Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5429

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
200.099.855
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het niet adequaat (met resultaat) aanpakken van het overgewicht van de drie kinderen, ziet het hof een bedreiging voor hun gezondheid; ouders doen weliswaar zeer hun besten zijn zeer betrokken bij hun kinderen, maar dat is onvoldoende voor afwending van de ernstige bedreiging in de lichamelijke gezondheid van de drie kinderen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/34
JPF 2012/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.855

(zaaknummer rechtbank 303480 / JE RK 11-727)

beschikking van de familiekamer van 22 maart 2012

inzake

[Appellant]

wonende te [woonplaats],

en

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep, verder te noemen “de moeder” respectievelijk “de vader” en gezamenlijk “de ouders”,

advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de raad”.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen “de stichting”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 januari 2012, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De ouders verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek strekkende tot ondertoezichtstelling van na te noemen minderjarigen [Kind 1, kind 2 en kind 3] af te wijzen

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 januari 2012, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de ouders bestreden. De raad verzoekt het hof het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De stichting heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 25 januari 2012 een brief van de stichting van 24 januari 2012;

- op 13 februari 2012 een brief van de stichting van die datum met bijlagen;

- op 20 februari 2012 een brief van de stichting van die datum met bijlagen;

- op 22 februari 2012 een brief van mr. Öntas van 21 februari 2012 met bijlagen.

2.5 De minderjarige [Kind 1] heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het hof op 21 februari 2012 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 23 februari 2012 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is R. van Weegen verschenen. Namens de stichting zijn verschenen F. Scholte (gezinsvoogd) en M. Witsenburg (collega gezinsvoogd).

2.7 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.8 Desgevraagd hebben mr. Öntas en de raadsvertegenwoordiger verklaard dat zij geen bezwaar hebben tegen de brieven van de stichting van 13 februari 2012 (met bijlagen) en 20 februari 2012 (met bijlagen), dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom acht op die bijlagen.

2.9 Desgevraagd hebben de raadsvertegenwoordiger en de stichting ter zitting, nadat het hof de gelegenheid had geboden behoorlijk daarvan kennis te nemen, geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief met bijlagen van mr. Öntas van 21 februari 2012, aangezien zij daarvan voldoende kennis hebben kunnen nemen en dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het op [datum] 2007 door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn geboren:

- [Kind 1], op [geboortedatum];

- [Kind 2], op [geboortedatum], en

- [Kind 3], op [geboortedatum], ook wel gezamenlijk te noemen “de kinderen”.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 17 maart 2011, heeft de raad verzocht [Kind 1, kind 2 en kind 3] onder toezicht te stellen van de stichting voor de duur van een jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter [Kind 1, kind 2 en kind 3] onder toezicht gesteld van de stichting voor de termijn van één jaar, te weten tot 7 oktober 2012.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht worden gesteld van de stichting indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.2 De ouders zijn met één grief opgekomen tegen de ondertoezichtstelling van de kinderen.

4.3 Op grond van de stukken, in het bijzonder het onderzoeksrapport van de raad van 10 maart 2011, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [Kind 1, kind 2 en kind 3] rechtvaardigen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat [Kind 1, kind 2 en kind 3] (ernstig) overgewicht hebben. Onbestreden heeft de raad aangevoerd dat de kinderen in 2011 door de huisarts zijn gewogen, waarbij bleek dat [Kind 3] 17 kilogram boven het gemiddelde gewicht van een 6-jarig meisje zat, [Kind 2] 18 kilogram boven het gemiddelde gewicht van een 11-jarige jongen en [Kind 1] 51 kilogram boven het gemiddelde gewicht van een 13-jarige jongen. Uit de overgelegde brief van de diëtiste van 8 februari 2012 blijkt dat er bij de kinderen op dat moment nog geen verandering was opgetreden in de verhouding tussen lengte en gewicht. Uit het verslag van Active Balance Cesar oefentherapie van 16 februari 2012 blijkt dat [Kind 3], na aanmelding voor de oefentherapie in januari 2011, in haar gewicht is blijven stijgen, terwijl die toename in gewicht niet volledig door haar lengtegroei kan zijn veroorzaakt.

4.4 De gevolgen van kinderobesitas kunnen zowel lichamelijk (onder meer orthopedische klachten, hoog cholesterolgehalte, hoge bloeddruk, verhoogd risico op diabetes, ademhalingsproblemen tijdens de slaap en obesitas als volwassene) als psychologisch (onder meer lage zelfwaardering, negatief zelfbeeld, depressieve symptomen, stigmatisatie en discriminatie) zijn. [Kind 3] woog op 5-jarige leeftijd 35 kilogram, hetgeen betekent dat zij reeds kampt met een overgewicht van 15 kilogram en onder de obesitasnorm valt. Bij benadering weegt een kind van vijf jaar gemiddeld 20 kilogram. [Kind 2] heeft overgewicht dat niet onder de obesitasnorm valt. Voor een 10-jarig kind ligt het gemiddelde gewicht op 30 kilogram, hier zit [Kind 2] met 18 kilogram boven. [Kind 1] heeft op 12-jarige leeftijd een BMI van 34,4. Een gezonde BMI voor een 12-jarige hoort onder de 21,1 te liggen. Vanaf een BMI van 26,02 spreekt men van obesitas. Voor alle drie de kinderen geldt dat er aandacht nodig is voor en intensieve hulp bij een goede balans tussen energie-inname en energieverbruik. Daarnaast is betrokkenheid, ondersteuning en stimulans van de ouders essentieel in de behandeling.

4.5 Het hof acht het in het belang van [Kind 1, kind 2 en kind 3] dat onder begeleiding en adequaat wordt gewerkt aan het wegwerken van het overgewicht. Voor kinderen met obesitas geeft gedragstherapie gericht op het veranderen van eet- en bewegingspatronen het beste resultaat. Daarvoor is de hulp van de ouders essentieel. Eén van de belangrijkste middelen is kennis en weten wat obesitas voor gevolgen heeft en wat de ouders daaraan kunnen doen. Naar het oordeel van het hof hebben de ouders onvoldoende inzicht in de problematiek laten zien. De ouders voeren weliswaar aan dat zij zelf een diëtiste hebben ingeschakeld en dat zij de kinderen hebben aangemeld voor sportclubs, maar de kinderen zijn daardoor niet afgevallen.

4.6 De ouders hebben ondersteuning nodig nu zij onvoldoende intrinsieke motivatie en inzicht hebben om vrijwillig een langdurig traject in te gaan met hun kinderen en hierdoor de noodzakelijke verandering van patronen in het gezin te bewerkstelligen. Zo heeft de gezinsvoogd bewerkstelligd dat de ouders van ziektekostenverzekeraar zijn gewisseld om voor vergoeding van de kosten van de diëtiste in aanmerking te komen. Naast inzicht ontbreekt het de ouders ook aan voortvarendheid in hun handelen, hetgeen van groot belang is gezien de relatief jonge leeftijd van de kinderen. Vakanties van de ouders en van de diëtiste, zoals de ouders aanvoeren, mogen geen excuus voor de ouders zijn om het aanpakken van overgewicht uit te stellen. Ook op andere wijzen hadden de ouders in die vakantieperiodes het overgewicht kunnen aanpakken, door bijvoorbeeld te gaan wandelen, fietsen en gezonde levensmiddelen in huis halen. Dat de ouders dat hebben gedaan is niet gebleken, zodat de vrees gerechtvaardigd is dat de ouders in een vrijwillig kader onvoldoende in staat zijn om de problematiek aan te pakken, omdat het hen aan inzicht op dat punt ontbreekt. Het hof acht professionele en deskundige hulp om het overgewicht bij de drie kinderen aan te pakken, in een verplicht kader aldus dringend nodig voor [Kind 1, kind 2 en kind 3].

4.7 In het niet adequaat (met resultaat) aanpakken van het overgewicht van de drie kinderen, ziet het hof een bedreiging voor hun gezondheid. De ouders hebben ter terechtzitting weliswaar aangegeven zeer hun best te doen en zeer betrokken te zijn bij hun kinderen, hetgeen het hof ook is gebleken, maar dat is onvoldoende voor afwending van de ernstige bedreiging in de lichamelijke gezondheid van de drie kinderen.

4.8 De grief faalt, zodat het hof de bestreden beschikking dient te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, S.M. Evers en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. H. van Waterschoot als griffier, en is op 22 maart 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.