Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BW5205

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
200.081.953
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling eenvoudige gemeenschap en afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:84 lid 3 BW een van het eerste lid van dat artikel (m.b.t. kosten van de huishouding) afwijkende regeling getroffen in de huwelijkse voorwaarden; uitleg huwelijkse voorwaarde; artikel 3 moet aldus gelezen worden dat, indien in enig tijdvak de inkomsten uit arbeid ontoereikend waren, de kosten van de huishouding dienden te worden bestreden uit de inkomsten uit vermogen en, indien ontoereikend, eerst ui het gezamenlijke vermogen en vervolgens naar evenredigheid uit privévermogen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.081.953

(zaaknummer rechtbank 198182/VD RK 10-2038)

beschikking van de familiekamer van 15 maart 2012

inzake

[man],

wonende te [Woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. H.C.D. Bos te Arnhem,

en

[Vrouw],

wonende te [Woonplaats, Land],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. J.W.M. Hendriks-van Vugt te Rotterdam.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2010 en 9 november 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 februari 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 9 november 2010. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

- de inboedel wordt verdeeld conform de door de man opgestelde inventarislijst;

- de inboedelgoederen die geen der partijen toegedeeld wenst te krijgen, verkocht zullen worden en dat de opbrengst hiervan tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;

- de vrouw is overbedeeld voor een bedrag van € 242,50 en dat zij dit bedrag dient te voldoen aan de man;

- de waarde van de Volvo V70 per 11 oktober 2008 € 10.000,- bedroeg;

- de man op het gezamenlijk krediet van € 32.000,- (in hoofdsom) € 10.000,- aflost en de vrouw € 7.500,-;

- alle schilderijen, vermeld in productie 20 bij de brief van de man van 17 februari 2010, behoren tot het privévermogen van de man en dat de waarde van deze schilderijen niet voor verrekening in aanmerking komt.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 maart 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft zij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van 9 november 2010. Zij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het verzoek van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de man alsnog aan zijn fourneerplicht dient te voldoen, conform het gestelde onder de punten 25 tot en met 34;

- te bepalen dat hoofdsom en rente van het doorlopend krediet door de man worden voldaan, conform het gestelde onder de punten 35 en 36;

- afgifte te bevelen van de aan de vrouw toebedeelde inboedelgoederen, voor zover die nog niet in haar bezit zijn;

- te bepalen dat de twee schilderijen van Lussenburg, te weten “Palet” en “Boeket”, aan de vrouw worden toebedeeld - met bevel tot afgifte aan de vrouw - waarbij de vrouw aan de man een bedrag van € 431,- is verschuldigd in verband met overbedeling;

- met betrekking tot de creditcardschuld: te bepalen, primair, dat de man de creditcardschuld aflost door betaling van € 6.000,- plus € 2.791,86 (de rente van 1 juli 2008 tot en met 1 april 2011) plus de rente vanaf 1 april 2011 tot de datum van betaling en, subsidiair, dat partijen de creditcardschuld van € 6.000,- plus € 2.791,86 (de rente van 1 juli 2008 tot en met 1 april 2011) plus de rente vanaf 1 april 2011 tot de datum van betaling aflossen naar verhouding van de inkomens van partijen (73%-27%, zonder aftrek van het bedrag van € 3.360,- dat de man uit privévermogen heeft aangewend om de kosten van de huishouding te betalen);

- te verklaren voor recht dat de man afziet van zijn recht op verevening van het pensioen van de vrouw en tevens te bepalen dat de man binnen een maand na de beschikking in deze procedure samen met de vrouw een schriftelijke overeenkomst tekent, waarin hij afziet van zijn recht op verevening van het pensioen van de vrouw, welke overeenkomst aan het pensioenfonds van de vrouw kan worden toegezonden, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag dat de man na voornoemde termijn van een maand nalatig is de overeenkomst te tekenen.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 16 mei 2011, waarin hij het hof verzoekt (zo begrijpt het hof) de vrouw in haar verzoeken in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 oktober 2011 een brief van mr. Hendriks-van Vugt van 14 oktober 2011 met bijlagen;

- op 21 oktober 2011 een brief van mr. Bos van diezelfde datum met bijlagen;

- op 24 oktober 2011 een brief van mr. Bos van diezelfde datum met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

3.2 De bij notariële akte van 21 januari 1983 opgemaakte huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1. Er zal tussen de echtgenoten geen enkele gemeenschap van goederen bestaan.

(…)

Artikel 3. De kosten der huishouding en die van de verzorging en opvoeding der kinderen (…) komen ten laste van de comparanten, naar verhouding van ieders inkomsten uit arbeid, en voorzover in enig tijdvak ontoereikend, die uit vermogen.

Artikel 4. Na ommekomst van ieder kalenderjaar, alsmede na de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed in de loop van enig kalenderjaar, zullen de comparanten overgaan tot verrekening en tot verdeling bij helfte van een eventueel overschot aan inkomsten over het verstreken kalenderjaar, casu quo tijdvak.

Onder overschot aan inkomsten wordt verstaan het verschil tussen de som van alle inkomsten en het totaal van de kosten in artikel 3 bedoeld en de belastingen in artikel 7 genoemd, alles over een desbetreffend tijdvak.

Artikel 5. Ieder der comparanten heeft telkens gedurende drie jaren na ommekomst van een kalenderjaar, casu quo tijdvak, het recht die verrekening en verdeling bij helfte te vorderen.”

(…)

3.3 Bij beschikking van 22 maart 2010 heeft de rechtbank Arnhem echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, voor zover thans van belang, de behandeling met betrekking tot de verdeling van de eenvoudige gemeenschap en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 8 april 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat partijen de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden zullen afwikkelen overeenkomstig hetgeen in die beschikking is overwogen en dienovereenkomstig met elkaar zullen verrekenen en verdelen, de kosten van de procedure gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

4.1 Tussen partijen is in geschil hoe hun vermogen verdeeld en verrekend dient te worden. Het geschil in hoger beroep betreft het volgende:

- de “fourneerplicht” ingevolge artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:84 BW (grief 1 in het incidenteel hoger beroep);

- de waarde van de Volvo V70 en de aflossing van het doorlopend krediet (grief 2 in het principaal hoger beroep en grief 2 in het incidenteel hoger beroep);

- de inboedel (grief 1 in het principaal hoger beroep en grief 3 in het incidenteel hoger beroep);

- de schilderijen (grief 3 in het principaal hoger beroep en grief 4 in het incidenteel hoger beroep);

- de creditcardschuld (grief 5 in het incidenteel hoger beroep);

- de pensioenverevening (grief 6 in het incidenteel hoger beroep).

4.2 De vrouw stelt (in de toelichting op grief 1 in het incidenteel hoger beroep) dat de man op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:84 BW de tekorten in de kosten van de huishouding had moeten aanvullen met inkomsten uit arbeid dan wel, indien dat inkomen ontoereikend was, met inkomsten uit vermogen of met vermogen. Volgens de vrouw dient de man alsnog aan deze “fourneerplicht” te voldoen door:

- het doorlopend krediet en de creditcardschuld af te lossen, alsmede de over de creditcardschuld verschuldigde rente vanaf 1 juli 2008,

- het consumptief bestede deel van de hypotheek aan de vrouw te vergoeden tot een bedrag van € 150.000,-,

- € 15.000,- van de lening van de moeder van de vrouw (en de rente vanaf 1 januari 2008) en € 34.000,- van het spaargeld van de kinderen voor zijn rekening te nemen (namelijk het bedrag dat krachtens de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 12 oktober 2010 reeds voor rekening komt van de man en het bedrag dat voor rekening komt van de vrouw),

- een bedrag van € 3.660,- dat de man voor de kosten van de huishouding vanuit zijn privévermogen heeft opgenomen voor zijn rekening te nemen en

- € 23.792,- aan de vrouw te betalen vanwege haar stortingen in 2007/2008 vanuit haar eenmanszaak ten behoeve van de kosten van de huishouding.

4.3 De man bestrijdt de stellingen van de vrouw. Volgens hem waren de inkomsten uit arbeid van partijen in diverse periodes tijdens het huwelijk ontoereikend voor hun bestedingen en is daarom het gezamenlijke vermogen van partijen aangesproken, dat ook meer dan toereikend is gebleken. Er zijn geen gronden die rechtvaardigen dat hij (alsnog) zijn privévermogen dient aan te wenden voor (de gemaakte) kosten van de huishouding, aldus de man.

4.4 Ingevolge artikel 1:84 lid 1 BW komen de kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten. Ingevolge lid 2 zijn de echtgenoten jegens elkaar verplicht dienovereenkomstig tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten.

Lid 3 van voormeld artikel bepaalt dat bij schriftelijke overeenkomst een van het eerste en tweede lid afwijkende regeling kan worden getroffen.

4.5 Partijen zijn in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de kosten van de huishouding en die van de verzorging en opvoeding van de kinderen ten laste komen van partijen naar verhouding van ieders inkomsten uit arbeid en, voor zover in enig tijdvak ontoereikend, die uit vermogen. Partijen hebben daarmee overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:84 lid 3 BW een van het eerste lid van dat artikel afwijkende regeling getroffen in de huwelijkse voorwaarden. Partijen verschillen van mening over de uitleg van voornoemd artikel.

4.6 Het hof overweegt als volgt. Bij de uitleg van een overeenkomst moet niet alleen worden gelet op de zuiver taalkundige betekenis van de bewoordingen daarvan, maar komt het ook steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Taalkundig uitgelegd verwijst het woordje "die" naar het eerdere woord "inkomsten". Aldus uitgelegd regelt artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding aldus dat deze eerst naar evenredigheid worden gedragen uit ieders inkomsten uit arbeid, vervolgens wanneer die in enig tijdvak ontoereikend zijn, naar evenredigheid uit ieders inkomsten uit vermogen. Volgens de man was er ten tijde van het sluiten van het huwelijk sprake van vermogen in zijn familie en hebben partijen huwelijkse voorwaarden gesloten om dat privévermogen buiten schot te houden. De vrouw heeft dat niet betwist. De man legt artikel 3 aldus uit dat de kosten van de huishouding allereerst dienden te worden bestreden uit de inkomsten uit arbeid, vervolgens uit het gezamenlijk vermogen en daarna uit het privévermogen. Volgens de vrouw komen de kosten van de huishouding eerst ten laste van de inkomsten uit arbeid, vervolgens van de inkomsten uit vermogen en vervolgens ten laste van het vermogen. Op grond van de tekst van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, de niet door de vrouw betwiste toelichting van de man over de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden en de door de man aan voormeld artikel 3 gegeven uitleg, oordeelt het hof dat artikel 3 aldus moet worden gelezen dat, indien in enig tijdvak de inkomsten uit arbeid ontoereikend waren, de kosten van de huishouding dienden te worden bestreden uit de inkomsten uit vermogen en, indien ontoereikend, eerst uit het gezamenlijke vermogen en vervolgens naar evenredigheid uit privévermogen.

4.7 De vrouw licht haar stellingen met betrekking tot de kosten van de huishouding aldus toe, dat partijen tijdens het huwelijk een te hoog bestedingspatroon hadden en gemiddeld per jaar € 25.000,- meer uitgaven dan zij aan arbeidsinkomsten genoten. De man had deze tekorten uit zijn privévermogen moeten aanvullen. Door dat niet te doen bestonden er aan het einde van het huwelijk schulden en deze schulden dienen daarom alleen voor zijn rekening te komen. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist. De man erkent wel dat in sommige tijdvakken de arbeidsinkomsten onvoldoende waren om de kosten van de huishouding te dekken maar hij heeft deze aangevuld met de schenkingen van zijn ouders van in totaal € 38.000,-, uit verhoging van de hypotheek op de gemeenschappelijke woning en na 2004 met privévermogen uit de nalatenschappen van zijn ouders. De man voert aan dat er ter gelegenheid van de verkoop van de echtelijke woning overwaarde was die de omvang van de schulden aan het einde van het huwelijk overtrof en dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij haar inkomsten uit arbeid heeft besteed aan de kosten van de huishouding.

4.8 Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het er weliswaar over eens dat zij in sommige perioden meer uitgaven dan zij aan inkomsten uit arbeid genoten maar het had op de weg van de vrouw gelegen om, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, inzichtelijk te maken in welke perioden en in hoeverre de arbeidsinkomsten van partijen, de inkomsten uit vermogen en het gezamenlijk vermogen ontoereikend waren voor de bestrijding van de kosten van de huishouding en in welke perioden de man niet heeft voldaan aan zijn bijdrageplicht. Het overleggen van haar eigen aangiften inkomstenbelasting vanaf 2001 en de door de vrouw gemaakte algemene schatting van de totale gezinsuitgaven in de periode van 2000 tot juli 2008, is zonder nadere concrete toelichting en onderbouwing met bescheiden van de uitgaven, van de arbeidsinkomsten, de inkomsten uit vermogen, de omvang van het gezamenlijk vermogen en het verloop van de schulden in de desbetreffende tijdvakken, daartoe onvoldoende.

4.9 De vrouw heeft nog aangevoerd dat de man ongeveer € 15.000,- per jaar aan inkomsten uit zijn vermogen ontving - namelijk de huurpenningen van zijn zomerhuis op Schiermonnikoog vanaf 1992 - die hij had kunnen aanwenden voor de kosten van de huishouding, maar zij heeft dit niet nader toegelicht. Nu de man deze stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist en hij aannemelijk heeft gemaakt dat de huurinkomsten, die volgens hem niet eerder zijn genoten dan in 2005 (productie 8) in de jaren 2005, 2006 en 2007 onvoldoende waren om de kosten van deze woning te dekken, gaat het hof hieraan voorbij.

4.10 Het hof overweegt naar aanleiding van het onder 4.2 weergegeven standpunt van de vrouw voorts dat partijen blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 oktober 2010 zijn overeengekomen dat de lening van [A] naar evenredigheid van inkomen (basis 2007: 73%-27%) zal worden terugbetaald, inclusief 4% rente, dat de man € 20.000,- zal terugstorten op de spaarrekeningen van de kinderen en de vrouw € 14.000,-, te betalen uit de overwaarde en dat met betrekking tot de eenmanszaak van de vrouw geen verrekening zal plaatsvinden. Voor zover de vrouw in haar beroepschrift in het incidenteel hoger beroep (onder 31 en volgende) bedoelt te betogen dat zij niet (meer) gebonden is aan de zojuist aangehaalde vaststellingsovereenkomst van 12 oktober 2010, faalt dat betoog, nu dit niet is gemotiveerd.

4.11 Uit het hiervoor onder 4.2 tot en met 4.10 overwogene vloeit voort dat grief 1 in het incidenteel hoger beroep tevergeefs is voorgedragen en dat het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man alsnog aan zijn “fourneerplicht” - waarmee de vrouw kennelijk de bijdrageplicht bedoelt - dient te voldoen aldus dat de door de vrouw opgevoerde schulden alleen voor rekening van de man moeten komen, zal moeten worden afgewezen.

4.12 Ter mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen het erover eens geworden dat de waarde van de Volvo V70 per 11 oktober 2008 kan worden gesteld op € 11.000,-. Daaruit volgt dat de man op het gezamenlijk krediet van partijen van € 32.000,- € 11.000,- dient af te lossen en dat ieder de helft van de restantschuld van € 13.500,- (€ 32.000,- minus € 11.000,- en minus € 7.500,- ter zake van de BMW) en de rente daarover dient te dragen. Grief 2 in het principaal hoger beroep en grief 2 in het incidenteel hoger beroep behoeven daarom geen (verdere) bespreking.

4.13 Voorts hebben partijen ter mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel, zonder nadere verrekening. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de op bijlage 16 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 14 oktober 2011 vermelde zaken zal verkrijgen, met uitzondering van het schilderij van Viegers, “Huis ten Bosch” (waarover het hof hierna zal oordelen), de groene waterschaal (die kapot is gevroren) en de piano (die niet het eigendom van partijen was). De man zal verkrijgen een koperen belletje, een munt (een “gouden rijder”) en een slabak uit Haïti. Partijen zullen deze zaken over en weer via hun kinderen overdragen. Ook grief 1 in het principaal hoger beroep en grief 3 in het incidenteel hoger beroep behoeven gelet hierop geen (verdere) bespreking.

4.14 Grief 3 in het principaal hoger beroep en grief 4 in het incidenteel hoger beroep zijn gericht tegen de verrekening en toebedeling van de schilderijen. De man stelt dat alle schilderijen zijn gefinancierd met zijn privévermogen en dat zij daarom behoren tot zijn privévermogen en niet voor verrekening in aanmerking komen. De vrouw betwist dat ten aanzien van na te melden schilderijen. Partijen hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling het bewijsaanbod voor hun stellingen over en weer niet langer gehandhaafd en het hof verzocht omtrent (de verrekening van) de schilderijen te beslissen naar redelijkheid en billijkheid.

4.15 Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie navolgende schilderijen behoren:

- Van Oorschot (“Boerderijen”),

- Van Oorschot (“Bouquet rozen met paletmes”),

- Viegers (“Huis ten Bosch”),

- Mühlhaus (“Café de la Paix”),

- Visser (“Waterlelies”),

- Verleur (“Beek bij Renkum”),

- Lussenburg (“Palet”) en

- Lussenburg (“Bouquet”).

4.16 Bestaat tussen niet in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren, aldus artikel 1:131 lid 1 BW.

4.17 Partijen hebben ter mondelinge behandeling verklaard ter zake van de onder 4.15 weergegeven vraag een beslissing van het hof te wensen zonder dat enige partij tot bewijslevering wordt toegelaten. Nu partijen niet hebben bewezen aan wie van hen voormelde schilderijen toebehoren, moet ervan worden uitgegaan dat deze aan ieder van hen voor de helft toebehoren.

4.18 Op grond van het voorgaande acht het hof het - in aansluiting op hetgeen de rechtbank heeft bepaald - redelijk en billijk dat de man aan de vrouw € 1.531,- betaalt voor de twee voormelde schilderijen van Van Oorschot, dat deze schilderijen aan de man worden toebedeeld, dat het schilderij van Viegers (“Huis ten Bosch”) aan de vrouw wordt toebedeeld, waarvoor de vrouw aan de man € 1.750,- (de helft van het aankoopbedrag van € 3.500,-) betaalt en voorts dat - zoals de vrouw in eerste aanleg heeft voorgesteld - het schilderij van Mühlhaus (“Café de la Paix”) aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening, nu de man het schilderij van Korthals (“Port St. Denis”), aankoopprijs € 8.000,-, behoudt. Voorts acht het hof het redelijk dat de vrouw, overeenkomstig haar voorstel, beide voormelde schilderijen van Lussenburg krijgt toebedeeld en de man de schilderijen van Visser en Verleur en dat de vrouw wegens overbedeling ter zake van de twee schilderijen van Lussenburg € 431,- aan de man betaalt.

Een en ander leidt ertoe dat de vrouw ter zake van de schilderijen aan de man een bedrag van € 650,- dient te betalen.

4.19 Met betrekking tot de creditcardschuld overweegt het hof dat de primaire - op grief 1 in het incidenteel hoger beroep voortbouwende - stelling van de vrouw geen bespreking behoeft, nu genoemde grief tevergeefs is voorgedragen. Subsidiair voert de vrouw aan dat zij het voorstel van de man, dat zij deze schuld voor haar rekening zou nemen omdat de man € 3.660,- uit zijn privévermogen heeft betaald (en aanvullend nog € 1.014,- zal betalen), niet heeft geaccepteerd. Indien moet worden aangenomen dat hieromtrent wel een afspraak is gemaakt, dan is sprake van dwaling, aldus de vrouw, omdat zij haar rechten en plichten niet goed kon overzien. De man betwist de stellingen van de vrouw.

4.20 Het hof is van oordeel dat de man - tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw - zijn stelling dat partijen sluitende afspraken met betrekking tot de creditcardschuld hebben gemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt. Wel staat vast dat partijen de creditcard gebruikten voor het voldoen van kosten van de huishouding. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de schuld naar rato van de inkomens van partijen (volgens de vrouw: 73%-27%) dient te worden afgelost, zonder aftrek van het bedrag van € 3.660,- dat de man vanuit zijn privévermogen heeft betaald. Grief 5 in het incidenteel hoger beroep slaagt.

4.21 Evenmin is gebleken - anders dan de vrouw aanvoert - dat partijen (van de wet afwijkende) afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de pensioenverevening. Weliswaar heeft de man voorgesteld af te zien van zijn rechten in dit opzicht jegens de vrouw, maar dat vrouw dit voorstel tijdig heeft aanvaard - dat wil zeggen: vóór 19 december 2008, welke termijn de man aan de vrouw heeft gesteld in zijn e-mail van 9 december 2008 - is gesteld noch gebleken. Voor de verzochte verklaring voor recht bestaat daarom geen grond.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te bekrachtigen voor het overige.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 9 november 2010 voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden zullen afwikkelen overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen en dienovereenkomstig met elkaar zullen verrekenen en verdelen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Luiten, H.L. van der Beek en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en is op 15 maart 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.