Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5226

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
09-05-2012
Zaaknummer
200.057.327/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming periodiek verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 mei 2012

Zaaknummer 200.057.327/01

(zaaknummer rechtbank: 151594 / HA ZA 08-1393)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F.J.M. Kobossen, kantoorhoudende te Apeldoorn,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.W.F. Rouwette, kantoorhoudende te Apeldoorn.

De inhoud van het tussenarrest van 4 mei 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen, met als conclusie:

"de vonnissen waarvan beroep te vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen uit de inleidende dagvaarding alsnog integraal af te wijzen onder veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grief van [appellant] af te wijzen en het vonnis van de Rechtbank te Zwolle/Lelystad d.d. 13 januari 2010 tussen partijen gewezen, te bekrachtigen, zonodig met verbetering en/of aanvulling van gronden, met uitzondering van de beslissing aangaande de proceskosten,

en in incidenteel appel het voormelde vonnis van de rechtbank uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de compensatie van proceskosten te vernietigen en opnieuw te bepalen dat [appellant] in de kosten van et geding in beide instanties wordt veroordeeld."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"de vordering af te wijzen met compensatie van kosten."

Voorts heeft [geïntimeerde] een akte uitlating producties genomen en vervolgens heeft [appellant] een antwoordakte tevens houdende productie genomen.

Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel één grief opgeworpen, die zich richt tegen rechtsoverweging 2.3 van het vonnis van 18 februari 2009 en tegen de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.5, 3.11, 3.12 en 3.16 tot en met 3.24, alsmede tegen de onderdelen 4.1 en 4.2 van het dictum van het vonnis van 13 januari 2010 (de toewijzing van een bedrag van € 57.998,- en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring).

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één grief opgeworpen, waarin zij klaagt over de beslissing van de rechtbank om de proceskosten te compenseren.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Als niet gesteld en niet of niet voldoende betwist staat in dit geding het volgende vast:

1.1. Partijen zijn op 6 december 1984 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

1.2. In artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is vermeld dat tussen partijen geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen zal bestaan en in artikel 4 daarvan is een regeling opgenomen voor het dragen van de huishoudelijke kosten. Voorts bevat artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden het volgende periodiek verrekenbeding, hierna te noemen: het verrekenbeding:

"a. Aan het einde van ieder jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helften bijeen, hetgeen van de inkomsten van dat jaar door de echtgenoten is overgespaard.

b. Zodra de gemeenschappelijke huishouding ophoudt te bestaan, door onderling goedvinden, rechterlijk vonnis, of overlijden, of door welke andere oorzaak dan ook, eindigt de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling als hierboven omschreven.

c. Het recht op bijeenvoeging en verdeling bij helften, vervalt één jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar."

1.3. [appellant] heeft op 28 januari 2007 de volgende verklaring getekend:

"Hierbij verklaar ik een schuld te hebben van € 25.000,- (zegge vijf en twintig duizend euro) aan mevrouw [geïntime[naam]. Deze schuld zal direct na verkoop van het pand [adres] voldaan worden."

1.4. In de brief van [appellant] aan mr. I.L. Kortenhoff - de toenmalige raadsvrouwe van [geïntimeerde] - van 14 juni 2007 is onder meer het volgende opgenomen:

"(…)

Verdeling/Woonsituatie;

Ieder heeft intussen - per oktober 2007 - een eigen woonsituatie;

Afspraken ter zake zijn gemaakt en zullen worden nagekomen.

De 'schuld' (overigens is dat formeel geen schuld) aan mevrouw [naam] zal ik voldoen op het afgesproken tijdstip.

Het deel over de rente is fake. Hier was sprake van schenking.

Rente is nooit met mij besproken en ook nooit voldaan.

Overige aspecten verdeling/verrekening laat ik thans onbesproken, waarbij ik aanteken dat er jaarlijks geen sprake is geweest van substantiële 'oversparing' en aldus was en is er niets te verrekenen.

Meubilaire zaken zullen in onderling overleg worden verdeeld.

Pensioenverrekening is OK.

Een nader onderhoud op dit moment lijkt mij niet nodig.

Het conceptverzoekschrift zie ik gaarne in de loop van de volgende week tegemoet."

1.5. Het huwelijk tussen partijen is op 8 oktober 2007 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

26 september 2007 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats]. Partijen zijn met ingang van 15 oktober 2007 gescheiden gaan leven.

1.6. [appellant] heeft op 1 oktober 2007 een woning gekocht aan [adres] te [woonplaats] voor een koopsom van € 269.000,-, in het kader waarvan hij een hypothecaire schuld van € 240.000,- is aangegaan en een overbruggingskrediet van € 25.000,-.

1.7. De echtelijke woning aan de [adres] stond op naam van [appellant]. Deze woning is op 1 november 2007 verkocht voor € 560.000,-. Na aflossing van de hypothecaire schuld en bijkomende rente groot € 402.655,11 en van een lening van Crince le Roy Holding B.V. groot € 20.650,96, en betaling van de notariële kosten en de makelaarskosten, resteerde een netto verkoopopbrengst van € 127.407,17. Van dit bedrag is € 5.000,- in depot gebleven bij de notaris en € 25.000,- benut voor de aflossing van het genoemde overbruggingskrediet. Het restant van € 97.407,17 is op 2 november 2007 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. Van het depot groot € 5.000,- is uiteindelijk een bedrag van

€ 847,30 uitgekeerd aan [appellant].

1.8. [appellant] heeft op 2 november 2007 een bedrag van € 23.000,- overgemaakt naar de bankrekening van [geïntimeerde] onder vermelding "zoals afgesproken".

1.9. [appellant] heeft tijdens het huwelijk een cricketonderneming uitgeoefend onder de naam "[appellant]-Equip".

1.10. De verklaring van [koper van auto], koper van de auto van [appellant], van 25 mei 2009 luidt:

"Hierbij verklaar ik [koper van auto] ([geboortedatum]) dat op 10 oktober 2007 er door mij een VW.bus (kenteken;[kenteken]) is gekocht van de heer [appellant] voor de som van 400 euro."

1.11. Bij brief van 28 november 2007 heeft de moeder van [geïntimeerde] onder meer het volgende aan [appellant] bericht:

"Ingesloten stuur ik een copie van je schuldbekentenis d.d. 25 januari 2007. [adres] is intussen opgeleverd. Tot op heden mocht ik de betreffende E 25.000,- niet op mijn rekening 38.45.16.939 bij de Rabobank ontvangen."

1.12. Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 maart 2011 is [appellant] veroordeeld het restant van deze schuld aan de moeder van [geïntimeerde] te voldoen.

De procedure in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank en heeft gevorderd (I) [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 43.502,-, vermeerderd met wettelijke rente, op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden (huishoudelijke kosten), en

(II) primair [appellant] te veroordelen mee te werken aan een beschrijving van het op de datum van ontbinding van het huwelijk aanwezige vermogen ten behoeve van de vaststelling van het te verrekenen vermogen, onder de verplichting voor [appellant] om de helft van dat vermogen aan haar uit te keren,

subsidiair, voor het geval [appellant] aan het primair gevorderde niet meewerkt, hem te veroordelen aan haar uit te keren een bedrag van € 100.000,-, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3. Bij het bestreden vonnis van 13 januari 2010 heeft de rechtbank het onder I gevorderde afgewezen en voor wat betreft het onder II gevorderde een bedrag van € 57.998,- toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betekening van dat vonnis tot de dag der algehele voldoening, en de kosten van de procedure aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Tekstverschil petitum appeldagvaarding en conclusie van memorie van grieven

4. Het hof stelt vast dat de tekst van het petitum van de appeldagvaarding en die van de conclusie van de memorie van grieven van elkaar verschillen, nu in de memorie van grieven ook wordt opgekomen tegen het vonnis van 18 februari 2009. Nu de memorie van grieven doorslaggevend is, zal het hof bij de beoordeling van het geschil ervan uitgaan dat [appellant] ook in appel is gekomen van het vonnis van 18 februari 2009.

Ontvankelijkheid

5. Het hof stelt vast dat [appellant] niet heeft aangevoerd op welke grond het vonnis van 18 februari 2009 volgens hem behoort te worden vernietigd. [appellant] is daarom in zijn appel tegen dit vonnis niet-ontvankelijk.

De grieven

6. Het hof constateert dat geen van partijen heeft gegriefd tegen de afwijzing van het door [geïntimeerde] onder I gevorderde bedrag van € 43.502,-. Daarmee blijft in het hoger beroep slechts over de vraag in hoeverre [appellant] nog op grond van het verrekenbeding is gehouden het toegewezen bedrag aan [geïntimeerde] te voldoen.

In het principaal appel

7. Het hof stelt het volgende voorop:

8. Aan grieven wordt als eis gesteld dat daarin de gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, behoorlijk in het geding naar voren worden gebracht, zodat zij voor de appelrechter en de wederpartij, die immers moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn (vergelijk Hoge Raad 14 oktober 2005, LJN: AT6830 en Hoge Raad, 5 december 2003, LJN: AJ3242). De uitleg van de grieven is voorbehouden aan de appelrechter als feitenrechter.

9. Voor wat betreft de niet expliciet in de grief en de toelichting daarop aan de orde gestelde stellingen of weren die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen, volstaat het hof met een verwijzing naar hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en het overnemen van die motivering (vergelijk Hoge Raad 18 oktober 1991, LJN: ZC0376).

10. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof slechts op de grief zal ingaan voor zover deze aan de genoemde vereisten voldoet.

11. De grief van [appellant] valt in meerdere onderdelen uiteen. Het hof zal die onderdelen in het onderstaande beoordelen.

12. Voor zover [appellant] erover heeft geklaagd dat de rechtbank in het kader van de verrekening een groter bedrag aan [geïntimeerde] heeft toegewezen dan zij heeft gevorderd, overweegt het hof dat de grief berust op een onjuiste lezing van het bestreden dictum. [geïntimeerde] heeft onder II subsidiair een bedrag van € 100.000,- gevorderd, terwijl een bedrag van € 59.889,- is toegewezen. Uit het vonnis blijkt dat is afgewezen hetgeen onder I en II primair is gevorderd. In zoverre faalt de grief.

13. In het geval het verrekenbeding niet is uitgevoerd geldt dat dit op grond van het op 1 september 2002 in werking getreden artikel 1:141 lid 1 BW alsnog dient te geschieden.

14. [geïntimeerde] heeft nakoming gevorderd van het verrekenbeding.

15. [appellant] heeft betoogd dat het verrekenbeding reeds is nagekomen. Hij heeft in dat verband erop gewezen dat de meubels zijn verdeeld, dat hij aan [geïntimeerde] heeft uitbetaald, dat de schuld aan de moeder van [geïntimeerde] is verwoord in afspraken en dat met de opbrengst van de auto de kosten van de verhuizing van beide partijen zijn voldaan. Daarbij is hij van mening dat de rechtbank ten onrechte zijn aanbod dit te bewijzen heeft gepasseerd en heeft hij dit bewijsaanbod in hoger beroep herhaald.

16. [geïntimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat het door ieder van partijen meenemen van inboedelzaken en het aflossen door [appellant] van een schuld aan haar onverlet laat dat niet tot een afrekening is gekomen op grond van het verrekenbeding. Uit de door [appellant] in het geding gebrachte brief aan

mr. Kortenhoff van 14 juni 2007 kan volgens haar evenmin worden afgeleid dat die afwikkeling heeft plaatsgevonden.

17. Het hof overweegt dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat het verrekenbeding reeds (algeheel) is nagekomen. Aan bewijslevering kan pas worden toegekomen als daartoe voldoende is gesteld.

18. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] met het uitbetalen van [geïntimeerde] heeft gedoeld op de betaling aan [geïntimeerde] van € 23.000,-, nu hij in eerste aanleg heeft gesteld dat hij met die betaling het verrekenbeding is nagekomen.

19. [geïntimeerde] heeft steeds gesteld dat [appellant] met de betaling van het bedrag van € 23.000,- het bedrag heeft terugbetaald dat zij heeft verschaft voor de verbouwing van de voormalige op [appellant]' naam staande echtelijke woning aan [adres].

20. De rechtbank heeft ten aanzien van die betaling in rechtsoverweging 3.20 van het vonnis van 13 januari 2010 overwogen dat dit een terugbetaling is van klaarblijkelijk door [geïntimeerde] eerder aan [appellant] uitgeleend privé (niet verrekenplichtig) vermogen en heeft beslist dat het verrekenplichtig vermogen van [appellant] dient te worden verminderd met deze schuld aan [geïntimeerde] alsmede dat de helft van het aldus berekende vermogen van € 54.698,- toekomt aan [geïntimeerde].

21. Het hof is van oordeel dat het in het licht van het vorenstaande op de weg van [appellant] lag in zijn memorie van grieven zijn stelling dat hij met de betaling van het bedrag van € 23.000,- het verrekenbeding is nagekomen, nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten.

22. [appellant] heeft - uitgaande van de door hem gestelde nakoming van het verrekenbeding - evenmin gemotiveerd gesteld op welke wijze het bedrag van € 23.000,- tussen partijen is bepaald. Voor zover [appellant] mocht hebben beoogd dit te doen met de in hoger beroep door hem overgelegde berekeningen geldt dat deze kennelijk naderhand door [appellant] zelf zijn opgesteld. Deze berekeningen komen niet uit op een overeenkomstig de stellingen van [appellant] te verrekenen vermogen van € 46.000,-. In zoverre is de grief onbegrijpelijk.

23. Voorts neemt het hof in aanmerking dat uit de voormelde brief van [appellant] aan mr. Kortenhoff van 14 juni 2007 juist blijkt dat er volgens [appellant] niet hoefde te worden verrekend, omdat er in zijn visie geen sprake was van te verrekenen overgespaarde inkomsten. Dit verdraagt zich, zonder nadere onderbouwing, welke achterwege is gebleven, niet zonder meer met de stelling van [appellant] dat hij een bedrag van € 23.000,- heeft voldaan ter nakoming van het verrekenbeding.

24. Ook met het overige door [appellant] aangevoerde acht het hof onvoldoende onderbouwd dat het verrekenbeding (volledig) door hem is nagekomen. Er bestaat daarom geen reden hem toe te laten tot bewijs.

25. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat ten aanzien van afzonderlijk tot het te verrekenen vermogen behorende bestanddelen uitvoering is gegeven aan het verrekenbeding, zal dit in het navolgende, voor zover relevant, nog aan de orde komen.

26. Nu ervan dient te worden uitgegaan dat geen uitvoering is gegeven aan het verrekenbeding dient dit, zoals hiervoor is overwogen, alsnog te geschieden.

27. Voor wat betreft de vaststelling van de omvang van de uit het verrekenbeding voortvloeiende verrekenplicht geeft artikel 1:141 lid 3 BW de bewijsregel dat, behoudens tegenbewijs, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.

28. In rechtsoverweging 3.5 van het vonnis van 13 januari 2010 is beslist dat de datum van echtscheiding van partijen heeft te gelden als peildatum voor de verrekening. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd ten betoge dat die beslissing dient te worden vernietigd. Daarom zal ook het hof deze datum - 8 oktober 2007 -aanmerken als peildatum.

29. Uit het bestreden eindvonnis volgt dat de rechtbank het op 8 oktober 2007 aanwezige vermogen dat voor verrekening in aanmerking komt, heeft vastgesteld op:

de verkoopopbrengst van de echtelijke woning groot € 157.397,-

+ de verkoopopbrengst van de auto € 400,-

+ de etsen € 2.000,-

+ de cricketonderneming € 4.200,-

-/- de schuld aan de moeder van [geïntimeerde] groot € 25.000,-

-/- de schuld van [appellant] aan [geïntimeerde] groot € 23.000,-

saldo € 115.997,-

waarvan in het kader van de uitvoering van het verrekenbeding de helft toekomt aan [geïntimeerde], ofwel € 57.998,-.

30. Voor zover [appellant] in zijn grief uitdrukkelijk over de in de vaststelling van het te verrekenen vermogen betrokken goederen en schulden heeft geklaagd, zal het hof dit in het onderstaande beoordelen.

De activa

De woning

31. [appellant] heeft niet, althans niet voldoende kenbaar voor de appelrechter en [geïntimeerde], geklaagd over het in het te verrekenen vermogen betrekken van de verkoopopbrengst van de woning groot € 157.397,- . Het hof zal daarom deze verkoopopbrengst van € 157.397,- betrekken in de vaststelling van het te verrekenen vermogen.

De auto

32. [appellant] heeft gesteld dat de auto ruim voor het uiteengaan van partijen is verkocht zodat de auto geen deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen.

33. Het hof overweegt dat uit de door [appellant] in het geding gebrachte verklaring van de koper van de auto volgt dat de auto op 10 oktober 2007 aan laatstgenoemde is verkocht. Daarmee was de auto op de peildatum nog aanwezig en behoort deze tot het te verrekenen vermogen. Nu daartegen geen grief is opgeworpen zal het hof de auto voor een waarde van € 400,- tot het te verrekenen vermogen rekenen.

34. [appellant] heeft aangevoerd dat partijen ten aanzien van de auto reeds uitvoering hebben gegeven aan het verrekenbeding, doordat de verkoopopbrengst van de auto voor partijen tezamen is aangewend in het kader van de verhuizing. Hij heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij rond 1 november 2007 een auto heeft gehuurd voor € 174,- - naar eigen zeggen van [appellant] voor de verhuizing van [geïntimeerde], hetgeen zij heeft betwist. Daarnaast heeft [appellant] een bekeuring van € 75,- overgelegd voor het op 31 oktober 2007 ter plaatse van de echtelijke woning niet dragen van een autogordel.

35. [geïntimeerde] heeft betwist dat het bedrag van € 400,- aldus tussen hen is verrekend en heeft bovendien betwist dat [appellant] haar heeft geholpen met haar verhuizing.

36. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [appellant] de bewijslast van zijn voldoende onderbouwde stelling dat het bedrag van € 400,- door partijen is verrekend doordat het (mede) ten behoeve van [geïntimeerde] is aangewend voor haar verhuizing. Daarbij overweegt het hof dat de bekeuring [appellant] zelf betreft en dat [appellant] in het licht daarvan onvoldoende heeft gesteld dat de betaling door [appellant] van deze bekeuring is geschied ter nakoming van het verrekenbeding.

37. Omdat [appellant] op dit onderdeel bewijs heeft aangeboden, zal het hof [appellant] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat hij de autohuur heeft betaald voor de verhuizing van [geïntimeerde] en dat partijen met die betaling ten aanzien van de auto uitvoering hebben gegeven aan het verrekenbeding. Het hof zal [appellant] - met name ook in verband met het geringe financiële belang op dit onderdeel - in de gelegenheid stellen bij akte zich erover uit te laten of en op welke wijze hij dit bewijs zou willen leveren. Het hof kan zich ook voorstellen dat partijen op dit onderdeel een regeling treffen.

De etsen

38. Vast staat dat de etsen deel uitmaken van het te verrekenen vermogen. Nu partijen het niet eens zijn over de waarde van deze etsen zal het hof, conform het voorstel van [appellant], een deskundige vragen deze waarde per 8 oktober 2007 vast te stellen.

39. Voordat tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zullen partijen zich bij akte kunnen uitlaten omtrent de persoon van deze deskundige. Het hof geeft partijen in overweging, gezien het financiële belang van de zaak en de aan een deskundig oordeel verbonden kosten, te volstaan met de benoeming van één deskundige, dan wel de waarde in onderling overleg te bepalen.

40. Partijen zullen ieder voor de helft worden belast met het betalen van het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige.

De cricketonderneming

41. De grief van [appellant] richt zich niet tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen waarde van de voorraad van [appellant]- Equip van € 4.200,-, zodat ook het hof deze voorraad voor die waarde zal betrekken in de vaststelling van het te verrekenen vermogen.

De passiva

Debetsaldo zakelijke girorekening [appellant]-Equip

42. Uit de grief volgt dat [appellant] in het kader van de berekening van het ondernemingsvermogen eveneens het debetsaldo van de zakelijke girorekening van € 3.628,- in aanmerking wil nemen. [geïntimeerde] heeft hier kanttekeningen bij geplaatst (memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, onderdeel 14). Zij heeft aangevoerd dat het tekort op die rekening kan zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld de privé-uitgaven van [appellant] en dat een debetstand niets wil zeggen over de waarde van de onderneming dan wel de waarde van de tot de onderneming behorende cricketspullen en voorraad.

43. Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat [appellant] inzicht dient te verschaffen in de totstandkoming van deze debetstand. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen dit bij akte te doen, waarop [geïntimeerde] een antwoordakte zal mogen

nemen.

Overige passiva

44. Uit de grief van [appellant] volgen voor het overige geen voldoende kenbare klachten over de in het te verrekenen vermogen te betrekken passiva.

45. Het hof zal de door de rechtbank in aanmerking genomen schuld aan de moeder van [geïntimeerde] groot € 25.000,- en de schuld van [appellant] aan [geïntimeerde] van € 23.000,- in elk geval in de verrekening betrekken.

Aangebrachte onroerende zaken

46. [appellant] heeft gesteld dat hij bij het aangaan van het huwelijk vermogen heeft aangebracht en heeft aangeboden dit te bewijzen. Hij heeft aangevoerd dat hij bij het aangaan van het huwelijk vier onroerende zaken in eigendom had en dat hij op dat moment meer geld en meer meubilair had dan [geïntimeerde]. Hij heeft berekeningen gemaakt van het volgens hem buiten de verrekening blijvend vermogen en heeft ter zake een bewijsaanbod gedaan.

47. [geïntimeerde] heeft daarop gesteld dat zij de door [appellant] gemaakte opstelling niet kan volgen en dat zij daarvoor de relevante bescheiden nodig heeft, welke ontbreken. Bij gebrek aan wetenschap heeft zij betwist dat [appellant] positief vermogen had bij aanvang van het huwelijk dan wel gesteld dat tegenover enig positief vermogen ook schulden stonden die een eventueel bedrag aan overwaarde in woningen overtreffen.

48. Voor zover [appellant] melding heeft gemaakt van meer geld en meubels bij de aanvang van het huwelijk overweegt het hof dat [appellant] dit volstrekt niet heeft onderbouwd. Het hof komt hier niet toe aan het door hem aangeboden (tegen)bewijs.

49. Dit ligt anders voor de stelling van [appellant] dat hij bij de aanvang van het huwelijk vier onroerende zaken in eigendom had die buiten de verrekening dienen te blijven. In de door hem bij memorie van grieven en bij memorie van antwoord in het incidenteel appel overgelegde producties zijn vier onroerende zaken opgenomen, te weten de panden aan [adres], [adres], [adres] en [adres], alle te [woonplaats]. Uit het tweede - bij memorie van antwoord in het incidenteel appel onder C overgelegde - overzicht blijkt dat het [appellant] alleen gaat om de onroerende zaken aan [adres], [adres] en [adres].

50. Dat deze onroerende zaken niet zijn opgenomen in de lijst van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden maakt, anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, niet dat deze om die reden tot het te verrekenen vermogen behoren.

51. Indien de stellingen van [appellant] mochten worden bewezen heeft dit tot gevolg dat hier sprake is van vermogen dat niet is ontstaan uit de te verrekenen overgespaarde inkomsten, en heeft [appellant] alsdan tegenbewijs geleverd als bedoeld in artikel 1:141 lid 3 BW.

52. Het hof overweegt dat uit de door [appellant] overgelegde stukken niet blijkt dat hij de drie genoemde onroerende zaken reeds bij aanvang van het huwelijk in eigendom had.

53. Indien de onroerende zaak aan de [adres] reeds bij aanvang van het huwelijk aan [appellant] toebehoorde, acht het hof met productie E voorshands voldoende aangetoond dat het door [appellant] daarin berekende bedrag van ƒ 90.001,- (€ 40.840,67) buiten de verrekening dient te blijven en aldus in mindering komt op het door [appellant] te verrekenen vermogen.

54. Voor wat betreft de onroerende zaken aan [adres] en de [adres] kan uit de overgelegde stukken niet blijken dat sprake is van vermogen dat alsdan buiten de verrekening dient te blijven.

55. Nu [geïntimeerde] het aanbrengen van deze onroerende zaken en het ter zake buiten de verrekening te blijven bedrag heeft betwist zal het hof aan [appellant] opdragen het aangeboden tegenbewijs te leveren, in die zin dat de onroerende zaken aan [adres], [adres] en [adres], alle te [woonplaats], reeds bij de aanvang van het huwelijk aan hem in eigendom toebehoorden en dat, na aftrek van de aan die onroerende zaken verbonden (al dan niet hypothecaire) schulden en kosten, vermogen is overgebleven dat buiten de verrekening dient te blijven.

56. Gezien de aard van het tegenbewijs ligt het in de rede dat [appellant] dit tegenbewijs schriftelijk zal leveren. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte eveneens uit te laten over de wijze waarop hij het tegenbewijs wil leveren.

Resumerend

57. [appellant] zal in de gelegenheid worden gesteld een akte te nemen, waarin hij zich zal mogen uitlaten als vermeld in rechtsoverweging 37 (bewijs ter zake de verrekening ten aanzien van de auto), 39 (deskundigenbericht ter zake van de etsen), 43 (debetstand zakelijke girorekening) en 56 (tegenbewijs aangebrachte onroerende zaken). [geïntimeerde] zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.

In het principaal en in het incidenteel appel

58. De bespreking van de grieven zal worden aangehouden totdat partijen zich hebben uitgelaten zoals hiervoor onder rechtsoverweging 57 is vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 5 juni 2012 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen aan het hof nadere informatie te verstrekken zoals onder 58 bedoeld.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en

B.J.H. Hofstee en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op

dinsdag 8 mei 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.