet betwist. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is dat een voldoende persoonlijke betrokkenheid van [pachtster] bij de exploitatie van de door haar van [verpachter] gepachte percelen. Voor zover daarover al anders zou kunnen worden geoordeeld, geldt dat tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden de tekortkoming de ontbinding niet kan rechtvaardigen, ook niet wanneer het hof er rekening mee houdt dat [pachtster] en haar gezin niet voor hun levensonderhoud van de exploitatie van het gepachte afhankelijk zijn en met hun landbouwbedrijf ook slechts een zeer bescheiden rendement realiseren.

2.8 Ook wat betreft de overige feiten en omstandigheden die [verpachter] aan zijn vordering tot ontbinding ten grondslag heeft gelegd, geldt dat die niet tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden. Wat betreft de vertraging in de betaling als onder 2.1 bedoeld, is van belang dat die vertraging eenmalig van karakter is geweest. Het hof houdt [pachtster] in dit verband voor dat zij er niet op kan rekenen dat bij een herhaald tekortschieten ook een nieuwe vordering tot ontbinding kansloos zal zijn. Wat betreft de onderpachtovereenkomsten geldt dat voor zover uit die overeenkomsten kan worden afgeleid dat [echtgenoot] bij de exploitatie van het gepachte in de dagelijkse bedrijfsvoering het voortouw neemt, die gang van zaken volgens hetgeen hiervoor is overwogen in overeenstemming is met wat partijen in 1988 en 1993 voor ogen heeft gestaan. In die zin veranderden de onderpachtovereenkomsten niets aan de feitelijke bedrijfsvoering door [pachtster] en [echtgenoot]. Wat betreft de maatschap tussen [pachtster] en [echtgenoot] en het door [verpachter] veronderstelde overwicht van [echtgenoot] in die maatschap geldt mutatis mutandis hetzelfde. Ook als het hof de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden tezamen neemt, is geen sprake van een tekortkoming die de ontbinding van de pachtovereenkomsten kan rechtvaardigen.

2.9 De slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal de bestreden vonnissen bekrachtigen en [verpachter] veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, van 3 februari 2010 en 2 juni 2010;

veroordeelt [verpachter] in de kosten van het hoger beroep, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [pachtster] begroot op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en P.H. Veling en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 april 2012.